BIJ AFBRAAK.

De dag der verkooping was aangebroken.

Reeds in den vroegen morgen kwamen koopers van alle kanten opdagen en

een der eersten was inspecteur Baxter.

Van Brixen ontving hem met groote vriendelijkheid.

„Mijn waarde inspecteur,” sprak hij, „ge hebt mij zooveel diensten

bewezen, dat ik niet mag toestaan, dat je iets koopt. Ik hoop, dat ge

mij zult toestaan, u een en ander als blijk van waardeering aan te

bieden.”

Baxter was ten zeerste verheugd, maar tegelijkertijd ten hoogste

verbaasd over de vrijgevigheid van den man, die als gierigaard bekend

stond.

Hij zocht eenige prachtige dingen uit, waaronder een staande klok en

een inktstel van Venetiaansch brons. Hij liet deze kostbaarheden

terstond naar zijn bureau brengen.

Toen de eerste koopers kwamen, nam Van Brixen afscheid. Hij beweerde,

te ziek te zijn om de verkooping bij te kunnen wonen en liet de

regeling over aan zijn bediende, die voor een neger al buitengewoon

scherpzinnig was.

Voor bijna alles in huis waren aldra koopers gevonden en toen de

kunstvoorwerpen geveild waren, kwamen de meubels, de bedden, de

gordijnen, de schilderijen, de tapijten en andere dingen onder den

hamer.

Eindelijk was het geheel kaal en nu ging men bieden op de stokrozen, de

prachtige palmen en bladplanten uit den tuin.

Zes uren nadat de verkoop was begonnen, waren alle kostbaarheden en

andere voorwerpen reeds verdwenen en slechts de kale muren bleven

staan.

Toen de laatste kooper het huis had verlaten, ging Van Brixen naar

Timmy toe:

„Wij mogen het niet wagen,” sprak hij, „om in een hotel te gaan en daar

we toch niet onder den blooten hemel kunnen slapen, moeten we vandaag

maar per auto er van door gaan.”

Lachend stemde Charly toe en hij ging het voertuig in orde brengen.

Kleeren werden gepakt en alles gereed gemaakt.

Toen strompelde Van Brixen naar buiten en voort ging het.

Eerst werd nog even aangereden bij den heer, die het huis op afbraak

had gekocht en Timmy bracht hem den sleutel, daar den volgenden morgen

met de slooping kon worden begonnen.

Toen ook dit was geschied, liet de zwarte chauffeur, lustig het

„tuf-tuf” hooren en voort ging het door den donkeren nacht.

Zes maanden waren verloopen, sinds Van Brixen met zijn minnares Tatjana

Miroff de reis om de wereld had ondernomen, toen op zekeren morgen de

trein van Southampton de reizigers naar Londen terugbracht.

Daar Van Brixen bij zijn afreis zijn geheele dienstpersoneel had

ontslagen, moest hij wel besluiten om in een hotel te gaan.

Tatjana had Van Brixen op deze reis er toe weten te bewegen om haar te

huwen en hoewel Van Brixen daarvan eerst niet had willen hooren,

besloot hij toch, na de terugkomst in Londen den wensch van zijn

liefste te vervullen.

De reizigers hadden hun lunch gebruikt en Tatjana ging naar haar kamer.

Van Brixen had een auto voor laten komen en reed naar zijn huis in

Goldhawke Road.

Makkelijk leunend in de kussens rookte de meisjeshandelaar een sigaar

en dacht er over na, welke kamers hij in zijn woning voor zijn

aanstaande vrouw zou laten inrichten.

Zoodoende had hij niet bemerkt, dat de auto in de straat was gekomen

waar zijn huis stond en hij verbaasde zich erover, dat de auto langzaam

reed, omkeerde en toen stilhield.

„Ik kan het nummer, dat u genoemd hebt, niet vinden,” zei de chauffeur

toen.

Van Brixen schrikte op.

Een schok vloog door zijn lichaam en met één sprong was hij den wagen

uit.

Waar was hij???

Die huizen rechts en links waren toch de huizen van zijn buren.

Maar zijn huis!!

Waar was zijn huis??

Was dat hekserij?

De chauffeur kon hem geen opheldering geven.

Van Brixen was altijd een man geweest, die vlug een besluit nam en ook

terstond handelde.

Hij had bij zijn vertrek uit Londen de politie opgedragen zijn huis te

bewaken en vond nu niets dan een puinhoop.

Daar moest hij meer van weten.

Vlug sprong hij in de auto en liet zich naar Scotland Yard rijden.

Baxter kwam hem reeds tegemoet en zeide:

„Ah Mr. Van Brixen, zijt ge zoo gauw weer opgeknapt? Ge ziet er

uitstekend uit.”

Van Brixen begreep niets van deze woorden en Baxter vervolgde:

„Komt ge al weer in Londen wonen? De grond van uw vroeger perceel is

nog niet verkocht!”

Nu werd het Van Brixen toch te bont.

Razend riep hij uit: „Zijt ge gek geworden? Wat bedoelt ge toch?”

Baxter snapte absoluut niets van de zonderlinge houding van zijn

bezoeker en vreesde bijna, dat dezen hetzelfde noodlot had getroffen

als Fournier, die nog als ongeneeslijk krankzinnig in het gesticht zat.

Eindelijk sprak hij op schuchteren toon:

„Maar Mr. Van Brixen, gij waart toch zoo vriendelijk om mij deze

voorwerpen te schenken.”

„Wat? Ik? Gedroomd!!!”

„Ik droom volstrekt niet. Ge hebt ze mij gegeven, toen uw huis verkocht

werd voor afbraak.”

Nu was het de beurt van Van Brixen om ten zeerste verbaasd te zijn.

„Wat? Ben ik drie maanden geleden hier geweest? Vanmorgen heb ik voor

het eerst weer voet op Londen’s bodem gezet, waar ik sinds een half

jaar niet geweest ben.”

In Baxter steeg een vreeselijk vermoeden op, doch hij durfde het niet

te uiten.

Twee dagen geleden had hij een brief aan het adres van Mr. Van Brixen

ontvangen en dezen overhandigde hij nu aan den geadresseerde.

Van Brixen las het schrijven.

Hij uitte een kreet van woede, toen hij den inhoud gelezen had en viel

half bewusteloos in een stoel neer.

De inspecteur had het papier, dat op den grond gevallen was, opgeraapt

en las het volgende met steeds stijgende opwinding:

„Mr. Van Brixen.

Toen ik eenige maanden geleden uit uw schrijftafel een collier

wegnam, om dit als bruidsgeschenk aan uw dochter van haar

liefhebbenden vader mee te geven, liet ik een bericht achter, dat

ik binnenkort ook u zou bestraffen, zooals ik Fournier bestraft

had.

Deze domme gek heeft mij door zijn nieuwsgierigheid gedwongen, hem

een ferme les te geven en inspecteur Baxter heeft mij hierbij op

vriendelijke wijze geholpen, toen hij persoonlijk Mr. Fournier naar

het gekkenhuis bracht, waarin hij op het oogenblik nog verpleegd

wordt wegens een idee fixe. Dit bestond daarin, dat hij de eenige

was, die in den valschen Van Brixen dadelijk den beruchten Raffles

herkende.

De straf, die gij door mij ontvingt, is weliswaar hard, doch

volkomen verdiend. Uwe bezitting is vernield, uw antiquiteiten zijn

naar alle winden verstrooid, slechts eenige onbeduidende

kleinigheden zult ge daarvan terug vinden. Deze toch zijn in het

bezit van inspecteur Baxter.

Ten aanzien van dezen heer verzoek ik u als de echte Van Brixen de

belofte te houden, die ik als valsche Van Brixen deed en hem de

voorwerpen, die hem zooveel pleizier deden, als geschenk te laten,

want hij heeft een belooning verdiend; niet wegens groote

voorzichtigheid en scherpzinnigheid, doch wegens de vele diensten,

welke hij mij zoo zelf-opofferend bewezen heeft.

Daar ge u nog verheugen kunt in het volle bezit van uw vermogen,

zal het u gemakkelijk vallen deze verliezen te dragen. Ge hebt

evenwel voor het eerst in uw leven wellicht straf ontvangen voor

wat ge eens aan de armsten der armen hebt misdreven.

Moge deze les u een vermaning zijn voor de rest van uw leven.

Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell · 第 25 / 27 题