't Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. 't Was mooi en
stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend,
en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want
bijna niemand waagde zich nog op straat.
Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over
Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten
avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen
te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze--waar ze ook
neerstreken--door Smirre, den vos, gestoord werden.
Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de
klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er
zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw,
maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was
melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren
glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele
klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of
vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken
en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart
af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde
onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.
Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet
bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig
verschrikte. 't Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige
blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken
helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen,
bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden
zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets
dergelijks was.
Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er
maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen
hadden. 't Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de
jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland
hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de
landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden,
waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste
punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over
al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.
De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist
boven dat eiland ging neerdalen.
"Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken," zei hij.
Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over,
dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren
ten eerste niets anders dan huizen. 't Heele eiland was een stad,
en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte
vensters. De reus, die op 't hoogste punt van het eiland stond en de
armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken
en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en
vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van
het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine
kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde
vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende
schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door
't water moesten kunnen glijden als visschen.
Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter
komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven
pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken
gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten
varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen
lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.
De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en
zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de
groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier
voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat
hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.
Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen,
die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de
werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.
Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermd
wou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen
nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon
hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij
zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als
het licht werd.
De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden
kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging
zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder
den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen
naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote
markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en
voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk
weiland. Zij, die in 't woeste veld wonen, of ver weg op het land,
voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen
recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan
zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op
de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het
raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was
geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.
Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men
ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk
stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten,
groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok,
korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het
wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit,
alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig
streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.
"Wat heeft die hanglip daar te maken?" zei de jongen eindelijk. Hij
had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij
probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht
hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in,
die naar zee leidde.
Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich
hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen
stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat
klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan 't wandelen
was gegaan.
De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde,
en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was. De
grond dreunde, en de huizen schudden. 't Kon niemand anders wezen dan
hij, die zóó zwaar liep, en de jongen werd bang, toen hij dacht aan
wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken
om te zien, of hij het werkelijk was.
"Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier," dacht de
jongen. "Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat
was heelemaal zoo niet bedoeld."
In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen,
sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde
allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.
Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat
insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat
hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden
in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan
zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat,
midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik,
maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.
"Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad
beschut," meende hij.
Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond,
en hem wenkte.
"Dat is zeker iemand, die mij helpen wil," dacht de jongen. Hij werd
innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang,
dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam,
die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal
verbluft.
"Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte," dacht hij,
want hij zag, dat de heele man van hout was.
Hij bleef hem aan staan kijken. 't Was een grove man met korte beenen
en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen
zwarten baard. Op 't hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het
lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten
sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten
kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas
geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in den maneschijn,
en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo'n goedig uiterlijk te
geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.
In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:
Ik vraag u nederig,
Al is mijn stem ook zwak,
Kom, leg een penning neer,
Maar neem mijn hoed dan af.
O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war
gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonders zou zijn. En nu
herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar
had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel
van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om
van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich,
dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd
zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,--precies zooals
men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.
De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij
den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu
hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij
kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?
Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem
neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk
iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één
sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed,
en stopte hem daaronder.
Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm
weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem,
en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn
voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:
"Wat ben jij voor een snuiter?"
De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout
kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:
"Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op
't linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de
Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein
neergezet als armenbus."
Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de
houten man zei: "Uwe Majesteit." Want nu hij er over nadacht, wist
hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad
gesticht had. 't Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij
tegen zijn zin mee te doen gekregen had.
"Je antwoordt flink," zei de bronzen man. "Kun je me nu ook zeggen,
of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de
stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg,
zal ik hem wel mores leeren." En bij die woorden stootte hij zijn
stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.
"Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien," zei de houten
man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed,
en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in 't hout. Maar
hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: "Maar uwe Majesteit
is op 't verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf
te loopen en zich daar te verstoppen."
"Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op
je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen
zien meer dan twee, Rosenbom."
Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:
"Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik
zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en
vermolmd, en kan 't niet verdragen me te bewegen."
De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag
tegengesproken worden.
"Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?"
En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden
klap op zijn schouder. "Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt,
Rosenbom."
Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van
Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van
de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar
de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat
de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen
zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende
afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en
zagen er van dichtbij grooter en verschrikkelijker uit, dan toen
de jongen ze van boven af zag. "'t Was toch nog niet zoo verkeerd,
dat ik ze voor zeespoken hield," dacht hij.
"Waar vindt je 't het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?" zei
de bronzen man.
"Zoo'n klein ding, als hij, zou zich wel 't beste in de modelzaal
kunnen verstoppen," antwoordde de houten man.
Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele
haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De
bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en
een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die
open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten
treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en
getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem
zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening
van de Zweedsche marine gebouwd waren.
Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude
linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen
voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen
bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen,
met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek,
en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen
voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware,
breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die
tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes,
die op lange, slanke visschen leken.
Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds
meer verbaasd.
"Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!" sprak
hij.
Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen
man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal,
van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En
Rosenbom, de opperbootsman van de "Driestheid" vertelde wat hij wist
van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden,
en hoe 't met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden
tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.
Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen
de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel
verstand te hebben.
"Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier," zei de bronzen
man. "Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier
heb ik pleizier in, Rosenbom."
Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en
Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.
Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij,
de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen
en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis,
de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was
uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor
anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben,
bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.
De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken,
hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die
van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren
gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe
bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen
zoo goed mogelijk te maken en te verbeteren, die ter verdediging
van het vaderland moesten dienen. 't Kan niet ontkend worden, dat de
jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat
alles hoorde praten.
't Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren
van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had
de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk
indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen
er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de
groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan
de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar
voor hem stonden.
Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: "Neem
je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in
den strijd voor het vaderland geweest."
En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren,
evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn
houten hoed af en riep:
"Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte,
en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!"
"Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Je bent een beste kerel! Maar
wat is dat nu, Rosenbom?"
Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van
Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af,
en zwaaide die hoog in de lucht en riep: "Hoera voor jou, Langlip!"
De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen
kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de
zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man,
alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken,
vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en
weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in 't oog,
en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen.