Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit
weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar
nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen,
en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe
in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen
parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën
gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.
Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd,
niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde
ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de
ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.
Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust
in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet,
dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot
ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting,
en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een
slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat
hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.
Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken
waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet
bij hen kon komen.
De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar
toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene
plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht
uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie
en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er
is niet veel, dat prettiger is op een mooien zomerdag, dan op dat
kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat
zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.
Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud,
buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand,
die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk
waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo'n steilen
bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze
er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende
beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter
zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen
verborgen. Ze konden het niet beter hebben.
De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog
dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en
't woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder
den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar
slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij
niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van
alle kanten, en er kwam zoo'n groote onrust over hem, dat hij onder
den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.
Smirre stond op den bergtop, ver weg uit 't gezicht.
"Deze vervolging hier kun je even goed laten!" zei hij in zich
zelf. "Je kunt zoo'n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo'n
woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje
land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn
je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen."
Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en
hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde
de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te
bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja,
't was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar 't armoedige
Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar
lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze
dan ook zelf niet op mogen eten.
Toen Smirre's boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij
geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een
eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen
van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die
voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich
tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij
keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was
als de eekhoorn, maar toch even zeker op en neer langs de boomstammen
sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.
"Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar," dacht de vos,
"dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen."
Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar
den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen,
dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den
marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre
wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter
daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop,
zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein
prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner,
en hij antwoordde bijna niet.
"Het verbaast me," zei Smirre, "dat zoo'n jager, als jij zich met
de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je
bereik is."
Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel
onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: "'t Is toch
niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder
tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in 't klimmen,
dat je beneden bij hen kunt komen?"
Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.
"Heb je wilde ganzen gezien?" riep hij blazend. "Waar staan die? Zeg
het dadelijk, of ik bijt je den strot af!"
"Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees
een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen."
In 't volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl
Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van
tak tot tak voortbewoog, dacht hij:
"Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in 't heele bosch. Ik
denk, dat de wilde ganzen 't aan mij te danken hebben, als ze in
een bloedbad wakker worden." Maar juist toen Smirre verwachtte
den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van
een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog
opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen,
en alle ganzen vlogen snel op.
Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend
te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter
weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu
en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.
"Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou
rollen!" zei Smirre verachtelijk.
"Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen," zei
de marter. "Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over,
hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje,
niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó'n kracht een
steen naar het hoofd gooide, dat ik in 't water viel, en eer ik er
weer uit kon kruipen..."
De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar
hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.
Intusschen was Akka naar 't zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats
te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien
stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien
kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer
dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was,
als ze in 't voorjaar over de Oostzee reisde.
Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang
kon zien slingeren door het in 't maanlicht badende landschap. Zoo
kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een
onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van
glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem
daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder
aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water
als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was
ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als
de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging,
hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt
niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een
papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen
begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven
op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom,
die bruisend in de kloof valt.
't Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers
dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer
beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig
en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden
waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze
veilig voor roofdieren waren.
De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij
zat naast hen om op den ganzerik te passen.
Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij
kreeg dadelijk de ganzen in 't oog, die daar in den bruisenden
maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon
komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten. Hij bleef aan den oever
naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond,
dat zijn eer als jager op 't spel stond.
Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch
in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen
afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet
wou afnemen.
"Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen,
als er volop wilde ganzen op de steenen staan," zei Smirre. Hij was
zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te
kiezen, als hij gewoonlijk deed.
De otter keerde niet eens zijn kop naar 't water. Hij was een
landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt,
en kende Smirre, den vos, wel.
"Ik weet wel, hoe jij 't aanlegt om een forel machtig te worden,
Smirre," zei hij.
"O, ben jij 't, Gripe," zei Smirre en was blij, omdat hij wist,
dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. "Ik wil wel gelooven,
dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staat
bent ze te bereiken." Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de
teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was,
en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde 't niet op zich laten
zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde
zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg,
wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.
Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen
in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten
hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter
werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte
zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop
over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. 't
Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen
te worden.
Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag
hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar
juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte
achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind,
jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard
met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te
zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn
eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht
mislukt was, barstte hij uit: "'t Komt niet, doordat ik niet goed
zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou
juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen,
en me op mijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó'n pijn,
dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me."
Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de
ganzen achterna.
Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken
tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar
licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te
vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier
weer naar 't zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere
daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer
te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de
zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis,
met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles
staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten,
en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting
zoeken op de balkons en in de waranda's van de verlaten gebouwen.
Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk
sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij
niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.
't Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen 't gezicht op de zee
had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe
mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.
Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel
verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij
de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij
't land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. 't Is
alsof ze zoo'n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste
willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het
land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt,
alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat
de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat
tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van 't land kort
en klein wil scheuren.
Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar
ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes,
en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien
komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee
elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.
Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en
leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als
ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die
neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groen af, en maakt haar even
kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar
gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die
wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen
was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de
zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt,
om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe
verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt
haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich
in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij 't land zóó
weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan
zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.
En denk dan aan 't land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna
overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een
beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met
bosch begroeid. 't Ziet er uit, alsof 't enkel denkt aan haver, en
rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die
ver in 't land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar 't zet die af
met berk en els, precies alsof 't een gewoon zoetwatermeertje was. Dan
komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten
mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en
breken in, en maken zich breeder. Ze splijten 't veld en de bosschen,
en zoodoende moet het land ze wel opmerken.
"Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt," zegt het land, en dan
begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst
en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. 't
Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als
oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden,
en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo
mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het
zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.
Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de
jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij
begon zich rustiger te voelen dan in 't begin van den nacht. Toen
hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het
badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn
op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer
nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had
hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij
te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis.
Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en
hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.
"Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?" vroeg ze.
"Ja," zei Smirre, "ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui
ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb."
"Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden
hebt?" vroeg Akka weer.
"Een goede daad moet men niet ontkennen," zei Smirre. "Jelui hebt
eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het
vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden,
zoolang er nog maar een van jelui in 't leven is, al zou ik jelui
ook door 't heele land heen vervolgen."
"Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die
gewapend is met tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen;
wij--die weerloos zijn," zei Akka.
Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: "Als jij,
Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt,
pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te
sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij
je hooren."
"Duimelot kan ik je niet geven," zei Akka. "Van de jongste tot de
oudste hebben we graag ons leven voor hem over."
"Als jelui zóóveel van hem houden," zei Smirre, "dan beloof ik je,
dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal."
Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild
had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door
wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit
had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn
leven voor hem wilde wagen!
Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen,
dat hij van niemand hield.