VERKOCHT.

Twee dagen later stond Alewijn reeds op den akker te arbeiden. Hij

was een krachtige, breede knaap, maar het kostte hem niet weinig

moeite, den ploeg, dien de ossen trokken, in het rechte spoor te

houden. Daar hij geen suffer was, poogde hij zich zoo goed mogelijk in

zijn rampzaligen toestand te schikken en de ellende te vergeten. En

hoe kon dat beter dan door hard te werken? Werken kon hij. Het was

een lust, hem te zien; stellig zou het niet lang behoeven te duren,

of hij kwam in de gunst van den abt, als--de meier geen vriend van

Diedaart den pluimverzorger was geweest.

"Je moet dien knaap in het oog houden," had de laatste gezegd.

"Ha, ha, is het er zoo eentje; nu, we zullen hem wel klein krijgen. Hij

werkt anders nog al flink."

"Zeker, maar ik zeg je, hij heeft streken; dat heb ik al heel gauw

opgemerkt. Anders mocht hij wel bij me blijven."

"Nu, ik verzeker je, dat hij niet veel meer zal hebben in te brengen."

De meier begon dus reeds met den armen Alewijn te wantrouwen en dat

was voor den knaap heel ongelukkig. Want hoe gaat het in de wereld,

als de menschen het al vooruit op iemand niet begrepen hebben? Dan kan

hij zich niet eventjes vergissen, of het is mis. En zoo ging het hier

ook. De meier had geen oog voor den ijver, waarmee Alewijn arbeidde,

maar op fouten, wezenlijke of schijnbare, lette hij wel. Rustte de

jongen even, dan meende de man, dat hij wilde luieren; praatte hij

met een ander, de meier dacht, dat ze elkander opstookten. Dan kwam

hij met een barsch gezicht naderbij en bestrafte den jongen, die zich

natuurlijk niet onrechtvaardig liet behandelen, en, openhartig als

hij was, een flink antwoord terug gaf.

Zoo hoorde de abt ook van den meier niet veel goeds van Alewijn en

werd hij versterkt in de meening, dat het een lastige, weerspannige

jongen was.

Op een morgen was Alewijn bezig, de ossen voor den ploeg te

spannen. Hij stond dicht bij een breeden weg, die naar de abdij

leidde. Plotseling zag hij bij een hoek van achter een boschje een heel

gezelschap ruiters naderen. 't Waren een paar edelen met hun gevolg,

die blijkbaar het plan hadden, den abt een bezoek te brengen. Een der

ridders was een groote breede man, in volle wapenrusting: een malierok,

nauwsluitende hoozen met ringen en een helm op het hoofd. Trotsch

zat hij in het zadel en liet zijn blik gaan over de landerijen aan

weerszijden van den weg, terwijl hij nu en dan het woord richtte

tot zijn metgezel of antwoordde op de opmerkingen, die deze hem

deed. Plotseling kreeg de ridder Alewijn in het oog. Hij scheen wat

bijzonders aan hem te zien, want hij bekeek den knaap met buitengewone

aandacht. Alewijn voelde het en werd er verlegen van; hij wist niet,

wat hij doen moest. Ja, de ridder had het bepaald over hem, toen hij

weer eenige woorden sprak tot den ruiter naast hem. Wat hij zei, werd

Alewijn natuurlijk niet gewaar, maar hij zou het weldra ondervinden.

Alewijn ving met ploegen aan en de ruiters zetten bedaard hun tocht

voort, totdat ze bij de abdij kwamen, waar men zeer vereerd was met het

deftig bezoek en waar de reizigers dan ook gastvrij werden ontvangen.

Waarom de edelman Alewijn zoo opmerkzaam had aangekeken? We zullen

het spoedig zien. Want nog had hij niet lang bij den abt gezeten,

of hij sprak: "Eerwaarde, ik zag zooeven op uw akker een opgeschoten

knaap van een jaar of zestien. Ik zou zoo'n snuiter uitstekend kunnen

gebruiken; hadt u geen lust, hem mij over te doen?"

"Nu, dan dien ik toch eerst te weten, over wien u het hebt. Wacht,

misschien kan broeder Lulof mij helpen."

Lulof werd geroepen en moest met een der mannen van den ridder

meegaan om te onderzoeken, wie de kooplust van den edelman had gaande

gemaakt. Al spoedig kwam de man weer terug en deelde hij den abt mee,

dat het niemand anders dan Alewijn kon zijn.

"Alewijn, Alewijn," dacht de abt, "van dien lummel heb ik tot

nu toe niet veel goeds gehoord; ook de meier is slecht over hem

tevreden. Zulke bedienden kan ik missen. Al wou hij hem haast voor

niets hebben, ik stond hem graag af."

Maar de abt, die zeer bijdehand was, liet niets merken van hetgeen

er in hem omging en richtte dus het woord tot den edelman: "Ik moet

u eerlijk bekennen, dat ik werklui genoeg heb en dus een enkelen van

hen wel wil afstaan, vooral wanneer ik u daar een pleizier mee doe,

maar, deze knaap.... een van mijn flinkste ploegers...."

"Nu, ik zal hem goed betalen."

"Dat spreekt vanzelf," hernam de abt glimlachend, "als dat ook niet

zoo was, wou ik hem doodeenvoudig niet missen. Hoeveel dacht u voor

hem te geven?"

"Als ik eens zei: Twee prachtige rijpaarden."

Dit was een zeer hoog bod, zooals nooit voor een lijfeigene gedaan

werd, maar de ridder, die een krijgshaftigen aard had en graag een

troep flinkgebouwde strijders om zich heen zag, stond er nu eenmaal

op, Alewijn te koopen. Inmiddels gaf hij hiermede het bewijs, dat hij

niet voor koopman in de wieg was gelegd. Hij liet zich op deze wijze

geheel in de kaart kijken en dit was zeer dom, vooral tegenover een

slimmerd als de abt, die zijn oogen een weinig toekneep, het voorhoofd

wat fronste en sprak: "Laten we er maar niet meer over praten." Hij

deed, alsof hij van den geheelen handel niets meer weten wilde.

Hierdoor wekte hij nog meer de begeerte van den edelman, die hem zoo

gauw niet losliet en zei: "Maar heer abt, twee paarden, wordt er ooit

zooveel voor een arbeider gegeven?"

"'t Kan zijn, ik wil er den jongen eenvoudig niet voor missen."

"Maar hoeveel vraagt u dan wel?"

"Nu, als u hem volstrekt hebben wilt, leg er dan nog twee koeien bij

en u kunt den knaap onmiddellijk meenemen; maar voor minder doe ik

hem niet van de hand."

De ridder gaf teekenen van verbazing over zulk een ongehoorden eisch;

maar de abt was er zeker van, dat de edelman ten laatste zou toeslaan,

en bleef dus onverzettelijk. De uitkomst bewees, dat hij juist had

gezien, ja, per slot van rekening was de ander nog blij, dat hij den

jongen had kunnen krijgen, al beklaagde hij zich ook herhaaldelijk

over den duren koop.

Zoo was Alewijn dan verkocht, maar hij wist er zelf nog niets van; ook

's avonds, toen hij naar huis ging, had hij het nog niet vernomen. Hij

was den edelman dan ook al weer vergeten en dacht aan geheel andere

dingen. Hij peinsde er over, wat de toekomst hem brengen zou. Overdag,

bij den drukken arbeid, vergat hij het eenigszins, welk een ellendige

toestand de slavernij toch was, maar 's avonds, bij het naar huis

gaan, kreeg de arme jongen vaak droevige gedachten. De aanblik van

zijn moeder, die, meer gebogen dan ooit, met somberen blik lusteloos

haar werk deed of droef peinzend op een bank zat, maakte hem ook

neerslachtig.

"Zou daar nu niets aan te doen zijn?" dacht hij, "zou de gelegenheid

zich nooit voordoen, mij weer vrij te maken?" Als hij door hard

werken, door zuinig sparen eens zooveel verdiende, dat hij zich en

zijn ouders vrij kon koopen? En dan sprak hij er met zijn moeder over,

om haar te troosten.

"Och, mijn jongen, eer het zoover is, ben ik al lang dood."

"Kom, moeder, zeg dat niet; dat beneemt mij den moed en ik geloof

juist, dat alles nog wel terecht kan komen."

"Ik weet niet."

"Maar zou het dan niet doenlijk zijn, zooveel over te verdienen,

dat we ons weer vrij kunnen koopen?"

"O, 't is zoo moeilijk. Och, jongen, als je ondervonden had, wat ik

heb geleden."

"Wel, moeder, dat is toch voorbij; ik zie er nog wel licht in."

En als Alewijn zoo sprak, begon de arme vrouw in het laatst wat

opgeruimder te worden; ze zag haar jongen met een liefdevollen blik

aan; neen, alle hoop wilde ze hem niet benemen. Ze was overtuigd,

dat de toekomst zich donker liet aanzien, maar toch, ja, ze moest ook

erkennen, dat het meer gezien was, dat lijfeigenen door zuinigheid

en vlijt hun vrijheid hadden weten te verwerven, vooral, als de heer

een zacht en eerlijk man was.

Moeder en zoon zwegen; het gesprek had hen in wat opgeruimder stemming

gebracht; beiden droomden van blijder dagen.

Daar trad de meier binnen, dezelfde, die haar het verlies der vrijheid

had aangekondigd. Opeens herinnerde Marijke zich, dat die man haar

de boodschap had gebracht van het grootste jammer, dat haar was

overkomen. En ze huiverde bij de gedachte daaraan. Zoodra ze den

meier zag, stond haar ongelukkige toestand in al zijn ellende haar

weer voor den geest. Wat voerde hem nu weer hierheen? Kwam hij weer

een jammerboodschap brengen? Kon het misschien nog ongelukkiger?

Ja, het kon nog ongelukkiger. Maar van de tijding, die de meier

nu meebracht, had de arme Marijke in de verste verte niet kunnen

droomen. Het was, of de man het begreep, en of hij er tegen op zag,

dat hij het leed nog kwam vergrooten. Geruimen tijd bleef hij staan

zonder te spreken, als verwachtte hij, dat Marijke beginnen zou. De

vrouw keek hem droefvragend aan; ze las het op zijn gezicht, dat

hij aarzelde, dat hij haast niet voor den dag durfde te komen met

hetgeen hij had mee te deelen. Dit sloeg haar geheel ter neer; was

er dan weer iets gebeurd? Kon het dan wezenlijk nog erger? Welnu,

ze was op alles voorbereid.

De meier zocht naar zijn woorden. 't Was een ruwe man, maar ook de

ruwste is niet geheel van gevoel ontbloot en hij begreep maar al te

goed, dat het ergste leed voor een moeder is, haar kind te verliezen.

Haar kind te verliezen; nog vermoedde Marijke in het geheel niet,

wat verschrikkelijk lot haar boven het hoofd hing.

"'t Zal misschien niet heel aangenaam zijn, wat ik je heb te

vertellen...."

Daar had je het dus. Weer een jobstijding. En bitter viel de vrouw uit:

"Hoe, is het dan nog niet genoeg? Heb ik te weinig geleden? Moet

er nog meer ellende over mijn huis worden gebracht? Voor den dag

er dan mee. Ik kan alles verdragen. Je behoeft er niet om heen

te draaien. Maar ik begrijp waarlijk niet, wat er nog van mij te

halen is."

Marijke zag om zich heen, maar begreep er niets van. Hoe zou ze ook? De

meier werd diep getroffen door den angst, die uit haar verweerde

trekken sprak en aarzelde nog altijd, het noodlottige woord uit

te spreken.

"Maar zeg dan toch, man, wat je hebt."

Nu moest het er wel uit. Vreeselijk was de uitwerking; de meier mocht

de zachtste woorden uitkiezen, die hij vinden kon, het hielp niet: de

rampzalige tijding trof de arme Marijke als een donderslag. Neen, zoo

iets had ze niet verwacht. Ook Alewijn stond diep verslagen. Verkocht;

als een stuk vee verkocht!

Langen tijd stond de vrouw strak voor zich uit te staren. 't Was,

alsof haar hoofd geheel in de war was, of ze vruchteloos moeite deed,

om de gedachten te verzamelen. Ze sprak niet, ze schreide niet, maar

haar roerloos neerzitten bewees meer dan heftig snikken zou gedaan

hebben, hoezeer ze leed.

In het laatst scheen het, of ze een poging tot uitredding wilde

wagen, of er een sprank van hoop in haar opflikkerde. Radeloos van

jammerlijken angst viel ze neer, kroop tot bij den meier voort,

omvatte zijn knieën, en smeekte hem: "Och, mijn goede heer, red

ons, heb medelij met een arme moeder; zeg, dat het niet waar is,

dat mijn jongen, mijn Alewijn bij me blijft. Wij kunnen elkander niet

missen. Niet waar, lieve, beste Alewijn, is het niet zoo, mijn jongen,

je oude moeder kan je niet missen."

Zoo jammerde ze, biddend en smeekend, nu klagend, soms dreigend en in

het laatst zakte ze bewusteloos ineen. Alewijn viel bij zijn moeder

neer, vatte haar in de armen en riep haar: "Moeder, moeder!"

't Was een vreeselijk tooneel, en de meier, de ruwe meier, die gewoon

was, de lijfeigenen als honden te behandelen, voelde zijn oogen vochtig

worden. Maar tegelijk werd hij wrevelig, omdat hij gedwongen was,

getuige te zijn van zulk een droefheid, en, daar hij er toch niets

aan doen kon, keerde hij zich om en ging heen.

Langzamerhand kwam de vrouw weer bij; nu schreide ze, stil, zonder te

spreken, maar de tranen vloeiden haar overvloedig over de wangen. Den

geheelen avond bleven Marijke en haar zoon bij elkander zitten,

hand in hand. Zij legde haar moede hoofd tegen zijn schouder.

"Och," zuchtte ze, "ik had zoo gehoopt, je bij me te houden, het korte

poosje, dat ik nog leven zal. Och, och, dat het niet zoo heeft mogen

zijn. Alewijn, mijn lieve jongen...."

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 7 / 38 题