Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met
de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een
van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen,
zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat
men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen,
die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen
naar het bosch, en hem dood te schieten.
De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats
in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed
gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man,
maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat
hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar
al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.
De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij
heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen
zeiden. Terwijl de boschwachter hem door 't bosch bracht, wist hij
heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan
hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag
er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch
liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang
was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een
groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de
eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze
't bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout
te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en in
toom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar
het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd,
een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren
er dan ook bij massa's. Ze noemden het onder elkaar het "Vrijbosch",
en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen
nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij
de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.
"Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze
wisten wat me wachtte," dacht hij. En hij kwispelde met den staart,
en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of
gedrukt was.
"Wat zou er aan 't leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens
had mogen jagen?" dacht hij. "Wie berouw hebben wil, mag dat voor
mijn part. Ik doe niet meê!"
Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering
over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had
te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar
liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams
in den zin gekomen was.
Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren,
en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet
meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een
moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk
niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te
vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort
na het ontdooien van den grond, en dat het zoo'n groot dier, als zij
was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant
staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep
zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê,
en keerde weer terug.
De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen
en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden
aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk
een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging
meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat
gelukte niet,--ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken,
en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland
zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij
dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij
een eland in 't ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan,
vóór hij thuis was.
Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed
hem op een heel andere manier verdriet, dan al het kwaad, dat hij
ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland,
noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat
hij het wilde, om het leven had gebracht.
"Maar ze leven misschien nog," dacht de hond op eens. "Ze waren
immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog
wel uitgeraakt."
Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te
komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf
vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen
rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe,
dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij
verdwenen was.
De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij
bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een
paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond,
dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette
het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was
nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder
zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar
was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het
kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde
hij luid, alsof hij om hulp riep.
Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te
sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij
buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen,
likte hem de handen, en blafte van vreugd.
De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje
in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het
moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich,
dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien
tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.
Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar
onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde
hij om, en ging naar het landgoed terug.
Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de
boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De
boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had
gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden,
vóór hij zou sterven.
Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag
Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij
op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.
De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.
"Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê
aankomt?" zei hij. "Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al
lang dood."
Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte
zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den
boschwachter weg om zich te verstoppen.
Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere
manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het
duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden,
en hen had willen redden.
"Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,"
zei hij eindelijk.
De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet
gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou,
hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou
het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust
over de elanden was geweest?
De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat
hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet,
wat hij doen moest.
"Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt,
dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven," zei hij eindelijk.
Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de
boschwachterswoning.