Het was slechts een zeer onbeduidend iets, dat in het brein van Mr.
James Parkinson een grootsch plan deed rijpen.
In zijn vak was Mr. James Parkinson een genie en dat vak omvatte het
geheele omvangrijke gebied der oplichterij.
Eens had hij de eervolle positie van advokaat bekleed, maar tengevolge
van zekere gebeurtenissen, was hij door zijn collega’s uitgestooten en
onmogelijk gemaakt.
Zijn uitnemende juridische kennis, zijn beschaving en goede opvoeding
kwamen hem in zijn nieuw beroep uitstekend van pas, want iemand, die de
wet kent en behalve dat lang niet dom is, zal bij zijn oplichterijen
niet licht worden betrapt.
Een kleine, schijnbaar onbeduidende aanteekening onderaan het
Beursbericht in zijn ochtendblad had hem op het denkbeeld gebracht.
„Weinig vraag naar geld, disconto onveranderd, staatspapieren kalm. Een
groote zending goud zal binnenkort van de Bank van Schotland worden
gezonden”.
Dat was inderdaad een aanteekening, die voor het meerendeel der lezers
van geen belang was.
Voor Parkinson echter was zij voldoende om de een of andere
oplichterij, die hij op het oog had, voorloopig uit te stellen en alle
krachten te wijden aan deze zaak.
Zou hij misschien in het bezit van het goud kunnen komen?
Liever dan alles anders ter wereld was voor hem gemunt goud.
Hoe echter goud, dat voor de Bank bestemd was, daarheen werd
getransporteerd, was hem zeer goed bekend.
Hij wist, dat een dergelijk transport door de straten van Londen
meestal geschiedde onder strenge bewaking, doch dat tijdens het
transport per spoor de zending slechts zeer gering werd bewaakt.
En daar hij al sinds langen tijd tot de overtuiging was gekomen, dat
het in Engeland niets moeilijker is een trein te overvallen dan in
Amerika, waar zooiets iedere week schier voorkomt, was hij spoedig
besloten te beproeven, zich langs dezen weg in het bezit van het goud
te stellen.
Deze gedachte prikkelde hem zoo, dat hij terstond erop uitging om
inlichtingen in te winnen.
Zoo vernam hij, dat het zoo goed als zeker was dat het goud in een
gewonen sneltrein zou worden overgebracht. In denzelfden trein zou zich
ook een postrijtuig bevinden, waarin vele brieven en stukken van waarde
werden meegevoerd.
Dat was dus een extra buitenkansje.
Twee dagen had Parkinson noodig om een paar „vrienden”, Amerikanen, die
hem over den treinroof in Amerika eenige bijzonderheden konden
mededeelen, op te snorren.
Ook sprak hij langen tijd met een ontslagen machinist en met een zes
voet langen Ier, een boef, die door de politie ijverig werd gezocht.
In de achterkamer van een kroeg in het beruchte Oost-eind werd de
eerste bijeenkomst van het vijftal gehouden.
Met wantrouwende blikken keken de „heeren” elkander aan en eerst moest
heel wat alcohol naar binnen worden geslagen, voordat de een na den
ander wat toeschietelijker werd.
„Laat ons dadelijk van wal steken,” begon Parkinson.
„Volgenden Dinsdag vroeg komt de nachttrein uit Schotland hier, die een
kolossale som aan gemunt goud als lading in heeft. Het metaal is in
sterke met ijzeren banden beslagen kistjes verpakt en we kunnen ons het
goud uitstekend toeëigenen als we den trein op anderhalf kilometer
afstands van het station Carhampton tot staan brengen. Als ons dat
lukt, krijgt ieder van jullie 300 pond sterling en bovendien kunt ge
nog deelen, wat ge de passagiers aan gouden horloges, sieraden en baar
geld kunt afhandig maken”.
Dit voorstel werd door twee der aanwezigen met een luid klinkenden lach
begroet, terwijl de twee anderen een veelzeggend stilzwijgen bewaarden.
„Dat klinkt allemaal heel mooi. Ik geloof echter niet, dat een
Engelsche sneltrein zoo gemakkelijk door het eenvoudig zwaaien met een
roode lantaarn tot staan gebracht kan worden, zooals daarginds in het
Verre Westen,” meende op sarcastischen toon een der Amerikanen, die
heel groot van stuk was en maar één oog had.
„Neen,” antwoordde Parkinson ernstig, „tot zulke afgezaagde middelen
zullen wij ook hier te lande onze toevlucht niet nemen.”
„Wat kunnen wij dan met z’n vijven tegen al die lieden beginnen?” vroeg
de voormalige machinist.
„Mijn waarde heer,” antwoordde Parkinson met een geheimzinnig lachje,
„als twee dappere kerels reeds vroeger in Amerika, dus in het land,
waar bijna niemand zonder wapens uitgaat, een stampvollen trein hebben
overweldigd, dan kunnen toch zeer zeker hier vijf met revolvers
gewapende lieden, zelfs zonder al te roekeloos op te treden, ook wel
zoo iets tot stand brengen. Als iemand zich verweert schieten we hem
eenvoudig neer en dat zal de anderen wel bang maken.
„Maar aan den anderen kant,” vervolgde hij, „moet ik jullie er wel
degelijk opmerkzaam op maken, dat de heele zaak geweldige opschudding
zal veroorzaken, want ieder Engelschman beschouwt alleen reeds de
gedachte aan zooiets als hoogverraad.
„Volgens mijn weten is nog nooit in Engeland zoolang als de spoorwegen
hier bestaan, de trein overvallen en geplunderd. Als het moeilijke werk
dus voltooid is, moeten wij dadelijk den buit deelen en zorgen, dat we
uit de voeten komen.”
„Voordat we verder gaan,” zei de machinist, „moeten we toch weten hoe
de locomotief tot staan wordt gebracht.”
„Daar u dit zooveel hoofdbrekens kost, heeren, zal ik u dit mededeelen.
Ge kent toch Carhampton?” vroeg hij den machinist.
Deze knikte toestemmend.
„En herinnert ge u ook den grooten berg, dien de trein, vlak achter het
station, over moet rijden?”
„Zeker. Dat is de grootste stijging, die ik ooit over ben gereden. Het
is daar een heel lastig eind.”
„Juist. En op die plek moet de trein tot staan worden gebracht.”
En Mr. Parkinson zette nu zijn plan nader uiteen.
Kauwende op een pruim tabak, luisterde de machinist.
Hij scheen nog niet heelemaal overtuigd te zijn. En Mr. Parkinson had
twee volle uren noodig om de aanwezigen voor zijn plan te winnen.
De „Vliegende Schotlander”, aldus werd de sneltrein wegens zijn groote
vlugheid genoemd, vervolgde zijn reis door de binnenlanden van
Schotland.
Voorbij gesneld waren de morsige dorpen met hooge schoorsteenen en
mijnwerken, waar af en toe de hoogoplaaiende vlammen der hoogovens
schilderachtige effecten vormden.
De trein had nu de duistere vlakte bereikt.
Aan beide kanten van de kloof bij Carhampton, boven aan den berg,
wachtten de vijf mannen.
Een goederentrein ratelde voorbij en Mr. Parkinson keek op zijn
horloge. Toen begon hij de rails op ongeveer vijftig meter afstands
boven op den berg, geducht met olie in te smeeren, toen liep hij naar
den seinpaal, klauterde langs de ijzeren ladder naar boven, verwijderde
daar de beide kleurige signaalschijven en verving ze door andere
glazen, die hij had meegenomen.
Als nu het signaal „Veilig” zou worden gegeven, verscheen, inplaats van
het groene licht, het roode, dat „halt” beteekent. En omgekeerd.
Nauwelijks was hij weer op zijn plaats teruggekeerd, toen in de verte
het geratel van een naderenden trein werd gehoord.
Nader en nader kwam hij, totdat aan den anderen voet van den heuvel, in
de vlakte de witte wolken uit de machine duidelijk zichtbaar werden.
De stoomketel was flink opgestookt en werkte onder groote spanning om
de moeilijke steiging te volbrengen.
Toen de machinist bij de bocht zag, dat de weg niet veilig was, liet
hij de stoomfluit zoo schril werken, dat Mr. Parkinson op zijn post
boven op den berg van schrik ineenkromp en de stationschef in
Carhampton zich afvroeg, wat er wel gebeurd kon zijn.
Als de nacht helder was geweest, zou de machinist wel gezien hebben,
dat de signaallantaarn naar beneden wees, maar daartoe was het thans te
donker.
De trein pufte den berg op en in de hoop, dat de weg in het laatste
oogenblik nog vrij zou komen, bleef de machinist dezelfde snelheid
behouden.
Toen echter nog steeds geen groen licht verscheen, was hij wel
gedwongen, te remmen, want aan den anderen kant was de helling zeer
steil.
De trein was bijna op den top gekomen en reed langzaam, toen plotseling
de machine op de rails stokte. De wielen draaiden wel, maar de trein
kwam niet van zijn plaats en dreigde den berg ruggelings weer af te
glijden. Zoodoende moest met alle macht geremd worden en de trein werd
tot stilstand gebracht.
In hetzelfde oogenblik werden ook de machinist en de stoker door twee
personen met revolvers bedreigd. De een door Mr. Parkinson, de ander
door den éénoogigen Amerikaan.
De stoker gaf zich echter niet zoo gemakkelijk over en sloeg met den
kolenschop er op los, zoodat hij bijna Mr. Parkinson den schedel had
verbrijzeld. Zijn cylinderhoed, dien hij altijd droeg, zelfs bij deze
onderneming, redde hem het leven.
Een kogel, die hem door den elleboog vloog, maakte den stoker voor het
gevecht onschadelijk en een tweede die de pet van den machinist
doorboorde, joeg dezen zoo’n angst aan, dat hij zich zonder verderen
tegenstand liet binden en op de kolen in den tender liet gooien.
De conducteur werd onverhoeds overvallen en zonder veel moeite
gebonden.
Een particulier detective en een beambte van de Bank, wien de bewaking
over de waardevolle zending was opgedragen, werden verschrikt door het
plotselinge stilstaan van den trein.
De detective trok zijn revolver en keek uit het venster.
Geruischloos werd de andere deur echter geopend en een stem riep:
„De revolver weg!”
Toen hij zich omkeerde zag hij een elegant gekleed heer met een
ingeslagen hoed, die zijn revolver op hem richtte.
De beide mannen keker elkander een oogenblik aan en voor den
doorborenden blik van Parkinson liet de ander het wapen zakken.
De Bankbeambte was een goedmoedig heer op middelbaren leeftijd.
Hij verdedigde zich absoluut niet en vlug werd het goud uit den waggon
gesleept.
Door het brutale optreden der roovers en het dreigen met de revolvers
lieten de passagiers zich zoo overbluffen, dat zij zonder
tegenspartelen horloges, kostbaarheden en baar geld overhandigden.
Daar zich een groot aantal rijke lieden in den trein bevond, die van
Schotland naar Londen reisden, was de buit aanzienlijk. Het kleine
kistje, dat lady Ilfracombes juweelen bevatte had alleen reeds de
moeite geloond.
Uit een coupé tweede klasse trachtte een slank gebouwd heer in de
duisternis te ontsnappen en hoewel hem meerdere kogels werden
nagezonden, vond zijn voorbeeld toch bij meerdere navolging. Maar het
grootste deel der passagiers bleef kalm in den trein zitten.
Men kan het waarlijk den passagiers niet kwalijk nemen, dat zij niet
meer tegenstand boden, want slechts twee der passagiers waren van
revolvers voorzien, waarvan de een de patronen in zijn koffer had
gepakt, terwijl de ander niet met het wapen kon omgaan.
Parkinson had, hoewel de roof zeer snel in zijn werk was gegaan, nog
nauwelijks tijd om vier bundels brieven snel bijeen te rapen.
Reeds werden de lantaarns der beambten van het naastbij gelegen station
zichtbaar, die kwamen zien, waarom de trein halverwege was blijven
stilstaan.
Zwaar beladen met goud en kostbaarheden liepen de mannen het veld in en
daar werd alles gepakt in een onschuldig uitziend handkoffertje.
Even later liep de trein onder de leiding van den van zijn boeien
bevrijden machinist, het station binnen.
En nu begon de telegraaf te werken.
Er werden lange berichten naar Londen gestuurd, naar de verschillende
bladen, die den volgenden dag het nieuws meldden tot in de kleinste
bijzonderheden.
Slechts vier van de mannen, die den treinaanslag hadden gepleegd,
kwamen den volgenden dag samen in een achterbuurt van een fabrieksstad
in Noord-Engeland.
De Ier ontbrak.
Hij was sinds de misdaad nog niet nuchter geweest en in zijn roes
bazelde hij zooveel en zoolang, dat Parkinson doodsbenauwd was, dat de
kerel zijn mond voorbij zou praten en hem daarom een verdoovingsmiddel
had gegeven, dat hem voor een paar dagen onschadelijk maakte.
De roovers waren niet weinig verbaasd over den storm, dien zij hadden
veroorzaakt.
Overal werd er van gesproken. Iedere krant wijdde er ellenlange
artikelen aan.
De Amerikanen besloten naar hun geboorteland terug te keeren. Parkinson
was van plan, weer naar Londen te trekken, daar hij zich daar het
veiligst gevoelde.
De machinist wist nog niet, waarheen hij zou gaan.
In de „Vliegende Schotlander” zat in een salonwagen een heer in
jachtcostuum.
Hij scheen na lang verblijf uit de Schotsche Hooglanden door Engeland
terug te keeren.
Toen men het station Carhampton naderde, wees de heer, die in deze
streek goed bekend scheen te zijn, zijn medereizigers de plaats, waar
de treinroof was gepleegd.
Ook nu reed de trein uiterst langzaam het station binnen en de heer in
jachtcostuum scheen een beetje zenuwachtig te worden, toen hij op het
perron zooveel politiemannen zag staan.
„Ja,” beweerde de dikke inspecteur, toen hij den vermeenden jager de
handboeien aanlegde, „dat is inderdaad tragisch. Gesnapt, juist op de
plaats van de misdaad. Eerlijk gezegd, waarde heer Parkinson, achtten
wij het te gevaarlijk, u nog dichter bij Londen te laten komen. Ge hadt
ons zoo makkelijk kunnen ontsnappen. Uw zakken zijn zoo zwaar. Wat hebt
ge daar? Laat eens zien!! Goud! Echt goud! Neen maar!!”
De politie had te juister tijd ingegrepen!
En dat gebeurt niet altijd!
Zèlfs niet in Engeland!