Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend
roepen werd meer gehoord. En de jongen zat, in herinneringen verdiept,
op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.
De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt
en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een
Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde,
waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders
te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden
kunnen maken.
Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed,
op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage
en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de
groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.
Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder,
maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het
andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen
wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele
stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er
nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote
wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van
Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op
een opengehakte plaats in 't bosch gelegen, en de boomen hadden er
om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt,
en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in
de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.
Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van
dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steeds verder uitbreiden
en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon
worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit
meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden,
en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout
moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand
dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.
Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee,
en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu
wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt,
de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte,
beneden aan het strand. Onder 't gras lag fijn, licht zeezand. Dat
bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes,
die tot 't allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen
van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te
stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer
met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht
niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den
wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag,
dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos
rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.
Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor 't eerst zagen, vonden
ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de
akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.
't Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid
niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en
winderig. 't Koren kon niet groeien; 't verdorde en verschrompelde. De
aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de
wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne
aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met
den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm
heele groote velden om meê te spelen. In de stad Brendane zaten de
boeren en zagen, hoe hij de zandmassa's oplichtte, ze naar den hemel
deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes,
die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.
Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens
minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten
schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze
ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te
zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó,
dat er geen grassprietje groeien kon.
En 't was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam
geen eind aan den last, dien het gaf. 't Lag in hoopen op den drempel
in den morgen, als men de huisdeur open deed; 't striemde de menschen
in 't gezicht, als ze uitgingen, 't stoof door den schoorsteen en
viel in het eten, en 't lag in zulke dikke lagen op wegen en paden,
dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.
Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar
jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder
op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en
eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte
men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met
stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de
hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. 't
Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou
kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar
hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen;
hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.
Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van
den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren,
dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog
een spa konden opheffen om het weg te graven. En 't was geen lichte
strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde,
hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten
vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met
het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij
het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.
De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van
hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles
hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden,
die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een
enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog
bij machte, stand te houden.
Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den
strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich
niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een
volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man
te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.
Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de
menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het
zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van
zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was niet ouder dan vijftien
jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het,
die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich
tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde,
dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te
strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en
mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo
lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld,
zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn
leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er
over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden,
en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.
Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe
knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den
herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den
afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar
zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger,
zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving
hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht:
griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en
brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De
jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou,
dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak
hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel
grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo'n pleizier,
dat ze soms slap van lachen waren.
Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte
niet.
De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen,
en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den
nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou
zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat
kon hij niet over zich verkrijgen.
"Is hij niet een Tater?" vroeg hij.
"Hij!" antwoordde de moeder. "Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je
niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar."
"Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest."
"Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen," zei de
moeder, en scheen verdrietig te zijn.
De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen,
en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat
hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in één dag meer deed,
dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer
werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij
brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er
was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier
had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het
in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om
het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al
't werk ging onder scherts en gebabbel. 't Was niet te ontkennen,
dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.
Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in
Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een
dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.
"Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien," zei Jan.
De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over,
maar gaf hem meteen een wenk.
Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig
weer neer.
"Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,"
zei hij. "Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden."
Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij
wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan
die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had
niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij,
dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.
Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon
Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak
en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had
Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij
langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond,
maar op eens had hij 't hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren
begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over
de snaren. 't Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij
goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten,
maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en
luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij
genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen
de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren,
overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op,
en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals
die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden:
een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopen vodden schenen
geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden
getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten
vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een
eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen,
en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest,
en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te
geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en
kleeren moeten geven, zoodat--toen ze eindelijk weg waren,--het huis
als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest,
nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen,
maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende
vagebondenstemmen herinnerde.
Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar
zijn moeder zat te spinnen.
"Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is," zei hij.
De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.
"Neen, wat zeg je!" antwoordde zij. "Dat is een wonderlijk nieuwtje!"
Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.
"Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op
de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun."
"'t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken," zei de moeder,
en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.
"Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij
antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan."
"En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu
ook zelf een Tater moet zijn," zei de moeder op den meest onbezorgden
toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden.
"Gelooft u het dan ook niet?" vroeg de jongen.
Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.
"Moet u hem nu niet wegsturen?" vroeg hij weer, want hij had altijd
gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij
herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest
waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst.
"Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had," zei hij. "Ik
dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog
over ons komen."
Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.
Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over
de Taters te spreken.
"Onthoud nu wat ik je zeg," zei hij, "en vergeet dat nooit! Je moet
er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want
ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van
wilden in zich, zoodat ze 't niet kunnen uithouden onder een dak te
wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam
worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van
paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden
stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul
je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude
dingen oplappen en opknappen."
Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij
dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar
en dreigend geklonken.
"Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze
hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek
laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met
ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij,
maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze
lijken ook daarin op 't heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen,
en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons,
boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden;
maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat
krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen,
maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende
over allen, die op hen vertrouwd hebben."
Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij
zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.
"'t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt," drong hij
nog eens aan.
Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd
diep in de oogen:
"Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is," zei ze. "Ik
ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en
zullen aanteekenen."
Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu 't meest pijn deed, was, dat hij
buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had,
zonder te vragen, wat hij er van dacht.
"Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer
te zeggen," barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.
Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan
kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De
meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.
"Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben,"
zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om
afscheid te nemen. "Voor mij blijft niet anders over dan weer langs
den weg te zwerven."
"Je hoeft je aan Sigurd niet te storen," zei de huismoeder. "Ik
heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan
te teekenen."
"Daar kunnen we niet aan denken," zei de knecht. Hij zonk op een bank
neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak
naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. "Het helpt niet,
of je al probeert er uit te komen," zei hij. "Je kunt je uiterste
best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch
teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat
het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor
mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels
vertinnen."
Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.
"Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan," zei ze. "Ik geloof, dat
Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is
om op je te vertrouwen."
"Neen, dat kun je niet verlangen," zei de knecht.
"Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen," ging de huismoeder
voort.
"Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil," antwoordde
Jan. "De hoeve is toch van hem, en 't zou maar verwijdering geven
tusschen hem en u, als ik bleef."
Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd
begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te
blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér
geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van
de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn
hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder
de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet
een heel ander mensch was dan al de andere.
Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de
hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze
ruimte vol ongeluk overzag.
Toen verbrak de moeder de stilte.
"Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons
had kunnen blijven," zei ze. "En ik wil niet, dat je weer in ellende
zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat."
"Dat moogt u nooit doen," riep de knecht dadelijk. "Zoudt u als de
vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer
is geweest!"
"Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt
blijven."
"Neen, dat doe ik nooit," barstte de knecht uit. "Ik dank u, omdat
u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!"
Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te
schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was,
en hij was hard en wantrouwend.
Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.
"Goeden dag dan, Sigurd!" zei hij. "Je moet niet denken, dat ik boos op
je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik
wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons."
Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó
overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen
hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit
te barsten.
Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog
naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching,
en hij schreide luid.
Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den
eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig
op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet
naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt
tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af
was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor
hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. 't Was alsof hij
iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle
liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan
overgedragen te hebben.
't Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk
verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals
het plan was. 't Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren
genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig,
hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met
oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op
weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch
mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.
Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd
op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond
groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop
lag een dunne korst vruchtbare aarde daaronder een laag zeezand, en
daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en
sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder
't werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard
ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten
er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen
ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand,
en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een
schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de
vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.
"Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!" barstte hij uit.
"Wat heb je dan gevonden?" vroeg Sigurd.
"Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben," antwoordde de Tater.
Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.
"Je moet boven komen, en mij helpen, Jan," zei ze.
Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen,
dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De
bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in 't gezicht,
de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er
ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans
gezicht somber werd.
"Kun je ze niet wegjagen, Jan?" vroeg de huismoeder bekommerd.
"Dat gaat niet best," zei Jan lachend. "'t Zijn Vader en Moeder,
en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe 't me gaat."
Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was
nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn
familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen
in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand,
die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij,
dat hij allerlei dwaasheden beging.
Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde
daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen
met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in
den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde
jonge goed.
't Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan
vioolspelen. 't Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet
veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen,
en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.
Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als
vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken,
en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en
zorgeloozer hij zich voelde. 't Was, alsof hij nu voor 't allereerst
begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn. 't Had hem altijd
gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,--hij,
evenals zijn voorvaderen,--dat hij de hoeve moest zien in stand te
houden,--hij, evenals zij--maar omdat je eens een enkelen keer blij
was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.
Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan
toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn
familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den
middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den
rijksten boer in de gemeente. 't Was een verzoek, of Jan hem wou
komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar
de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had
hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen,
maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven
drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos,
en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken,
meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een
roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking,
dat het leven zóó heerlijk kon zijn.
't Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken,
weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal
waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle
Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als
hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en
op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd
alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den
bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de
meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot
kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van
hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had
verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk
gegaan was.
De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat
Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. 't Was alsof dit opeens
zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.
Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig
was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het
beheer van Jan, den Tater. 't Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste
jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers
verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In
't voorjaar had Jan in 't kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes
waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild.
Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te
spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met
een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand
kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware
leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen,
en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.
Plotseling hield Jan met spelen op.
"Zeg me nu één ding, Sigurd," zei hij met ongewoon vriendelijke
stem. "Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?"
Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten
denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.
"Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen," zei Jan.
Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat
Jan en hij zouden scheiden.
"Neen, ik wil liever, dat je hier blijft," zei hij.
"Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel
gaat," zei Jan, "want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend."
Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met
den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de
provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in
de schuur.
Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan
niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te
leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en
pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor
't vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten
met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.
Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er
onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor
de reis.
"Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten," dacht hij. "Al
zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe."
Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te
beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook
meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het
oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en
beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden,
zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de
angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep
met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen
en hen niet achterna te vliegen. Op dat zelfde oogenblik keerde Jan
zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat
merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was
Sigurd bij den wagen en er boven op.
Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door
het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd
naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de
nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den
weg. Sigurds moeder ging dan naar 't huis, en bedelde om eten en koren,
en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden,
maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts
onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel
te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar
markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in 't Zuiden
in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele
troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan
een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen,
en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het
al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden
naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was
van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna
trokken zij er weer op uit.
Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in
Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te
zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest,
te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest
ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.
Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap
tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en
ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd
verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar
alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook
prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.
Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote
velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag,
toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:
"Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. 't
Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden."
"De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker
weggegaan, en hebben 't land aan zijn lot overgelaten," antwoordde
Sigurd bitter.
"Denk je dat?" zei Jan heftig. "Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar
huis kunt gaan en 't zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier."
"Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken,"
zei Sigurd weer. "Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik
houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik
ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt."
Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant
van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast
te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan
groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam,
schopte hij het om met zijn voet.
"Wat doe je daar?" vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd,
en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.
"Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere
ook om te schoppen."
"Wat zou je daar nu aan hebben?" vroeg Sigurd.
"Ik weet niet hoe het komt," zei Jan, "maar in de landen, waar groote,
kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar
waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen
wij het op den duur niet uithouden."
"Dat kan wel wezen," zei Sigurd "maar je zult toch dat denneboompje
weer in den grond zetten."
Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar
voor zich uit te kijken.
"Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt,
als ik meerderjarig word!" schreeuwde Sigurd.
Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij
opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht,
maar hij zei niets.
Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van
zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en
velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig
werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet
ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd,
nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan
op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt,
en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op
een feest moest spelen bij den dans.
"Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen."
Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs
den weg stond. Vroeger had hij zichzelf probeeren wijs te maken, dat
hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig
werd, maar nu voelde hij, dat hij er geen kracht toe had. De heele
hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij,
en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij
begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te
verspillen aan een hopelooze zaak?
Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten,
of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil,
en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. 't Was een nieuw
paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd
gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu
bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed,
werd gevangen genomen als paardendief.
Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele
massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet
in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest,
en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn
zaak behandeld werd.
't Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan,
die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.
"Jan is hier gekomen om mij te helpen," dacht hij, want hij wist,
dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag,
dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden
opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den
ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij
de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij
met het gestolen paard was komen aanrijden.
Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor,
dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al
die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en
naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht
meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun
oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een
ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.
Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar
kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien,
dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had
gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen
nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.
Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een
gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd
over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep, dat hij tot
verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde
zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.
Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten
was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van
het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en 't hem
duidelijk geworden was, dat hij in 't diepst van zijn ziel valsch en
hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was
in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel,
omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op 't zelfde oogenblik, dat
hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was
geweest, en hij schrikte daar hevig van.
Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht,
trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan,
of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als
een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden
wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden
van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen
het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het
eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te
veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van
zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.
En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde,
en 't werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij 's winters naar
Skaane trok, als dorscher, en in 't voorjaar kwam hij weer thuis
met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den
herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te
leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hij
zichzelf had opgelegd te doen.
Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in
de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde
plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep
gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar
mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden,
raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het
zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu
was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop
en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote,
rijke hoeve.
Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om
een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd,
dat hij goud had gevonden.
"Hij wist dat van den mergel," dacht Sigurd. "Hij heeft het aldoor
geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis
blijven en ons allen rijk maken."
Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen
diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken
en handelen, zooals hij had behooren te doen.