Voor eenige jaren was er in de "Schans", den grooten tuin buiten
Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht,
een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van
Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere
oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar 't was 't meest 's middags,
dat hij als speelman moest optreden; 's morgens zat hij gewoonlijk
op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken
van het land naar de Schans waren overgebracht.
Klement meende in 't begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had
gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij
zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder 't wacht houden. 't Ging
nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms
zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk,
dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij
was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente
zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden,
hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.
Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en
was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden
loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den
rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans
kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen,
en Klement had hem vaak ontmoet.
De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur
van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg
hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.
"Je mag zien, wat ik heb, Klement," antwoordde de visscher toen, "als
je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan."
Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog
eens, en ging toen snel een stap achteruit.
"Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken
gekregen?" vroeg hij.
Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren
spreken van 't kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht
niet schreeuwen en niet stout zijn, om 't kleine volkje niet boos
te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die
verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den
duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van
Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van 't
kleine volkje.
Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een
rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn
merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de
zaak heel ernstig op.
"Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?" vroeg hij.
"Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken," zei
Asbjörn. "Hij is bij mij gekomen. Ik was vanmorgen vroeg uitgezeild, en
had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken,
toen ik een troep wilde ganzen in 't oog kreeg, die met vervaarlijk
geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar
trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden,
en viel in 't water, zóó dicht bij de boot, dat ik maar de hand had
uit te steken om hem te pakken."
"Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?"
"O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist
hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond
een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon
wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was."
Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles
wat hij als kind had gehoord van 't kleine volkje, van hun wraakzucht
tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam
weer bij hem boven. 't Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een
van hen gevangen had willen houden.
"Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn," zei hij.
"Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen," zei de
visscher. "Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan
mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen,
en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen,
maar 't heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels,
die geen schot kruit waard zijn, kwamen neerstrijken op de klippen
en bliezen; en als ik uitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik
weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten,
maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En
toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster,
stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten
zeker, dat hij daar in 't venster stond, want ze lieten me heengaan
zonder me te vervolgen."
"Zegt hij niets?" vroeg Klement.
"Ja, in 't begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest
ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht."
"Maar Asbjörn," zei Klement. "Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp
je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?"
"Ik weet niet, wat hij is," zei Asbjörn kalm. "Dat moeten anderen
maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg
me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem
zou willen geven."
Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst
geraakt ter wille van dat dwergje. 't Was hem precies, alsof zijn
moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor
't kleine volkje wezen moest.
"Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn," zei hij. "Maar
als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven."
Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die
groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje
een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was
er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem
had, en zoo'n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod
van Klement aan.
De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken,
liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen,
waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter
zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig
op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in
den mond.
"Luister nu naar wat ik zeg," zei Klement. "Ik weet wel, dat volkje
als jij 't niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever
op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik
van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den
tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan. Wil je dat,
knik dan drie keer met je hoofd."
Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde
zich niet.
"Je zult het goed hebben," zei Klement. "Ik zal elken dag eten
voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doen
zult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt
nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken
afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je
blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan."
Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar
hij bewoog zich niet.
"Ja, dan zit er niets anders op," zei Klement, "dan dat ik je aan mijn
baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje,
en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken."
Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had
hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.
"Zie zoo, nu is 't in orde," zei Klement, nam zijn mes, en sneed het
touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging
hij haastig naar de deur.
De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit
den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om
Klement Larsson te danken, was die al weg.
Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud
heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke
uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet
herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar
die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde,
want hij bleef staan, en sprak hem aan.
"Goeden dag Klement," zei hij. "Hoe gaat het? Je bent toch niet
ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben."
Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer,
dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met
zijn verlangen naar huis.
"Wat?" zei de oude heer. "Verlang je naar huis, als je in Stockholm
ben? Dat is toch niet mogelijk."
En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht
hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman
sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.
"Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist,
zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê,
naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen."
Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op
Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.
Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen,
hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waar nu de stad op
eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed
in 't water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met
dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En
hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar
kwam, er graag wilde blijven.
Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig
op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met
de hand, en de andere bleef op een afstand staan.
De deftige oude heer zei nu tegen Klement:
"Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer
met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm,
en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank
gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en
hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de
bekoring komen."
Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot,
rood boek en een brief aan Klement.
Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was
haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een
week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij
moest absoluut naar huis, zei hij.
"Waarom? Kun je hier niet wennen?" zei de directeur.
"Ja, ik heb het hier best," zei Klement. "Ik heb nu geen heimwee
meer. Maar ik moet toch naar huis!"
Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had
gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden
te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had
gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het
Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning
zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde
bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem,
een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn
heimwee te genezen.
't Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de
Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het
thuis te vertellen?
Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo
akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij
zou heel anders geacht en geëerd worden.
En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten
naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.