HELPMIJ.

Diep in 't groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in

't lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort,

dat men "Nonvlinders" noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige,

en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in 't bosch een

paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren

op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.

Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren,

en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden

nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels

werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.

Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de

takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken

als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de

helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en

klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.

Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in

het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo

weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze

gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.

Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de

boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen

dag, na zijn vlucht, in 't bosch rondgeloopen om te maken, dat hij

er zich thuis zou gaan voelen.

In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter

een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden

in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge

dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat

ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die

gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in

't oog had gekregen, die bij den poel groeiden.

Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote,

zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr

hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de

slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste,

meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij

schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den

kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.

Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart

als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn

tong over den verbrijzelden kop gaan.

"Is dat werkelijk mogelijk, dat je dood bent, oude Karnlösa?" siste

de slang. "Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het

zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we

ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was

het ergste verdriet, dat me treffen kon."

De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het

gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor

hen leefden, hadden medelijden met hem.

"Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die

zich niet kan verweren!" siste de slang, "hij verdient zeker een heel

harde straf." Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet,

maar op eens hief hij den kop op. "Ik zal me wreken, zoowaar ik

Helpmij heet, en de oudste slang in 't bosch ben! Ik zal niet rusten,

voor die eland dood op 't veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!"

Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen

nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang,

dan wraak te bedenken op een grooten, krachtigen eland, en de oude

Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.

Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept

lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn

hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes,

die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen,

toen begon hij luid in zichzelf te sissen, maar eindelijk sliep hij

in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.

Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een

steenachtige en hooggelegen streek van 't Friedsbosch woonde. Aan hem

vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem,

die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule

was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.

"Als ik een eland aanviel," zei hij, "zou hij me dadelijk doodslaan. Je

oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom

zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?"

Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog

van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.

"Wisch, wasch! wisch, wasch!" zei hij. "'t Is jammer, dat jij zulke

wapens hebt, jij, die zoo laf is, dat je ze niet gebruiken durft."

Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.

"Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!" siste hij. "'t Vergif loopt

me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet,

liefst sparen."

De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander

hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet

meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak,

begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.

"Ik had eigenlijk nog een boodschap," zei hij, en begon zacht te

fluisteren; "maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet

helpen wilt."

"Als je me maar niet iets onzinnigs vraagt, wil ik je wel van dienst

zijn."

"In de dennen dicht bij mijn poel," zei de slang, "woont een

vlindervolk, dat in den nazomer 's nachts rondvliegt."

"Ik weet wel wie je meent," zei Krule "wat wou je met hen?"

"'t Is het kleinste insectenvolk in het bosch," zei Helpmij, "en

de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van

dennebast tevreden stellen."

"Ja, dat weet ik," zei Krule.

"Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijn

uitgeroeid," zei de slang. "Er zijn zooveel dieren, die de larven in

de lente opeten."

Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen

gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: "Wil je, dat ik

aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?"

"Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in 't bosch, daarvoor zorgen

kon, zou het wel goed zijn."

"Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,"

zei de adder. "Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets

onmogelijks begeert."

"Dat is een goede belofte, Krule," zei Helpmij, "en ik ben blij,

dat ik bij je gekomen ben."

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 75 / 140 题