Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden
hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof
aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de
akkers. 't Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging
een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere
dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.
"Dit land lijkt wel een blad," dacht de jongen. "Want het is zoo
groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier,
als de nerven over een blad."
't Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat
de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal
naar hem uitkeek.
Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de
boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug,
liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand,
hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de
koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande
een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen
en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de
dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.
Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de
meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De
dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en
zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier
van den rechten weg afweek. 't Allerlaatste kwam de boer en zijn
knecht. Ze liepen naast de kar, om te zorgen, dat die niet omviel,
want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.
De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op
denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit
jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen
en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch
intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in 't
bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van
de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen,
en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke
moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken
takken heen, en hoe 't dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen
stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen
namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.
Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in 't bosch,
waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de
koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk,
alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van 't groene,
sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water
en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste
huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de
veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om
een platten steen buiten, en begonnen te eten.
Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden
onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep
menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en
monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar 't eene uur na het andere
ging voorbij, zonder dat hij hem vond.
Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige
en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag
hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al
aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters
melkten de koeien.
"Zie daar eens heen," zei Gorgo. "Nu geloof ik, dat we hem hebben."
Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat
de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson
brandhout te hakken op de zomerweide.
Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.
"Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb," zei hij, en boog fier
den kop achteruit. "Nu moet je probeeren met den man te spreken. Ik
zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten."