Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in
den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad,
maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen,
begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van
den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.
Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De
wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder
haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige
in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd
gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld,
maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen
ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep:
"Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik."
Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen
afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar
ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de
schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren
van Christianstad en 't koningspaleis van Bäckaskog op de smalle
landtong tusschen 't meer van Oppmanna en 't Ivömeer, en de steile
helling van den Ryesberg.
't Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen
te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de
regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden,
dat zij grijs en vervelend waren, maar 't was heel wat anders, nu
hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige
vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen:
sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, andere met
tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en
andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende
hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze
een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had,
en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken
het water over de aarde neer te stroomen.
Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op 't veld
neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle
vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk,
en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.
"Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente
geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen
en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is
het beste, wat er is," zongen de vogeltjes.
Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun
slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden
zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een
vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.
Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in
de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze:
"Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nu zijn
jelui lang genoeg lui geweest."
Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen,
zeiden ze vermanend: "Waarom hebben jelui zoo'n haast? Zien jelui niet,
dat het stoeten en pannekoeken regent!"
Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden
voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te
verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich
groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: "Hier komen we met
anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we
met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar
aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!"
Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog
blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging,
werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen
om het meer van Ivö: "Hebben jelui nu nog niet haast genoeg? Hebben
jelui nu nog niet haast genoeg?"
De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed,
dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter,
sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette
buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van
regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze
verwarring, en de wegmerken waren bijna niet te zien. De tocht ging
al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou
steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de
lucht gereden had. En 's middags, toen ze neergestreken waren onder
een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar
alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren
bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had
hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen
en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en
't werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door
konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen
lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet
slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel
geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen;
hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest
ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven
zou van angst. "Als ik 't nu eens waagde naar de menschen te gaan,
voor dezen éénen nacht?" dacht de jongen. "Alleen maar zoo, dat ik
even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar
de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang."
Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond
glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen
niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over 't moeras.
Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane,
in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij
een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet
lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die
lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.
De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er
zooveel zijn hooger op het land, maar die men in 't geheel niet vindt
op de vlakten.
De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden
gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met
hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte
olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of
nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken,
hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten
en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het
prettig weer menschenstemmen te hooren. "Ik zou wel eens willen weten,
wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te
worden," dacht hij.
Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was
zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan
voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij
in de nabijheid van menschen was.
"Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken," dacht hij, "voor ik iemand
vraag, of ik binnen mag komen."
Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen
voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig
licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een
mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.
"Het regent, nu komt de lente gauw," zei ze. Toen de jongen haar zag,
werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het
eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de
menschenwereld gezet had.
Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een
roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk
op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met
de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig 't
wezen moest, met zoo'n mooie machine over een akker te rijden. Een
oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen
dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd
steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou
toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.
Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten,
die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van
de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over,
hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden
tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan,
dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren
spreken van een wereld,--boven die, waarin ze leefden,--van God,
en opstanding en eeuwig leven.
En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.
Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat
wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te
geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten,
wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar
nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden,
zooals hij wezen moest.
Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te
worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep,
ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar
een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofd er pijn van
deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten
al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe
onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.
"Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft
geleerd als ik," dacht hij eindelijk. "'t Zal wel zoo loopen, dat ik
toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en
den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd
zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit."
Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde
zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan 't zwemmen
was geweest.
Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen,
en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En
dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak
zat, zich te bewegen en riep: "Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis,
moerasuil? Hoe heb je het in 't buitenland gehad?"
"Heel goed, dank je wel, katuil!" zei de moerasuil. "Is er hier wat
bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?"
"Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is 't gebeurd, dat
een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als
een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans."
"Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit
weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?"
"Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De
kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past,
zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en..."
"En verder, katuil? Verder? Verder?"
"Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je
alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is,
die ons beluistert."
En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op
in de lucht. "Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids
thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag
ik weer een mensch worden!"
Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in
de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard
zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het
natte moeras.