De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte
van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die
boven kleine boschjes uitstaken.
Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee
verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich
over verbaasde.
"Er moeten in dit land geen boeren wonen," zei hij in zichzelf,
"want ik zie nergens boerderijen."
Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; "Hier wonen de boeren als
heeren! Hier wonen de boeren als heeren!"
Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was
begonnen.
"Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers
kruipen?" vroeg de jongen na een poos.
"Ossen en ploegen! ossen en ploegen!" antwoordden alle wilde ganzen.
De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het
haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen
hun toe. "Jelui komt van 't jaar niet klaar! Jelui komt van 't jaar
niet klaar!"
Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek
hoog in lucht en loeiden: "Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in
't heele jaar!"
Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die
liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden
niet laten ook hen te plagen.
"Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?" riepen zij de paarden
toe. "Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?"
"Schaam jelui je niet zoo te luieren?" hinnikten de paarden terug.
Terwijl de paarden en ossen buiten aan 't werk waren, liep de hamel
op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij
stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn
hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.
"Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?" riepen de wilde ganzen,
die boven in de lucht voorbij vlogen.
"Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,"
antwoordde de hamel met een lang geblaat.
"Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?" vroegen de ganzen.
Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men
kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong
een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos
werd hij.
Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche
biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en
op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los,
zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om
elkaar te beschermen.
"Knor, knor!" riepen de biggetjes. "Wij zijn te vroeg van Vader en
Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!"
Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers
den gek te steken.
"'t Zal je beter gaan, dan je denkt," riepen zij in 't voorbijgaan.
De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een
vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene
hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.
Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in,
dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet
goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat
half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat
kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen
en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.
Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een
groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige
streken ingesloten, een in 't noorden en een in 't zuiden. De beide
boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden
in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de
vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was
op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai.
Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed
en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te
versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij,
dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen
als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken
schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen,
glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende
plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om
zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en
de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er
was niet veel orde en regel in 't patroon, maar het was een pracht,
waar je nooit genoeg naar kijken kon.
De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het
oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken
voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk,
en teerden de groote sluispoorten.
Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de
steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers
voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het
open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil-
en stoombooten in orde gemaakt.
Bij Norrköping verlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den
kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen
landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden
slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten
heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.
"Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen."
De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen
zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp
hadden opgeraapt.
"Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan
mijn klomp niet terug krijgen!"
Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de
kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.
"De wilde ganzen lieten het vallen," zei kleine Mads.
Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te
peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: "Herinner jij je wel,
Mads, dat we, toen we voorbij 't Övedklooster liepen, er over hebben
hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een
leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En
herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje
hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwerg met klompen aan had gezien, die
op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen,
Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was,
en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel,
die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor."
"Ja, dat moet zeker zoo wezen," antwoordde kleine Mads.
Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt
niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.
"Wacht! wacht eens, Mads," zei Asa. "Hier staat iets op den eenen
kant."
"Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters."
"Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson,
V. Vemmenhög."
"Dat is wel 't wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb," zei Mads.