DE GROOTE KRAANVOGELDANS OP DEN KULLABERG.

't Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in

Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft

als de oude Kullaberg.

De Kullaberg is laag en langwerpig. 't Is heelemaal geen hooge

of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en

akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich

ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo

bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten

in Skaane.

Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet

laten een beetje teleurgesteld te zijn.

Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den

kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij

op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet

weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo

gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen

om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen,

als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg,

om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij

den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.

Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar

bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven,

diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten,

die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den

wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken

en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte

hellingen en zachtglooiende, met groen bekleede terrasjes. Daar zijn

kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes,

die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar

zijn statige rotspoorten, die zich over 't water welven; daar zijn

steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere,

die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar

zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten,

den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen,

tot in het hol van den Kullaberggeest.

En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich

ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind

is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen

om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over

't veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf,

en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.

Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de

schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg

zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen

daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen,

wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar

samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik

uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen

de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren,

waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder

ander oord.

Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de

reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren,

den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet

te worden opgemerkt. Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar

de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver

van de uiterste punt van den berg.

De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die

haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in

de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen

zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de

heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben

de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op

den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het

Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande

wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.

Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich

neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel

't een uitgemaakte zaak is, dat op een dag als deze, algemeene vrede

heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op

dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen

loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar

toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de

oude gewoonte.

Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels

uit te zien. 't Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels

zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen,

als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook

niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De

zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.

Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar

een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En

zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund

naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen,

blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te

kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt,

stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk

valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk,

en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder

grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen

en groengele meezen.

Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat

blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en

kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en

spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en

boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit

de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil

van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als

het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet

enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot,

dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze

boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet

een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij,

die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.

Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd

door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar

aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er

door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een

donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst

geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst

gekras. Allen, die op de speelplaats zijn, herademen, als die wolk zich

eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien,

en roeken, en raven en zaadkraaien.

Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een

menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte,

gestippelde lijnen in 't oosten en 't noordoosten. Dat zijn de

boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op

een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels,

van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven

in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in

scheeve hoeken en halve cirkels.

Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels

Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep

later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel

Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze,

zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die

urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van 't huis

Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap,

dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn,

en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen,

en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.

Maar 't was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met

zijn groot gevolg voortliep; 't was niet Akka, die neerdaalde,

hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de

lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar

hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht,

en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo

oneerbiedig had behandeld.

Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden

goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar

oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen,

die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den

jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet

had verdiend.

"Neen, Moeder Akka," zei hij. "U moet niet denken, dat ik de grijze

ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer

Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde."

Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar,

en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den

Kullaberg te nemen. "Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als

op ons zelf," zei ze.

De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.

"Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,"

zei hij, "'t is een geluk, dat we hem kunnen beloonen voor alles,

wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog

spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen,

zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen."

Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen,

die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit

zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over

hem spraken.

Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug

van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was,

bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een

meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van

wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog,

met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een

massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte

in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer

wierp hij zich naar beneden met zóó'n vaart, dat het scheen, dat hij

hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte

hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka

heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was

in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger

niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.

Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het

Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de

grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht

naar den Kullaberg.

Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd

was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop

naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens

van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen

van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit

van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte

kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich

niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht,

en zongen van blijdschap.

Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen

en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij

verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij

elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze

dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers,

die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien

zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij,

toen die voorbij was. De dieren vonden dien even somber en onzinnig

als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze

werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets,

wat hen een beetje blij kon maken.

Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien

klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een

lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of

vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met

zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder

't springen draaiden ze in 't rond, namen hooge sprongen, en sloegen

met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden

ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en

rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond,

een ander liep op de voorpooten. Er was niet de minste orde, maar er

was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren,

die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu

waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De

zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!

Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote

boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en

met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op

de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op,

sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren

voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte

een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. "Tjek, tjek tjek,"

klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een

paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde:

"Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!" En meteen werd hij

zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.

Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie,

die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit

hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo

ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen

en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen,

en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun

bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide,

begon zwaar en heet te worden.

"Ja zeker! Nu is het lente!" dachten alle diervolken. "De winterkoude

is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde."

Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes

hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was,

waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer op de speelplaats,

waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde

staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te

zingen: "Orr, orr, orr!"

Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen,

gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren

aan niets anders dachten dan aan 't spel van de korhoenders, heel

zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep

heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem

opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in 't oog, en omdat ze niet

gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen

doorsluipen zou, begon ze te roepen: "Pas op! Wilde ganzen, pas op!"

De vos sloeg haar over de keel, misschien wel 't meest, opdat ze

zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord,

en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den

heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.

Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had,

kreeg Smirre zoo'n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had,

dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd

had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk

omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik,

dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag

verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis

verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen

probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd,

om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het

land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem

verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn

vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust-

en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk

beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten

zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt

van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge

vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem

bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen

achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.

Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun

wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun

eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet

laten storen.

Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de

kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hun oorlogsspel te

laten zien. 't Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze

stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens

tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden

elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven

losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong

zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.

Op de heuvels in 't rond was het ademloos stil, terwijl de in

't strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een

nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt

door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor

allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal

vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als

de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan,

zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle

door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat

ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was,

en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.

Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en

dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den

anderen: "Nu komen de kraanvogels." En toen kwamen de grijze, als in

schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode

veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen,

hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over

den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden,

zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels

gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was

iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze

schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het

was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame

moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor 't eerst

op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar

den dans van de kraanvogels heette.

Er was woestheid in, maar 't gevoel, dat het wekte, was toch een zoet

verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de

gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig

hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt,

het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven

naar het bovenaardsche.

Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het

leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt

was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 29 / 140 题