III.

In de zaal ruischte het licht, zooals in zee

de middag ruischt. Een hemelvaart van licht

steeg op naar boven en maakte een wolk

onder het glazen dak, en menschen kwamen

tusschen het groen en het hangende rood--

een zwerm gezichten in het gele licht.

En Willem duizelde: hij kwam ter leering.

Zooals aan de zee gele bloemen groeien,

zooals over zee zwarte wolken zijn,

zooals op zee de straten van de golven

toonen haar zwart en rood en groen gelaat

's morgens als de zon schijnt,--en elke gevel

eener golf toont zich anders parelmoer.--

Zoo was de zaal, ze bruischte op hem in.

En zooals de drommen der zware winden

al trommelend over zee uit den afgrond

des winterhorizons op komen zetten,

in 't laat najaar, wanneer de zon zich stort

vroolijk op zee, zoo kwamen drommen mannen

zacht-luidruchtig pratend en schuifelend

de zaal binnen, diep zooals een afgrond,

en leken met gelaten gouden droom.

Een gouden droom in blauwe werklijkheid.

Er is wel een stil plaatsje tusschen rotsen

aan zee, waar stil de zee in sluipt, het kindje

der groote golf, komende aan haar hand,

komt daar alleen, en stort zijn helder water

op 't gele kiezelzand wat daar stil ligt.

Zoo was de ziel van Willem, hij zat stil

zooals een bloem diep in de zaal gezonken,

en hoorde voor zijn oor geweldige zee,

en ving ze in zijn hart parelend op.

Het was een groot rumoer van gaan en komen,

de arbeiders vulden geheel de zaal.

En de zaal zette zich, en was een wolk--

in 't dikke blauw schemerden stil de hoofden hoofden--

en allen werden, allen keken stil

naar waar vijf hoofden als vijf sterren blonken.

En een stond op, Willem kende hem wel,

zijn hart ging open want hij had hem lief

zooals een vriend een kameraad bemint.

En 't was Willem toen hij tegen de zaal

begon te spreke', of hij sprak tot zijn hart.

"Wanneer de mannen van een ieder vak

zich zamelen zooals een golf zich zamelt

op zee, zooals men ziet een zwarte wolk

zich samenballen, dan komt er een kracht

tusschen de arbeiders van dat enkel vak".

Zwaar waren de woorden.

"Als een enkel vak

over de aarde zich kon samenpakken

zooals een wolk of zooals de lawine,

dan zou de rijke patroon nedervallen

zwak, en de arbeid vond zijn zonneweg

naar beneden, diep in het zonnig dal,

waar het geluk en zoete vrede woont".

Willem luisterde en zag de landouwen

hoog in de blauwte van de diepe zaal,

boven des sprekers zacht goud-gele hoofd.

De heele zaal leek als een blauwe zee

op te zwellen naar den spreker, en die

leek neer te komen met zijn zonnig hoofd.

En Willem zag alleen dat hoofd, zoo gouden,

zweven en spreken, als een sprekend hoofd,

dat geen lijf meer had maar alleen een stem.

"Als de vakarbeiders van heel een land

zich konden vereenen tot blijvende hulp

aan elkander, zooals op zee de golven,

die ook niet apart zijn maar saam de zee,

dan maakten zij een kracht, zooals de krachten

van elk arbeider apart, en te zamen

alle aparte krachten. Maar veel meer

nog. Want er ware' in hen één Wil".

De wil vertoonde zich. Hij was het zonlicht

buiten, men zag hem stijgen als de zon,

in vierkante stralen door alle vensters.

De aarde was er vol van.

"Als de vakarbeiders

aller landen zich konden

samenvoegen, dan kwam de stille zon

der Vrijheid, o gewis. O twijfelt niet.

Mannen, de Zon schijnt. Gij zijt zelf de Zon."

Zooals een vol bed blauwe violieren

zoo hief de zaal zich, en er was een donder

van rumoer door de donkre vergadring.

En Willems hart werd klaar zooals een parel,

en hij voelde zich daar tusschen geworpen,

tusschen zijn kameraden, zoo zooals

een niets-waardige, maar die door de andren

eerst een waardige wordt en zuiver klaar.

"En als de arbeiders van ééne natie

zich stortten in den politieken strijd

om de staatsmacht, zij vielen den staat aan

en als alle arbeiders aller naties

dit deden en zich stortten op het land

van den staat, zooals nu de zeegolven

aller oceanen bruischen op het land--

dan werden de arbeiders zelf het land,

het vaste rustig land der eeuwigheid,

en Vrijheid zou met de arbeiders wonen,

en alle menschen waren eeuwig vrij."

Het leek wel of de reednaar werd zijn stem,

zijn stem van goud, en dat goud weer de Vrijheid.

De Vrijheid steeg op en verdoofde alles

rondom Willems ooren. Er werd gesproken

nog aldoor veel, hij hoorde het niet meer.

Hij zag in het ovalen duister de

Vrijheid gaan, haar smijdig goud figuurtje.

Hij zag de drommen van zijn kameraden

donker blauwgroen, en haar tusschen hen komen

met haar gouden lach over al haar leden.

En zooals een die aan de donkre zee

zit, en de vioolkleurige heft haar stem,--

voor hem niet, maar lijkt slechts voor zich te ruischen.

Hij kijkt slechts naar de zon, hoe goud die is,

en goud heengaat en trekt, zoo was ook hij.

Hij zag alleen nog maar de gouden Vrijheid,

en begreep, en luisterde hoe zij ging.

En toen de vergadring uit was en in

een wolk zich oploste, toen ging hij heen.

Veranderd. Zijn hart had weer iets anders

gekregen en verloren, 't Voelde nieuw aan.

En in zijn voeten liep reeds half de Vrijheid.

Een klein heldendicht · 第 12 / 19 题