DONSJE.

Niemand kan liever en zachter wezen dan de kleine grauwe gans,

Donsje. Alle wilde ganzen hielden veel van haar, en de witte ganzerik

zou voor haar door het vuur gaan. Als Donsje ergens om vroeg, kon

zelfs Akka niet weigeren.

Donsje had twee zusters: Mooivleugel en Goudoogje. Dat waren sterke en

wijze vogels, maar ze hadden niet zoo'n zacht en glanzend veerenkleed

als Donsje, en ook niet zoo'n lief en zacht karakter. Al sinds den

tijd, dat ze kleine, gele jonge gansjes waren, hadden ook de ouders en

familieleden, ja, nu en dan ook de oude visschers duidelijk getoond,

dat ze meer van Donsje hielden, dan van hen, en daarom hadden de

zusters haar altijd gehaat.

Toen de wilde ganzen op de rots bij Stockholm aankwamen, waar Donsje's

familie woonde, liepen Mooivleugel en Goudoogje te grazen op een klein

groen plekje bij het strand, en kregen al gauw de vreemdelingen in

het oog.

"Kijk eens, zuster Goudoogje, wat komen daar prachtige, wilde ganzen

op het eiland neer, zei Mooivleugel. "Ik heb zelden vogels gezien met

zoo'n sierlijke houding. En zie je wel, dat ze een witten ganzerik

bij zich hebben? Heb je ooit een mooier vogel gezien? Je zoudt hem

bijna voor een zwaan houden."

Goudoogje gaf haar zuster gelijk, en meende, dat het zeker zeer

aanzienlijke vreemdelingen waren, die op het eiland waren gekomen. Maar

plotseling viel zij zichzelf in de rede, en riep: "Zuster Mooivleugel,

zuster Mooivleugel! Zie je niet, wie ze bij zich hebben?"

Op datzelfde oogenblik kreeg ook Mooivleugel Donsje in het oog, en was

zoo verbaasd, dat ze een heele poos met den snavel open bleef staan,

en niets kon dan sissen.

"'t Is toch niet mogelijk, dat zij het is," zei ze eindelijk. "Hoe

is ze bij zulk soort volk gekomen. We meenden immers, dat ze zou

doodhongeren op Öland."

"Het ergste is, dat ze bij Vader en Moeder zal gaan babbelen en

vertellen, dat wij zoo hard tegen haar aanvlogen, dat haar vleugel

uit het lid ging," zei Goudoogje. "Je zult zien, dat wij van de rotsen

hier worden weggejaagd."

"We hebben niets dan ergernis te verwachten, nu dat mismaakte wicht

terug gekomen is," zei Mooivleugel. "Maar ik denk toch, dat het

om te beginnen 't verstandigst is, dat we ons zoo blij toonen over

haar thuiskomst, als 't ons maar mogelijk is. Ze is zoo dom, dat ze

misschien niet eens gemerkt heeft, dat we haar met opzet duwden."

Terwijl Mooivleugel en Goudoogje zoo samen praatten, hadden de wilde

ganzen op het strand gestaan, en hun veeren in orde gemaakt na den

tocht. Nu trokken ze in een lange rij van het rotsige strand naar de

kloof, waar Donsje wist, dat haar ouders zich gewoonlijk ophielden.

Donsje's ouders hoorden tot de besten en aanzienlijksten onder de

ganzen. Zij hadden langer op het eiland gewoond dan een van de anderen,

en ze waren gewoon alle nieuwelingen te raden en te helpen. Ze hadden

ook de wilde ganzen zien aankomen, maar ze hadden Donsje niet herkend

in de menigte.

"Hoe vreemd, dat de wilde ganzen hier op de klippen landen," had de

oude ganzerik gezegd. "Wat een prachtige troep! Dat kun je al aan

het vliegen zien. Maar 't zal niet gemakkelijk zijn weiden voor zoo

velen te vinden."

"'t Is hier nog niet zoo overvol, dat we hen, die hier komen, niet

kunnen ontvangen," antwoordde zijn vrouw. Zij was even zacht en goed

van karakter als Donsje.

Toen Akka aankwam met haar optocht, gingen Donsje's ouders haar te

gemoet, en wilden haar juist welkom heeten op het eiland, toen Donsje

opvloog van haar plaats achter in de rij, en midden tusschen haar

ouders neerstreek.

"Vader, Moeder, hier ben ik! Kent u Donsje niet meer?" riep zij.

Eerst konden de ouden niet goed begrijpen, wat zij zagen, maar toen

herkenden zij hun dochter, en waren natuurlijk verbazend blij.

Terwijl nu de wilde ganzen en Maarten, de ganzerik, en Donsje zelf

zoo ijverig mogelijk kakelden om te vertellen, hoe Donsje gered was,

kwamen Mooivleugel en Goudoogje aanvliegen. Zij riepen al van verre

haar zuster welkom toe, en toonden zich zoo blij, dat Donsje thuis was,

dat ze er van aangedaan werd.

De wilde ganzen voelden zich goed thuis op de klippen, en er werd

besloten, dat ze niet verder zouden trekken voor den volgenden

morgen. Na een poosje vroegen de zusters Donsje, of ze met haar

meê wilden gaan, om te zien, waar ze van plan waren haar nesten

te bouwen. Zij ging dadelijk meê, en zag, dat ze goed verborgen en

beschutte broeiplaatsen hadden gekozen.

"En waar zul jij je nu vestigen, Donsje?" vroegen zij.

"Ik?" zei Donsje. "Ik ben niet van plan hier op de klippen te

blijven. Ik ga met de wilde ganzen meê naar Lapland."

"Hoe jammer, dat je weer weg moet," zeiden de zusters.

"Ik was graag bij jelui en onze ouders gebleven," zei Donsje. "Maar

ik heb den witten ganzerik al beloofd..."

"Wat!" riep Mooivleugel. "Krijg jij dien mooien, witten ganzerik? Dat

is toch..."

Maar Goudoogje stootte haar hard aan, en ze zweeg.

De twee slechte zusters hadden veel om over te praten dien heelen

morgen. Ze waren heelemaal buiten zichzelf, dat Donsje zoo'n verloofde

had, als de witte ganzerik. Zelf waren ze ook verloofd, maar dat

waren gewone grauwe ganzen, en sinds ze Maarten, den ganzerik, hadden

gezien, vonden ze die zoo leelijk en onbeschaafd, dat ze niet naar

hen wilden kijken.

"Daar treur ik me nog dood om," zei Goudoogje. "Als jij het ten minste

nog was, die hem kreeg, zuster Mooivleugel."

"Ik zou liever zien, dat hij dood was, dan dat ik er den heelen zomer

aan zal moeten denken, dat Donsje een witten ganzerik gekregen heeft,"

zei Mooivleugel.

De zusters bleven toch heel vriendelijk voor Donsje, en op den middag

nam Goudoogje Donsje meê, opdat ze kennis zou maken met hem, met wien

Goudoogje zou trouwen.

"Hij is niet zoo mooi als dien jij krijgt," zei ze. "Maar daarentegen

weet je ook zeker, wie hij is."

"Wat meen je, Goudoogje?" vroeg Donsje.

Eerst wilde Goudoogje niet uitleggen, wat ze bedoelde, maar toen

kwam het uit, dat Mooivleugel en zij wel eens zouden willen weten,

of alles wel in orde was met dien witten ganzerik. Wij hebben nog

nooit een wilde gans met tamme ganzen zien vliegen, en wij zouden

wel eens willen weten, of hij niet betooverd is."

"Jelui zijn toch al heel dom," zei Donsje geërgerd. "Hij is immers

een tamme gans."

"Hij heeft iemand bij zich, die betooverd is," zei Goudoogje, "en dus

kan het ook wel zijn, dat hij zelf betooverd is. Ben je niet bang,

dat hij een zwarte zeeraaf is?"

Ze wist haar woorden goed te kiezen, en maakte het arme Donsje bang.

"Je meent niet, wat je zegt," zei het grauwe gansje. "Je wilt me

alleen maar bang maken."

"Ik zeg het om je eigen bestwil, Donsje," zei Goudoogje. "Ik kan me

niets ergers voorstellen, dan je te zien wegvliegen met een zwarte

zeeraaf. Maar ik zal je wat zeggen. Probeer hem over te halen, een

paar van de wortels te eten, die ik hier heb uitgetrokken. Als hij

betooverd is, dan blijkt dat gauw. Is hij het niet, dan blijft hij

zooals hij is."

De jongen zat tusschen de ganzen, en luisterde naar Akka, die met

den ouden ganzenhoeder praatte, toen Donsje aan kwam vliegen.

"Duimelot, Duimelot!" riep ze. "Maarten, de ganzerik, is op 't punt

te sterven. Ik heb hem vermoord."

"Neem me op je rug, Donsje, en breng me bij hem," riep de jongen.

Ze vlogen weg, en Akka ging meê met de wilde ganzen.

Toen ze bij den ganzerik kwamen, lag hij op het veld. Hij kon niets

zeggen, maar snakte naar adem.

"Kittel hem onder aan den hals, en klop hem op den rug!" zei Akka.

Dat deed de jongen, en dadelijk hoestte de witte ganzerik een grooten

wortel op, die in zijn keel was blijven zitten.

"Heb je daarvan gegeten?" vroeg Akka, en wees op een paar wortels,

die op den grond lagen.

"Ja," zei de ganzerik.

"Dan is 't maar goed, dat ze je in de keel zijn blijven steken,"

zei Akka. "Ze zijn vergiftig. Als je ze had ingeslikt, zou je zeker

gestorven zijn."

"Donsje vroeg me, of ik er van eten wou," zei de ganzerik.

"Ik heb ze van mijn zuster gekregen," zei Donsje.

"Dan moet je oppassen voor je zusters, Donsje," zei Akka, "want ze

meenen het zeker niet goed met je."

Maar Donsje was zoo geschapen, dat ze van niemand iets kwaads denken

kon, en toen Mooivleugel haar een poos later kwam vragen, of ze haar

verloofde wilde zien, ging ze dadelijk meê.

"Ja, hij is niet zoo mooi als de jouwe," zei de zuster. "Maar hij is

des te dapperder en onversaagd."

"Hoe kun je dat weten?" vroeg Donsje.

"Ja, dat zal ik je zeggen. De meeuwen en eenden hebben hier op

de klippen een tijd lang zooveel geleden, want elken morgen voor

zonsopgang komt hier een vreemde roofvogel, en neemt een van hen weg."

"Wat is dat voor een vogel?" vroeg Donsje.

"Dat weten we niet," antwoordde haar zuster. "Er is nooit zoo'n vogel

hier op de klippen gezien. En het vreemde is, dat hij nooit een van

ons ganzen aanvalt. Maar nu heeft mijn verloofde zich voorgenomen

morgen met hem te vechten, en hem weg te jagen."

"Als dat maar goed gaat," zei Donsje.

"Neen, dat geloof ik niet," zei de zuster. "Als nu mijn ganzerik

maar even sterk en groot was als de jouwe, dan zou ik wel een beetje

hoop hebben."

"Zou je graag willen, dat ik Maarten vroeg, dien vreemden vogel aan

te vallen?" vroeg Donsje.

"Ja, dat zou ik zeker!" zei Mooivleugel. "Je kunt mij geen grooter

dienst bewijzen."

Den volgenden morgen was de witte ganzerik wakker, vóór de zon opkwam,

en ging op de hoogste klip staan uitkijken naar alle kanten. Al

gauw zag hij een grooten, donkeren vogel van het westen komen. Zijn

vleugels waren reusachtig groot, en 't was gemakkelijk te zien,

dat het een arend was. De ganzerik had geen gevaarlijker vijand

verwacht dan een uil. En nu begreep hij, dat hij hier niet levend

zou afkomen. Maar het kwam niet in hem op den strijd met een vogel,

die zooveel sterker was dan hij, te ontwijken.

De arend schoot neer op een meeuw, en sloeg zijn klauwen in het dier.

Eer hij het nog had kunnen oplichten, stoof Maarten, de ganzerik,

op hem toe.

"Laat hem los!" riep hij. "En kom hier nooit meer terug! Anders krijg

je met mij te doen."

"Wat ben jij voor een dwaas?" zei de arend. "Je treft het, dat ik

nooit met ganzen vecht. Anders zou 't gauw met je gedaan zijn."

Maarten, de ganzerik, dacht, dat de arend het beneden zich achtte

met hem te vechten, en vloog in drift op hem aan, beet hem in de

keel, en sloeg hem met de vleugels. Dat kon de arend natuurlijk niet

verdragen. Hij begon te vechten, maar niet met volle kracht.

De jongen lag te slapen op dezelfde plaats als Akka en de wilde

ganzen, toen hij Donsje hoorde roepen: "Duimelot! Duimelot! Maarten,

de ganzerik, wordt door een arend verscheurd!"

"Neem mij op je rug, Donsje! en breng me bij hem," zei de jongen.

Toen hij bij hem kwam, was Maarten bebloed en erg gekwetst, maar hij

vocht nog. De jongen kon niet met den arend vechten, en er was niet

anders te doen, dan beter hulp halen.

"Gauw, Donsje! Roep Akka en de wilde ganzen!" riep hij.

Maar op eens hield de arend met vechten op.

"Wie spreekt daar over Akka?" vroeg hij.

En toen hij nu Duimelot zag, en het gekakel van de wilde ganzen hoorde,

sloeg hij de vleugels uit.

"Zeg aan Akka, dat ik niet verwachtte haar, of iemand van haar troep

hier aan zee te ontmoeten," zei hij, en zweefde weg in snelle en

fraaie vlucht.

"Dat was dezelfde arend, die mij eens bij de wilde ganzen heeft

teruggebracht," zei de jongen, en zag hem verwonderd na.

De wilde ganzen waren van plan vroeg van de klippen te vertrekken,

maar eerst wilden ze nog wat grazen. Terwijl ze liepen te eten,

kwam een bergeend op Donsje af.

"Ik moet je de groeten van je zusters doen," zei ze. "Ze durven zich

niet aan de wilde ganzen te vertoonen, maar ze vragen me, je er aan

te herinneren, dat je niet van de klippen weggaat, voor je bij den

ouden visscher ben geweest."

"Dat is waar ook," zei Donsje.

Maar nu was ze toch zoo bang geworden, dat ze niet alleen wilde

gaan. Ze vroeg den ganzerik en Duimelot met haar meê naar de hut

te gaan.

Daar stond de deur open. Donsje ging naar binnen, maar de twee anderen

bleven buiten. Kort daarna hoorden ze Akka het sein van vertrek geven,

en ze riepen Donsje. De grauwe gans kwam uit het hutje, en vloog met

de wilde ganzen weg van de klippen.

Ze waren al een vrij groot eind naar zee gevlogen, toen de jongen zich

over de grauwe gans begon te verwonderen, die meê vloog. Donsje vloog

gewoonlijk zacht en licht. Deze werkte zich voort met zware ruischende

vleugelslagen. "Akka, keer om, Akka, keer om!" riep hij snel. "We

zijn in verkeerd gezelschap geraakt. Mooivleugel vliegt met ons meê!"

Nauwelijks had hij dat gezegd of de grauwe gans gaf zoo'n akeligen,

boosaardigen schreeuw, dat allen begrepen, wie ze was. Akka en de

anderen keerden zich tegen haar, maar de grauwe gans vluchtte niet

dadelijk. Zij stormde op den grooten witten ganzerik aan, pakte

Duimelot, en vloog met hem in den bek verder voort.

't Werd een felle jacht over de klippenrijen. Mooivleugel vloog snel,

maar de wilde ganzen waren vlak op de hielen, en er was geen hoop meer,

dat zij zouden kunnen ontkomen.

Op eens zagen zij een beetje witten rook uit de zee opstijgen en

het knallen van een schot werd gehoord. In hun ijver hadden ze niet

gemerkt, dat ze vlak boven een boot waren gekomen, waarin een eenzamen

visscher zat.

Niemand werd door het schot getroffen, maar juist daar, midden boven

de boot, deed Mooivleugel den bek open, en liet Duimelot in zee vallen.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 100 / 140 题