I.

Een jonge arbeider kwam daar in het licht.

Hij wist niet wat te doen, want voor het eerst

moest hij meedoen aan een staking--of niet.

Hij was onzeker, voelde zich onzeker,--zooals

een schip dat aan het strand der zee,

slingrend met beide kanten water schept.

Hij was teer en zwart, want zijn moeder had

hem opgeleid in 't katholiek geloof,

en hem hield vast die rijke en roode godsdienst.

Maar hij was knap en vast, en de kameraden

hadde' hem geopenbaard den klassestrijd,

die alle krachten vraagt van d' wordende

Man.--Zoo ging hij nu door lichten dag.

Wat zou hij doen, met hen meegaan of niet?

De blos maakte zijn zwarte wang vuurrood.

Zooals een jonge stier, die op de velden

komt uit den stal, in 't voorjaar, duizelig

in 't licht komt, en niet weet of her of der,

en dan maar loopt rechtuit, op ééne lijn,

't is ongewis nog in zijn vaste hoofd,

zoo ging hij, die jonge arbeider, dwars in

het licht, het zilvrig-witte dageslicht.

En twee gedachten joegen zich aan hem op,

als uit de werklijkheid het groot droombeeld

gevormd wordt, als een wind die schuim of stof

opjaagt van zee of van een landweg. Eén

was dit: het zoete en zachte en tevree bestaan

van slaaf....

....--En de andre was één beeld

van opgaanden strijd. 't Leek een berg die hoog

ging....

Zoo ging hij op de vlakte, en wist niet

wat hij doen zou. En nu eens doopte hij in

links, dan weer rechts, in de gedachtafgronden,

zooals een man die in een zwaar probleem,

het vinden van een werktuig of geheim

der natuur, denkt: wat zal ik doen, zal ik

dien weg gaan? en diep in de zaak zelf peinst.

En even onzeker ging hij terug,

zooals een schip dat na zijn eerste reis

terug komt in zijn dok, om daar hersteld

te worden. Hij ging door het dampend licht

maar zag het niet, zag slechts die groote vraag:

moet ik of moet ik niet? En heel de wereld

leek vol hem van die vraag.

Zoo ging hij 'n beetje wanklend naar zijn huis,

zijn ooren waren vol, zijn slapen zwollen,

omdat die vraag, uit de wereld gehoord,

hem 't hart trof en het bloed hem naar de slapen.

En hij dacht: 'k moet het doen: het kan niet anders;

Zooals in Februari of in Maart

de wolken vliegen lachend langs den hemel,

wit-blauw gevlekt, en de heele natuur,

de bergen, de velden en alle boomen

voelen: het moet, het moet,--zoo voelde hij

toen hij daar langzaam naar zijn woning liep.

Maar toch bleef nog een twijfling aan zijn hart,

zooals het zilte schuim dat aan de zee ligt.

En van zijn oogen viel een zachte straal.

Hij was nog zeer jong, hij was nog een jongen.

's Nachts droomde hij een gouden, gouden droom.

Het was hem of hij in een gouden streek

was gekomen, en of hij gouden menschen

zag, die naakt gingen door een verguld licht.

Zilveren stroomen waren er en heuvels

van goud, en daarin zag hij die zonmenschen.

Hij kon er maar niet genoeg heen kijken.

Hij zag niet veel, het was ook niet zoozeer

wat hij zag, hoewel 't was echt gouden licht

als de zon, als een gloeiende bakkersoven.

Maar 't was dat heerlijke gevoel wat door

hem zelf heenstroomde als hij er naar keek,

daarom was het zoo heerlijk in dien droom.

Terwijl hij er naar keek, stroomde het door

zijn rug, zilvren stroomen nieuwe gedachten.

Wijl hij er naar keek, werd hij een ander mensch,

heel, heel anders. Wat was het toch dat in

hem kwam? zoo, zoo had hij toch nooit gevoeld.

En hij trachtte het midden in zijn droom

te begrijpen, zooals een droomer denkt,

ook weer droomend, maar toch begrijpend en

droomende over zijn droom nadenkende.

En hij keek aldoor maar weer; want hij voelde,

dat het vandaar moest komen, het begrip

van d' heerlijkheid, als de heerlijkheid zelf.

En hij keek steeds in dat ronde gewelf,

een ovaal-breed gewelf met vlakken grond,

vol gouden gloed en met gouden menschen,

heel klein, maar heel gelukkig, en goudnaakt.

En van uit die beelden, van uit hun haren,

als 't ware van hen af en naar hem toe,

stroomde aldoor in hem dat nieuw gevoel.

En zoozeer stroomde het uit hen naar hem toe,

dat 't leek hij werd zooals die menschen zelf.

En toen op-eens, werd hij door 't kijken kalm,

en toen begreep hij 't--wat hij voelde was

wat die kleine en gouden menschen _hadden_.

Er was iets in hen wat hij, hij, niet had,

maar door hen te zien zag hij dat zij 't hadden.

En zooals alleen zien, iets aan den ziener

geeft van het geziene, zoo voelde hij

dat van hen in zich,--maar als een gemis.

En toen keek hij nog eens zeer kalm en goed,

met de uiterste spanning van al zijn oogen

trachtend te grijpen. En toen voelde hij

't klaar komen door zich: Dat Nieuwe was Vrijheid.

Dat wat hij voelde was wat hij zoo hoopte

maar niet had, die oven dat was de Toekomst,

en die menschen dat waren Vrije menschen.

En dien Maandag-morgen, toen stond hij op,

en met zijn zwarte en jongzacht gezicht,--hij

als een vaste en jong-zwarte stier--

als een bloem naar zijne kameraden,

en zij dat hij mee zou doen.--

Een klein heldendicht · 第 10 / 19 题