Den volgenden dag nam de jongen de gelegenheid waar in een rustuur,
toen Akka op een kleinen afstand van de andere wilde ganzen liep
te grazen, om haar te vragen, of het waar was, wat Bataki hem had
verteld. En Akka had het niet kunnen ontkennen. Toen liet de jongen
de leidstergans beloven, dat zij het geheim niet aan Maarten zou
vertellen. Want de groote witte was zoo dapper en edelmoedig, dat de
jongen bang was, dat hij een of ander ongeluk zou begaan, als hij de
voorwaarden van den kabouter hoorde.
En sinds dien dag zat de jongen stil en verdrietig op den ganzenrug,
liet het hoofd hangen, en had geen lust om rond te kijken. Hij hoorde
de ganzen de namen van allerlei plaatsen uitroepen, maar hij had geen
lust dat alles te zien.
"Ik zal mijn heele leven wel met de wilde ganzen moeten rondvliegen,
en dan kan ik nog meer van dit land zien dan mij lief is," dacht hij.
Hij werd niet minder moedeloos, toen hij de ganzen hoorde roepen,
dat ze nu in Wermeland waren gekomen, en dat de rivier die ze nu naar
't Zuiden volgden, de Klarelf was.
"Ik heb al zooveel rivieren gezien in mijn leven," dacht hij. "Ik
behoef niet eens de moeite te nemen om naar deze te kijken."
De wilde ganzen volgden de Klarelf tot de groote fabriek bij
Munkfors. Toen sloegen ze af naar 't westen naar Fryksdalen. Eer ze
nog aan het meer Fryken gekomen waren, begon het donker te worden,
en ze streken neer in een ondiep moeras in een hoogliggend bosch.
't Moeras was wel een goed nachtkwartier voor wilde ganzen, maar de
jongen vond, dat het er guur en akelig was, en hij wilde graag een
betere slaapplaats hebben. Terwijl hij nog boven in de lucht was,
had hij gezien, dat er eenige hoeven beneden bij de hoogte lagen,
en hij ging gauw op weg om die te zoeken.
't Was verder dan hij dacht, en hij kwam meer dan eens in de verzoeking
weer terug te keeren. Maar eindelijk werd het bosch dunner om hem heen,
en hij kwam aan een weg, die op den zoom van het bosch aanliep. Van
den weg af liep een mooie berkenlaan naar een hoeve, en hij ging daar
dadelijk op af.
De jongen kwam eerst op een achterplaats, groot als een stadsmarkt,
en met lange roode gebouwen omringd. Toen hij die overgeloopen was,
zag hij een andere plaats, waar het woonhuis lag met een zandpad en een
groot plein er voor, een vleugel aan beide zijden uitgebouwd, en een
lommerrijken tuin er achter. 't Hoofdgebouw was klein en onaanzienlijk,
maar 't plein was omgeven met een rij hemelhooge sorbeboomen, die zóó
dicht opeen stonden, dat ze een heelen muur vormden, en de jongen vond,
dat het was, alsof hij in een prachtige hoog gewelfde kamer kwam. De
hemel rustte mooi, bleekblauw op de boomtoppen, de sorbeboomen waren
geel met groote roode trossen, de grasvelden waren nog wel groen,
maar 't was dien avond lichte stralende maneschijn, en die viel met
zooveel glans over 't gras, dat het wit scheen als zilver.
Geen mensch was er te zien, zoodat de jongen vrij kon rondloopen,
waar hij wou, en toen hij in den tuin kwam, merkte hij iets op, dat
hem bijna in zijn humeur bracht. Hij was in een kleinen sorbeboom
geklommen om van de bessen te eten, maar eer hij nog een tros had
bereikt, zag hij een vogelkers, die ook vol bessen zat. Hij gleed
vlug uit den stam van den sorbeboom en klauterde in de vogelkers,
maar pas was hij daar, toen hij een aalbessestruik ontdekte, waaraan
nog lange roode trossen hingen. En nu zag hij, dat de heele tuin vol
kruisbessen, en frambozen, en rozebottels zat. Er waren kool, wortels
en rapen op de groentebedden, bessen aan alle struiken, zaden aan de
planten en 't gras zat vol kleine aren met korrels gevuld. En daar
op het pad--hij had het zeker mis,--maar jawel! daar lag een mooie
groote appel, en glom in den maneschijn.
De jongen ging op het gras zitten met dien grooten appel voor zich
en begon er kleine stukjes uit te snijden met zijn mes.
"'t Zou toch niet zoo erg zijn je heele leven een dwergje te zijn, als
er dikwijls zoo gemakkelijk eten te vinden was als hier," dacht hij.
Hij zat te peinzen onder 't eten, en eindelijk dacht hij, of 't niet
goed zou zijn, als hij bleef, waar hij nu was, en de wilde ganzen naar
't zuiden liet trekken zonder hem.
"Ik weet niet, hoe ik Maarten den ganzerik aan 't verstand zal brengen,
dat ik niet naar huis kan gaan," dacht hij. "'t Is beter, dat ik
me heelemaal van hem losmaak. Ik zou me een wintervoorraad kunnen
verzamelen, zooals de eekhoorns doen, en als ik in een donker hoekje in
den stal of in de schuur woonde, zou ik niet dood hoeven te vriezen."
Juist toen hij daaraan dacht, hoorde hij een licht suizen boven
zijn hoofd, en een oogenblik later stond er iets, dat op een klein
kort berkestompje leek, naast hem op den grond. 't Stompje wrong en
draaide zich heen en weer, en twee lichte punten bovenin gloeiden als
vuurkolen. 't Leek echte hekserij, maar de jongen merkte dadelijk, dat
het stompje een krommen bek en groote veeren kransen om de gloeiende
oogen had, en toen werd hij kalm.
"Dat is heel prettig om een levend wezen te ontmoeten," zei
hij. "Misschien wilt u me wel zeggen, hoe deze hoeve heet, Mevrouw
Katuil, en wat hier voor menschen wonen."
De katuil had dien heelen avond, zooals gewoonlijk in den herfst,
op een treê van de groote ladder gezeten, die tegen het dak stond,
en naar beneden gekeken op de paden en de grasvelden, om op ratten
te loeren. Maar tot zijn verwondering vertoonde zich geen enkel
grauwvelletje. In plaats daarvan zag hij iets, dat op een mensch leek,
maar veel kleiner was, zich in den tuin bewegen.
"Hier heb ik hem dan, die de ratten wegjaagt," dacht de katuil. "Wat
ter wereld kan dat toch zijn."
"'t Is geen eekhoorn, en geen jonge kat, en geen wezel," dacht zij
verder. "Ik meende, dat een vogel als ik, die zoolang op een oude
hoeve heeft gewoond, wel zoowat wist, wat er alzoo in de wereld
was. Maar dit gaat mijn verstand te boven."
Hij had zitten staren naar dat onbegrijpelijke, dat zich op 't pad
bewoog, tot zijn oogen gloeiden. Eindelijk kreeg de nieuwsgierigheid
de overhand, zoodat hij naar den grond gevlogen was om den vreemde
van dichtbij te bekijken.
Toen de jongen begon te spreken, boog de uil zich voorover om hem
te bekijken.
"Hij heeft geen klauwen en geen horens," dacht hij, "maar wie weet, of
hij geen gifttand, of nog gevaarlijker wapen heeft? Ik moet probeeren
er wat beter achter te komen, wat hij eigenlijk is, eer ik me aan
hem waag."
"Deze hoeve heet Mårbacka," [3] zei de uil, "en hier hebben vroeger
deftige menschen gewoond. Maar wat ben jijzelf voor een schepsel?"
"Ik denk er over om hierheen te verhuizen," zei de jongen, zonder op de
vraag van den uil te antwoorden. "Zou je denken, dat het lukken zou?"
"Och ja, nu is er niet zooveel meer aan deze hoeve, als vroeger. Maar
je kunt het hier toch best uithouden. 't Komt er maar op aan, waarvan
je denkt te kunnen leven. Ben je van plan op rattenjacht te gaan?"
"Goeie hemel, neen!" zei de jongen. "Er is meer kans, dat de ratten
mij opeten, dan dat ik ze kwaad zal doen."
"Het is toch niet mogelijk, dat hij zoo onschuldig is, als hij zegt,"
dacht de katuil. "Maar ik geloof toch, dat ik 't eens probeeren zal."
Hij vloog op, en 't volgend oogenblik had hij zijn klauwen in Niels
Holgerssons schouders geslagen, en pikte naar zijn oogen. De jongen
hield zijn eene hand voor de oogen, en probeerde met de andere zich
vrij te maken. Tegelijkertijd schreeuwde hij om hulp, zoo hard hij
kon. Hij voelde, dat hij in ernstig levensgevaar verkeerde, en zei
in zichzelf, dat het nu zeker met hem was gedaan.
Maar nu moet ik vertellen hoe wonderlijk het trof, dat er juist in dat
jaar, toen Niels Holgersson rondvloog met de wilde ganzen, een mensch
was, die er over liep te denken een boek over Zweden te schrijven,
dat geschikt zou wezen voor kinderen om op school te lezen. Ze had
er al over gedacht van Kerstmis tot den herfst toe. Maar ze had nog
geen regel geschreven, en eindelijk was ze van al dat denken zóó moe
geworden, dat ze tegen zichzelf zei: "Dat kun je niet! Ga zitten,
en schrijf sagen en verhalen, zooals je altijd doet, en laat een
ander dat boek schrijven, dat zoo leerzaam en ernstig moet zijn,
dat er geen onwaar woord in mag voorkomen."
't Was zoo goed als uitgemaakt, dat ze 't plan zou opgeven, maar
ze vond toch, dat het prettig zou zijn iets moois over Zweden
te schrijven, en ze had moeite dat werk aan anderen over te
laten. Eindelijk kwam ze op de gedachte, dat het misschien kwam,
doordat ze in een stad was en niets dan straten en huismuren om zich
heen had, dat ze niet aan 't schrijven kon komen. Als ze naar buiten
ging, waar ze bosschen en akkers kon zien, zou 't misschien beter gaan.
Ze was uit Wermeland, en het was duidelijk, dat ze 't boek beginnen
moest met die landstreek. En allereerst zou ze vertellen van de plaats,
waar ze was opgegroeid. 't Was een klein landgoed, dat ver van de
bewoonde wereld lag, en waar veel ouderwetsche zeden en gewoonten
bewaard gebleven waren. Ze had gedacht, dat het aardig zou wezen voor
de kinderen, om te hooren van de verschillende bezigheden, die 't heele
jaar door elkaar opvolgden. Ze wilde vertellen hoe ze Kerstfeest en
Nieuwjaar, en Paschen, en 't zomerfeest bij haar thuis hadden gevierd,
wat ze voor meubels en huisraad hadden, hoe 't er in de keuken en
provisiekamer, in schuren en stallen, in waschhuis en badkamer had
uitgezien. Maar als ze daarover wou schrijven, kon ze haar pen niet
voortkrijgen. Ze kon heelemaal niet begrijpen, hoe dat kwam, maar
't was zoo. Toch was 't wezenlijk waar, dat ze zich dat alles nog
even duidelijk herinnerde, alsof ze er nog midden in leefde. Maar
ze zei tegen zichzelf, dat nu ze toch naar buiten moest gaan, ze
misschien naar dat oude landgoed kon reizen, en alles nog eens zien,
eer ze erover schreef. Ze was er in jaren niet geweest, en ze vond
het wel prettig een reden te hebben er nog eens te komen. Eigenlijk
verlangde ze er altijd naar terug, waar ze ook was. Ze zag wel,
dat andere plaatsen mooier en beter waren, maar ze vond nergens die
veiligheid en gezelligheid, die ze in haar ouderlijk huis had genoten.
Intusschen was het niet zoo gemakkelijk voor haar om thuis te komen,
als je wel denken zou, want het landgoed was verkocht aan menschen,
die ze niet kende. Ze dacht wel, dat ze haar vriendelijk zouden
ontvangen, maar ze wilde niet in dat oude huis terugkomen om met
vreemde menschen te praten, maar om zich goed te kunnen herinneren,
hoe 't er vroeger was geweest. Daarom legde ze 't zoo aan, dat ze er
's avonds laat zou aankomen, als 't werk was afgeloopen, en de menschen
in huis zouden zijn.
Ze had nooit gedacht, dat het zoo wonderlijk zou zijn om thuis te
komen. Terwijl ze in den wagen zat, en naar haar oude huis reed, was
't alsof ze bij de minuut jonger werd, en al gauw was ze niet meer
een oud mensch met haar, dat al begon grijs te worden, maar een klein
meisje met korte rokken en een lange, vlasblonde vlecht. Terwijl ze
daar zat, en alle hoeven langs den weg herkende, kon ze zich niet
begrijpen, dat alles thuis niet meer was als vroeger. Vader en Moeder
en de broers en zusters zouden op de stoep staan om haar te ontvangen,
de oude huishoudster zou gauw naar 't keukenvenster loopen om te zien,
wie daar aan kwam rijden, en Nera, en Freja, met nog een paar honden,
zouden komen aandraven en tegen haar opspringen.
Hoe meer ze de hoeve naderde, hoe vroolijker ze werd. Nu was 't herfst,
en er kwam een drukke tijd met allerlei werk, maar 't was juist al dat
verschillende werk, dat maakte, dat het thuis nooit vervelend was of
eentonig. Ze had onderweg gezien, dat de menschen aan 't aardappels
rooien waren, en dat deden ze ook nu bij haar thuis, zoodat er nu
allereerst aardappelen geraapt moesten worden om aardappelmeel te
maken. 't Was een zachte herfst geweest. Ze dacht er juist over,
of alles al was afgeloopen in den tuin. De kool zou nog wel buiten
staan. En zou de hop al geplukt zijn en de appels geschud?
Dat kon wel, als ze het thuis niet te druk hadden. Want het liep
tegen de herfstmarkt. En tegen den markttijd moest het overal
schoon en netjes zijn. Dat was een feest, vooral in de oogen van de
dienstboden. 't Was ook op den avond voor den marktdag een lust om
in de keuken te komen, en den blank geschuurden, met groene takjes
bestrooiden vloer te zien, de frisch gewitte muren, en den glimmenden
koperen ketel aan den zolder.
En als de markt voorbij was, zou er niet lang rust zijn. Dan
begonnen ze met vlasbraken. 't Vlas had lang op een wei gelegen om
te rotten. Dan werd het in het oude badhuis gebracht, en de groote
badkachel werd aangelegd, opdat het zou drogen. En als het droog
genoeg was, werden op een dag alle vrouwen uit de buurt bij elkaar
geroepen. Ze gingen voor het badhuis zitten, en begonnen het vlas te
braken. Later sloegen ze het met dorschvlegels, om de fijne, witte
vezels uit de dorre stelen te halen. Onder het werk werden de vrouwen
grijs van 't stof. Haar kleeren en haren waren bedekt met afval van
't vlas, maar ze waren toch even vroolijk. Den heelen dag klapperden
de dorschvlegels, en het praten ging zóó best, dat als men bij 't
oude badhuis kwam, men een geluid hoorde, alsof een bruisende storm
daar huis hield.
Na 't werk met het vlas kwam het bakken van de knakbroodvoorraad,
het scheren van de schapen en de aankomst van nieuwe dienstmeisjes. In
November kwamen de drukke slachtdagen met het inzouten van vleesch en
't worst maken, het bakken van bloedbrood en 't maken van kaarsen. De
naaister moest ook zoowat tegen dien tijd komen, en 't waren een paar
gezellige weken, als alle menschen bij elkaar zaten om te naaien. De
schoenmaker, die schoenen voor de heele familie maakte, zat dan ook
in de knechtenkamer te werken, en 't was altijd even interessant om
te zien, hoe hij 't leer sneed, en nieuwe zolen en achterlappen op
de schoenen zette, en ringetjes in de vetergaten sloeg.
Maar de grootste drukte kwam toch tegen de Kerstmis op den Luciadag,
als de kamenier rondliep in het wit gekleed, met kaarsen in 't haar
en alle menschen op de koffie noodigde, tegen den volgenden morgen
vijf uur. Die kwam juist als een teeken, dat ze de eerste twee weken
niet op veel slaap moesten rekenen. Nu moesten ze kerstbier brouwen,
en visch in 't zuur zetten, en bezig zijn met het schoonmaken en
bakken voor Kerstmis.
Ze was druk aan 't bakken, met veel kerstkoeken en kleine broodjes
om zich heen, toen de koetsier de paarden inhield aan 't begin van
de laan, zooals ze hem had verzocht. Ze schrikte wakker als uit een
droom. 't Was akelig, op den laten avond alleen te zitten voor haar,
die zich zoo pas nog te midden van al de haren had gedroomd. Toen
ze uit den wagen stapte, en de laan door ging loopen, om ongemerkt
bij haar oude huis te komen, voelde zij 't verschil tusschen 't
verleden en het tegenwoordige zóó sterk, dat ze 't liefst had willen
omkeeren. "Wat geeft het, dat ik hier kom? Hier kan 't immers toch
niet zijn als in den ouden tijd," dacht ze.
Maar ze vond, dat nu ze zoover was gekomen, ze toch ook de plaats
moest zien, en ze bleef voortloopen, hoewel ze bij iederen stap
bedroefder werd.
Ze had hooren zeggen, dat de hoeve heel vervallen en veranderd was, en
dat was ze ook. Maar dat kon ze nu in den avond niet merken. Ze vond
eerder, dat alles er nog wel 't zelfde uitzag. Daar was de vijver,
die in haar jeugd vol visschen was, en waar niemand durfde hengelen,
omdat Vader wilde, dat men de visschen met rust zou laten. Daar was
de knechtenkamer en de schuur, en de stal met de etensbel boven den
eenen gevel, en den weerhaan boven den anderen. En het plein voor
het woonhuis was nog steeds als een ingesloten kamer zonder uitzicht,
zooals het in den tijd van haar vader was geweest, want hij had het
hart niet gehad ook maar een enkelen struik om te houwen.
Ze was in de schaduw gebleven onder den grooten esch bij de inrijlaan
naar 't huis, en ze stond rond te kijken. En terwijl ze daar nu stond
gebeurde het, dat een vlucht duiven aankwam en naast haar neerstreek.
Ze kon nauwlijks gelooven, dat het werkelijk vogels waren, want
duiven zijn immers nooit in beweging na zonsondergang. Het moest de
mooie maneschijn zijn, die ze had gewekt. Ze hadden gedacht, dat het
dag was, en waren uit de duiventil gevlogen, maar later waren ze in
de war gekomen, en hadden den weg niet kunnen vinden. Toen ze een
mensch zagen, waren ze naar haar toegevlogen, alsof zij hun den weg
moest wijzen.
Er waren een massa duiven op de hoeve geweest in den tijd van haar
ouders, want de duiven behoorden ook tot de dieren, die haar vader in
zijn bizondere bescherming had genomen. Als hij maar hoorde praten van
't slachten van een duif, raakte hij uit zijn humeur.
Ze vond het heel prettig, dat de mooie vogels haar in haar oud tehuis
te gemoet kwamen. Wie kon weten, of de duiven niet in den nacht
waren uitgevlogen, om haar te toonen, dat ze niet hadden vergeten,
dat ze hier eens een goed tehuis hadden gehad.
Of misschien was het Vader, die haar zijn vogels met een groet had
gezonden, opdat ze zich niet angstig en alleen zou voelen, als ze in
haar vroeger tehuis kwam.
Toen ze dat dacht, kwam er zoo'n sterk verlangen naar den ouden tijd
over haar, dat ze de tranen in de oogen kreeg. 't Was een goed leven,
dat ze hier hadden geleid op dit landgoed. Ze hadden werkweken gehad,
maar ook hun feesten; ze hadden overdag gezwoegd, maar tegen den avond
hadden ze om de lamp gezeten en de boeken van Tegner, Runeberg, Mevrouw
Lenngren en Bremer gelezen. Ze hadden koren verbouwd, maar ook rozen
en jasmijn; ze hadden vlas gesponnen, en volksliederen gezongen onder
't spinnen. Ze hadden op geschiedenis en spraakkunst geblokt, maar
ze hadden ook tooneelgespeeld en verzen geschreven, ze hadden voor
't fornuis gestaan en eten gekookt, maar ze hadden ook geleerd piano
en fluit, guitaar en viool te spelen. Ze hadden in den tuin kool en
rapen en erwten en boonen geplant, maar er was ook een andere tuin vol
appels en peren en allerlei bessen. Ze hadden afgezonderd geleefd,
maar juist daarom herinnerde zij zich zooveel sagen en verhalen. Ze
hadden eigengemaakte kleeren gedragen, maar ze hadden onbekommerd en
zorgeloos geleefd.
"Nergens in de wereld weten de menschen zoo'n goed leven te leiden,
als op zoo'n klein landgoed in mijn jeugd," dacht ze. "Daar was werk
en plezier in overvloed, en er was vreugde alle dagen. Ik zou heel
graag hier terugkomen. Nu ik de plaats heb weergezien, valt het me
zwaar van hier weg te gaan."
En toen wendde ze zich tot de duivenvlucht, en zei--terwijl ze om
zichzelf lachte:
"Wil jelui niet naar Vader gaan, en hem zeggen, dat ik zoo naar huis
verlang. Ik heb lang genoeg in den vreemde rondgezworven. Vraag hem
of hij 't niet zoo kan schikken, dat ik gauw weer in mijn ouderlijk
huis terugkomen kan."
Nauwelijks had ze dat gezegd, of de heele duivenvlucht vloog op
en weg. Ze probeerde hen met de oogen te volgen, maar ze verdwenen
dadelijk. 't Was alsof de heele lichte schare zich in de tintelende
lucht oploste.
De duiven waren nauwelijks weg, of ze hoorde een paar luide kreten
uit den tuin, en toen ze daar haastig heen ging, zag ze iets heel
vreemds. Daar stond een klein, klein dwergje, niet veel grooter, dan
een handbreed, en vocht met een katuil. Eerst was ze zóó verbaasd,
dat ze zich niet kon bewegen. Maar toen de dwerg steeds jammerlijker
schreeuwde, greep ze snel in, en scheidde de vechtenden van elkaar.
De uil vloog in een boom, maar de dwerg bleef staan op het zandpad,
zonder zich te verbergen of weg te loopen.
"Ik dank u wel voor uw hulp," zei hij. "Maar 't was heel dom, dat u
de uil liet vliegen. Nu kan ik niet van hier wegkomen, want nu zit
zij boven in den boom op me te loeren."
"Ja, dat was onattent van me, dat ik ze losliet; maar kan ik je nu
niet thuisbrengen?" vroeg ze.
Ze had veel sagen gedicht, en was niet weinig verwonderd, dat ze nu
onverwachts in gesprek met een van 't kleine volkje was geraakt. Maar
in den grond was ze toch niet zoo heel verrast. 't Was, alsof ze
aldoor had verwacht, dat ze iets bizonders zou beleven, terwijl ze
daar in den maneschijn buiten haar oude huis liep.
"Eigenlijk was ik van plan hier den heelen nacht op 't landgoed
te blijven," zei de dwerg. "Als u me maar een veilige slaapplaats
wilt wijzen, zou ik liever niet vóór 't aanbreken van den dag naar
't bosch terug willen."
"Moet ik je een slaapplaats wijzen? Ben je dan hier niet thuis?"
"Ik begrijp wel, dat u denkt, dat ik een van 't kleine volkje ben,"
zei nu de dwerg, "maar ik ben een mensch, zoo goed als u, al ben ik
in een kabouter veranderd."
"Dat is het wonderlijkste, wat ik ooit heb gehoord. Zou je me niet
willen vertellen, hoe 't je zoo slecht is gegaan?"
De jongen had er niets tegen zijn avonturen te vertellen, en terwijl
ze naar hem luisterde, werd ze steeds meer verbaasd,--verbaasd en
blij--al naar 't verhaal was.
"Neen, wat is dat een geluk, dat ik iemand ontmoette, die op den rug
van een gans over heel Zweden reisde," dacht ze. "Juist, wat hij me
vertelt, zal ik in mijn boek schrijven. Nu hoef ik daarover niet meer
bezorgd te zijn. 't Was maar goed, dat ik naar huis ging. Wat vreemd
toch, dat ik daar hulp voor kreeg, zoodra ik in mijn ouden tuin kwam."
Maar tegelijk kwam een gedachte in haar op, die ze haast niet uit
durfde denken. Ze had bericht gezonden aan haar Vader met de duiven,
dat ze naar huis verlangde, en dadelijk daarna had ze hulp gekregen
voor dat, waar ze al zoo lang over had gepeinsd...
Zou dat haar vaders antwoord zijn op wat ze gevraagd had?