HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING.

Toen Redbold gelukkig en wel van den kruistocht bij vrouw en kind was

teruggekeerd, kocht hij zich voor het overgespaarde geld een lapje

grond, niet ver van de abdij gelegen. 't Was een vruchtbaar plekje

en leverde meer op dan noodig was om van te leven.

Geruimen tijd gingen de zaken dan ook heel goed. Door zuinigheid en

ijver wisten de eenvoudige menschen hun bezittingen langzaam maar

zeker te vermeerderen.

Had het zoo maar mogen blijven! Helaas, hoe krachtig en ijverig

Redbold ook was, hoe trouw hij door zijn goede Marijke en door zijn

jongen in den zwaren veldarbeid werd bijgestaan, toch was de man niet

in staat, de zijnen bij voortduring gelukkig te maken. Redbold bezat

een treurige eigenschap, een eigenschap, die jammer en ellende zou

brengen in de hut, waar zooveel kalme vreugde kon heerschen.

Redbold was een speler.

Op den kruistocht had hij meermalen opgemerkt, hoe enkelen van zijn

krijgsmakkers soms groote sommen door het spel hadden gewonnen.

Een enkelen keer had hij zelf meegedaan, maar altijd slechts weinig

geld gewaagd.

Toen nu echter de vooruitgang naar zijn zin niet snel genoeg ging,

beproefde hij opnieuw zijn geluk. En dit bracht hem ten gronde.

Want de fortuin was hem zeer ongunstig, en eindelijk verminderden

zijn bezittingen zoo bedenkelijk, dat hij land van de abdij in pacht

moest nemen.

Nog was het tijd om tot inkeer te komen, nog kon alles weer hersteld

worden. Maar neen, de speelzucht zat er bij Redbold te sterk in. Hij

bleek ongeneeslijk. Niets was in staat, hem op den goeden weg terug

te brengen, zelfs de smeekingen van zijn lieve vrouw niet.

Al meer en meer gingen de zaken achteruit, en toen Redbold eindelijk

niet bij machte bleek, zijn pacht te voldoen, moesten hij en de zijnen

daarvoor met hun vrijheid boeten. En nu gebeurde, wat de meier der

abdij al zoo vaak voorspeld had: Redbold met vrouw en zoon werden de

lijfeigenen van den abt. Wel waren ze hierdoor voor gebrek bewaard,

maar hun vrijheid hadden ze verloren. Ze moesten den arbeid verrichten,

dien de abt hun oplei. Ze waren geheel afhankelijk van hen, die door

den geestelijken heer waren aangewezen om op de onderhoorigen het

toezicht te houden. Voor Alewijn was nu de tijd voorbij, dat hij doen

mocht, wat hij wilde. Weldra liet de abt den knaap bij zich komen,

om hem te vertellen, dat hij spoedig geregeld werk zou krijgen.

De abdij bestond uit een groote menigte houten en steenen gebouwen,

alle om een kerk geschaard, het geheel door een gracht en een muur

omgeven. De landerijen, die er toe behoorden, strekten zich naar alle

zijden zeer ver uit; tal van knechts waren er aan den arbeid. Ook

Alewijn verwachtte, dat hij weldra op het veld aan het werk gezet

zou worden.

Dit viel echter mee. Men droeg hem vooreerst nog niets bepaalds

op. Zoo nu en dan moest hij Diedaart, den verzorger der hoenders,

behulpzaam zijn.

Diedaart, een kort, vlug kereltje, verbeeldde zich heel wat te wezen,

zeker, omdat hij in rang boven den haan stond, die al een groot

gezag over zijn omgeving had. Alewijn kreeg het heel gemakkelijk;

zwaren arbeid behoefde hij niet te verrichten. Al het werk bepaalde

zich tot het doen van boodschappen, terwijl hij den overigen tijd bij

Diedaart op een bank mocht zitten, om naar diens verhalen te luisteren.

Zoolang men Diedaart niet in het vaarwater kwam, was hij de beste man

van de wereld, maar men moest dan ook alles goedvinden en prijzen,

wat hij deed. Bovendien wilde hij niet graag op de vingers gezien

worden. Alewijn, die dikwijls op de abdij was geweest om eieren

te verkoopen, kende den pluimverzorger heel goed, en, daar hij een

bescheiden jongen was, bestond er alle reden om te verwachten, dat

hij het met zijn kort meestertje best zou kunnen vinden.

De eerste dagen ging het ook heel goed; Diedaart was zeer met den knaap

ingenomen; zelfs begon Alewijn zich reeds in zijn lot te schikken,

toen er iets voorviel, dat een geheele verandering in zijn leven

veroorzaakte.

Op een morgen riep Diedaart den jongen bij zich.

"Komaan, kereltje"--de man was wel een hoofd kleiner dan Alewijn--"pluk

jij me dat kipje even. 't Is voor den abt bestemd. Een vet beestje,

he? Nu, wat zeg je er van?"

Alewijn wist er niets anders van te zeggen, dan dat ook hij een en

al bewondering was over de vetheid van het hoen.

"Ja, daar heb ik goed den slag van. Ze mogen zeggen, wat ze willen,

maar sedert Diedaart voor de hoenders zorgt, gaat het er in het

kippenhok veel beter uitzien. Weet je, wat de zaak is? Ik ken zoo

de rechte manier, hoe de beestjes gevoederd moeten worden. Daar komt

het op aan. Je moet weten, wat een dier toekomt. De meesten hebben er

heelemaal geen verstand van. Dat voedert de kippen alleen, enkel en

alleen met gerst! Denk eens aan, alleen met gerst. Zou jij je maal

graag alleen met brood doen? Ik niet. Ik heb er liefst wat drinken

bij. Zoo gaat het een hoentje ook. Kijk, ik meng het voeder altijd

met een flinken scheut bier aan. Nu mogen ze er over klagen, dat ik

zooveel bier gebruik, daar lach ik wat om. Mijn beestjes worden dik

en vet, de abt is tevreden, wat wil je nog meer.

"Zie je die witte daar? Die heeft de kou te pakken gekregen, maar nu

zal ik je toch eens laten zien, hoe gauw ik ze weet op te knappen. Als

je straks de kip geplukt hebt, wil je zeker wel even voor me de

poort uitgaan?"

Zoo babbelde de man door, nog drukker dan zijn gevleugeld volkje,

dat al maar klokkend en kakelend en pikkend door elkander liep.

"Ja, ja, de abt heeft een heelen steun aan mij, al zeg ik het zelf."

Intusschen zat Alewijn ijverig te plukken, een werkje, dat hij meer

gedaan had en dat hem dus nog al vlug van de hand ging. En toen hij

klaar was, droeg Diedaart hem op, even naar buiten te gaan en wat

schors van een esch te halen.

"Wel, mijn jongen, je kijkt daar vreemd van op. Je denkt zeker:

"Wat wil hij daar nu mee uitvoeren?" Ik zal je dat zeggen. Als de

kippetjes verkouden zijn, is er geen beter geneesmiddel te bedenken

dan aftreksel van esschenschors; wat ze ook hebben verkoudheid, pip,

of zinking, je geneest ze er dadelijk mee. Nog sterker, laatst had ik

een kip, die al te gulzig was geweest en een grooten kikker ineens

had willen doorslikken. 't Beest zou stikken; ik geloofde vast, dat

het er nooit meer van kon opkomen. 't Ware jammer genoeg geweest,

want het dier begon juist zoo mooi vet te worden. Maar komaan dacht

ik, we kunnen altijd nog eens iets probeeren. Wat doe ik? Ik trek de

kip den bek open. Kijk, zoo!"

De man nam een hoentje op, dat natuurlijk geweldig tegenspartelde en

sperde het den bek wijd open.

"Ik trok het den kikker uit de keel. Maar nog bleef het dier voor dood

liggen. Nu goot ik het voorzichtig wat aftreksel van esschenschors in

den bek; dat had ik toen juist bij de hand, omdat er zooveel hoenders

verkouden waren en wat zag ik? Een klein poosje later liep de zieke

even gezond en monter rond, alsof er niets gebeurd was, ja, het leek

me toe, of het nog nooit zoo tierig was geweest.

"Ha, je bent klaar, zie ik. Wacht, laat het even aan den kok zien,

met de complimenten van mij, en vraag, of het niet een heerlijk

beestje is. En zeg dan meteen, dat het bier op is."

Alewijn vertrok en kwam na eenig zoeken in de keuken, waar een dikke

monnik ijverig bezig was. "Zoo kereltje, wat moet jij hier? O, kom

je van Diedaart? Dat is goed."

"Diedaart vraagt, of hij niet wat bier kan krijgen."

"Wat zeg je? Bier? Bier, mijn beste jongen? En gisteren heeft hij

nog een heele kruik gehad. Wat doet hij er toch mee?"

Alewijn antwoordde, dat bier zoo goed voor de kippen scheen te zijn.

"Zoo. Nu, ik kan niet anders zeggen, of dit is een mooi kluifje. Wel

wel, komt het van het bier? Neem die kruik dan maar mee, als je maar

oppast, dat je er niet van snoept, want dan kon je wel eens even vet

worden als de kippen en dat zou je dadelijk verraden."

Alewijn bracht dus de kruik bier naar den pluimverzorger, die het

weltevreden aannam en hem nu opdroeg, wat esschenschors te halen. De

jongen talmde niet en ging dadelijk heen; onderweg bedacht hij echter,

dat een mes hem goed te pas zou komen. Daarom keerde hij nog eventjes

terug. Maar wat zag hij daar, toen hij het hoenderhok binnentrad? Iets,

dat hem ten hoogste verwonderde, maar waardoor hem tevens een licht

opging. Nu begreep hij, waarom Diedaart elken dag een kruik bier

noodig had.

Op hetzelfde oogenblik toch, dat Alewijn binnen kwam, nam de goede

man de laatste teug uit de kruik. Het spreekt vanzelf, dat hij heel

raar op zijn neus keek, toen hij zich zoo verrast zag en in het eerste

oogenblik niet wist, wat hij zeggen moest. Spoedig echter herstelde

de snoepachtige hoenderverzorger zich en poogde hij zijn toestand

te verklaren door te zeggen: "Ja, zie je, ik proef het bier altijd

eerst zelf, vóór ik het den hoenders geef. Je weet nooit, wat bocht

men je in de handen duwt."

Nu moest Alewijn toch hartelijk lachen, want pas had Diedaart dit

gezegd, of hem viel de kruik uit de handen, en nu bleek, dat er geen

druppel meer in was. De eerlijke pluimverzorger was bezig geweest,

niet de hoenders, maar zich zelf vet te maken, en, dit moet men zeggen,

hij deed het niet ten halve. Zijn buikje begon den laatsten tijd dan

ook al aardig rond te worden.

Diedaart was eerst verlegen geweest, toen hij zich betrapt zag. Toen

hij echter meende op te merken, dat Alewijn hem uitlachte, werd hij

boos. Hij beroemde zich altijd op zijn trouw en eerlijkheid, en het

beviel hem dus in het geheel niet, dat iemand zijn snoeplust had

ontdekt. Het ernstige van het geval was, dat de onschuldige Alewijn

hiervoor moest boeten.

"Zeg eens, wat moet je hier? Maak, dat je weg komt en doe, wat ik

gezegd heb," klonk het kortaf.

Alewijn keek zeer vreemd op van den onvriendelijken toon, daar hij

juist het tegendeel verwacht had. Hij antwoordde: "Ik had nog vergeten,

een mes mee te nemen."

"Had daar dan maar dadelijk om gedacht. Kom, waar wacht je nog op?"

"Ik moet toch een mes hebben."

"En hoefde je daarvoor nu terug te komen? Had je onderweg aan een

van de lui niet een mes te leen kunnen vragen? Vooruit, neem mee en

ruk uit. Laat ik je vooreerst niet weer zien."

Alewijn deed, wat hem bevolen was, en Diedaart bleef alleen, in

een zeer ontevreden stemming. Wat was hij boos! Geen wonder! Langen

tijd had hij ongestoord kunnen genieten van het bier, dat voor zijn

kippetjes bestemd was; altijd had ieder hem voor een eerlijk man

gehouden, en nu was hij opeens betrapt door zoo'n kwajongen. Hij

vreesde, dat Alewijn het vertellen zou, maar nog meer was hij er

woedend om, dat hij het bierdrinken voortaan zou moeten laten. Een

oogenblik dacht hij er aan, den buit met Alewijn te deelen, maar

even spoedig verwierp hij dit plan weer. Neen, hij moest iets beters

bedenken. En ten laatste besloot hij een middel te verzinnen, om den

jongen kwijt te raken.

Dit middel deed zich eerder voor, dan hij verwacht had. Want, toen

Diedaart den volgenden dag den abt ontmoette, hield deze hem staande

en sprak: "Wel, goede Diedaart, je hebt mij daar gisteren een lekker

kluifje bezorgd."

Diedaarts gezicht glom van voldoening toen hij zoo geprezen werd.

"O ja," vervolgde de abt, "dat moest ik je nog eens vragen, hoe gaat

het met dien jongen, och, hoe heet hij ook weer?"

"Alewijn, bedoelt u?"

"Juist, Alewijn."

Plotseling kreeg de pluimverzorger een plan in zijn hoofd. Daar had

hij een gemakkelijk middel, om zich den lastigen jongen van den hals

te schuiven. Hij trok een paar rimpels in zijn voorhoofd en zette

een bedenkelijk gezicht.

"Wat zal ik u zeggen? 't Gaat nog al, maar ik geloof niet, dat een

gemakkelijk leven, zooals hij bij me heeft, goed voor hem is."

"Wat lui misschien?"

"Lui, lui? Ik weet dat nog zoo niet, maar ik vertrouw wel, dat het

beter voor hem zou zijn, als hij flink aan het werk gezet werd. Ook

lijkt hij mij nogal weerspannig toe."

De abt was een goed man, maar hij hield van strenge

tucht. Weerspannigheid werd door hem altijd zwaar gestraft. Daar

kwam in dit geval bij, dat hij van Diedaart, die zijn tafel zoo goed

verzorgde, nog al hield en er niet aan dacht, hem te wantrouwen.

Hij zette dus bij dit ongunstige oordeel over den armen Alewijn een

zeer ernstig gezicht, en sprak: "He, dat had ik niet achter den jongen

gezocht. Het leek mij eerst een bedaarde, bescheiden knaap toe. We

moeten hem dan maar flink aanpakken. Weet je wat, ik zal hem eens

bij me laten komen."

Dit was het juist, wat Diedaart graag wilde hebben, want hij vermoedde

wel, dat Alewijn zich zou pogen te verdedigen en dat hij hierdoor juist

een verkeerden indruk op den abt moest maken. En zoo gebeurde ook. De

jongen voelde zich niet weinig beklemd, toen hij bij den deftigen

man in de spreekkamer moest komen, en hier werd zijn verlegenheid

nog grooter.

"Wat hoor ik van je, vrind, je bent niet heel vlijtig, he? Dat valt

me niet mee".

"Wat?" vroeg Alewijn ten hoogste verwonderd en niet minder

verontwaardigd, want hij had nog niet geleerd, onderdanig te wezen,

"wie zegt dat?"

"Je toon is tamelijk brutaal. Wie het zegt? Dat behoef ik je gelukkig

niet te verzwijgen. Diedaart de pluimverzorger heeft zich ernstig

over je te beklagen."

"Och, wat verbeeldt hij zich wel? Laat hij liever naar zich zelf

kijken."

"Hoor eens, eerst wou ik het niet gelooven, maar nu zie ik het toch

zelf, dat je brutaal bent en weerspannig bovendien. Neen, neen, je

behoeft mij niets meer te vertellen. Ik ken zulke praatjes. Maar ik

wil je eens voor al zeggen, dat de toon, dien jij aanslaat, volstrekt

niet past. Foei, Diedaart is een ernstig en degelijk man. Hoor eens,

mijn jongen, je bent nog jong en daarom zal ik je genadig behandelen,

maar laat het voor altijd een goede les zijn. In 't vervolg behoef

je niet meer in het hoenderhok te komen; ik zal je op den akker aan

het werk zetten. Hoor ik na verloop van tijd goeds van je, nu, dan

zullen we nog eens zien, maar anders, pas op!"

Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw · 第 5 / 38 题