ONVERWACHTE TERUGKOMST.

„Wie heeft vandaag de wacht in Goldhawke road?”

„Dickson, inspecteur!”

Baxter had een dienstlijst opgenomen, knikte bevestigend en legde het

blad papier weder in het vakje van zijn schrijflessenaar.

Na hetgeen met Fournier was voorgevallen, had ook Van Brixen zich niet

meer zeker gevoeld.

Hij had geld en kostbaarheden naar verschillende banken gebracht; het

personeel, dat hij nu ook niet meer vertrouwde, was ontslagen en op

zijn verzoek werd zijn huis dag en nacht door de politie bewaakt,

terwijl hij met Tatjana Miroff een reis om de wereld was gaan maken.

Men had terstond een stevige politiewacht op post gesteld in de hoop,

dat Raffles zijn bezoek aan Van Brixen’s huis spoedig zou herhalen.

Op die manier kon Van Brixen met een gerust hart zijn voorgenomen reis

ondernemen.

Baxter, die zich tot dusverre steeds had bemoeid met de zaak Raffles en

in wiens handen ook de leiding berustte, had nu het opperbevel gekregen

over het te bewaken huis.

Sinds Van Brixen’s afreis waren ongeveer twee maanden verstreken,

zonder dat zich tot nog toe iets verdachts had voorgedaan.

Vandaag had agent Dickson de wacht.

Langzaam patrouilleerde hij voor het huis op en neer, toen plotseling

een automobiel zijn aandacht trok, die tamelijk vlug naar Van Brixen’s

woning reed en daar voor de deur stilhield.

Op de plaats van den chauffeur zat een neger, wiens gelaat, zwart als

ebbenhout, scherp afstak bij den gelen kaftan en den rooden fez.

Toen de auto stilhield voor Van Brixen’s woning, kwam Dickson wat nader

en zag nu, dat de neger vlug zijn plaats verliet, het portier opende en

den inzittende hielp bij het uitstappen.

Het duurde lang, voordat er iemand uit het voertuig te voorschijn kwam.

Dickson keek nu extra scherp toe.

Eindelijk verscheen, in dekens en mantels gehuld, een gedaante wier

hoofd geheel in doeken was gewikkeld.

Door den neger ondersteund, die de zwakke gestalte bijkans geheel

scheen te dragen, liep deze langzaam naar de tuindeur.

Dickson had zich voor deze deur opgesteld.

Hij was van plan, ieder den toegang te weigeren.

Daar knikte hem de heer vriendelijk toe en zeide, hem de hand

toestekend:

„Wel, mijn beste Dickson, er is dus niets bijzonders voorgevallen! Ik

hoorde het reeds van den inspecteur. Zooals ge ziet, ben ik heel ziek

en daarom heel wat vroeger terug gekomen, dan ik mij had voorgesteld.

Doe mijnheer Baxter mijn hartelijke groeten en vraag hem of hij mij

eens spoedig op komt zoeken, want ik heb hem belangrijke dingen mee te

deelen. Ik zou natuurlijk wel naar hem toekomen, als ik niet zoo

lijdend was. Ik dank hem en jullie allemaal in ieder geval voor de

moeite.”

Van Brixen schudde de hand van Dickson en liet er meteen een geldstuk

in verdwijnen.

De beambte groette glimlachend en keek eens tersluiks naar het

geldstuk, het was een shilling.

Daar Van Brixen met het openen der poortdeur niet al te goed kon

opschieten kwam Dickson hem dadelijk te hulp.

De zieke dankte vriendelijk en liep nu naar het huis toe, zorgvuldig

door den neger ondersteund.

Dickson was blij van dien vervelenden wachtpost te zijn ontslagen en

begaf zich nu op weg naar Scotland Yard om inspecteur Baxter rapport te

geven van het voorgevallene en hem de groeten van Van Brixen over te

brengen.

Hij vond zijn chef in diens bureau.

Deze was niet weinig verbaasd, dat Van Brixen was teruggekomen, zonder

daarvan vooraf kennis te hebben gegeven.

Doch de ernstige ziekte van den reiziger verklaarde alles en Baxter

besloot dadelijk den ander te gaan bezoeken.

Toen de inspecteur aan de woning had aangescheld en de deur werd

geopend, deinsde hij ontzet achteruit, want in plaats van het

vriendelijke gelaat van de huishoudster kreeg hij het ebbenzwarte

gelaat van een neger te zien.

Nu herinnerde hij zich, dat Dickson had verteld, dat de Hollander met

een neger was teruggekeerd.

Baxter vroeg naar den heer des huizes.

De neger grijnsde, zoodat zijn witte tanden allemaal te zien kwamen en

vroeg toen:

„Hoe jij heeten?”

„Wat???”

De neger grijnsde weer.

„Hoe jij heeten?”

Baxter noemde zijn naam.

„Timmy zal meester vragen of meester thuis is voor jou.”

Floep!!

De deur vloog Baxter voor den neus dicht.

Zijn geduld werd wel heel erg op de proef gesteld, maar eindelijk toch

ging de deur weer open en de neger noodigde den gast met vriendelijken

grijns uit, binnen te komen.

Boven in de studeerkamer wachtte Van Brixen zijn gast.

De kamer was in schemerdonker en Van Brixen zat in een grooten

leunstoel, de voeten rustende op een bankje. Zijn geheele lichaam was

in dekens gewikkeld. Het hoofd van den zieke was in doeken gebonden en

rustte op een kussen. Alleen het puntje van den neus kon men zien.

Toen Baxter met Timmy binnentrad, vloog de neger naar zijn meester toe

en begon hem met een groot palmblad verkoeling toe te waaien.

Baxter nam plaats.

„Hoe gaat het u?” vroeg hij deelnemend.

„Slecht!”

Het kwam er fluisterend uit.

„Wat scheelt u, Mr. Van Brixen?”

„Koortsen. Harde koortsen.”

Onwillekeurig deinsde Baxter achteruit.

„Neen, ge behoeft niet bevreesd te zijn,” stelde Van Brixen hem gerust.

„De dokter in Aden heeft mij palmbladen als waaier aangeraden.”

„Zoo!”

„Ge ziet zelf, hoe ziek ik ben, waarde heer Baxter. Daarom ben ik maar

zoo vrij geweest om u hier te vragen. Ge waart steeds zeer voorkomend

voor mij.”

Baxter boog dankend.

Van Brixen vervolgde:

„...... en daarom zou ik graag uw raad willen inwinnen.”

Baxter luisterde vol spanning.

„Mijn ziekte is van hoogst ernstigen aard en kan slechts in een zachter

klimaat heil vinden. Ik kan mij nauwelijks bewegen en de doktoren

hebben mij geraden mijn woonplaats te veranderen. Als ik in het

vochtige klimaat van Londen blijf, ben ik in drie maanden dood.”

De zieke ademde zwaar en moeilijk.

Timmy begon weer te waaieren.

Na een poosje vervolgde de zieke:

„Ge begrijpt wel, dat ik mij liever wat moeite en lasten geef, dan dat

ik den zekeren dood wil te gemoet gaan. Ik wil alles, wat zich in dit

huis bevindt, laten verkoopen. Ik kan toch al die dingen niet

meenemen.”

„Wat?” viel Baxter in, „wilt ge al die schatten verkoopen? Moeten die

allemaal in vreemde handen vallen?”

„Ja, ik kan er niets anders op vinden. Ik kan die dingen toch niet

behouden, daarom maak ik ze maar te gelde.”

„Dan heb ik een vriendelijk verzoek!”

„En dat is?”

„Ge weet, dat ik zelf antiquiteiten verzamelaar ben.”

„Ja. En?”

„Wees zoo goed, mij den dag van de verkooping mee te deelen, dan vind

ik misschien ook nog iets van mijn gading.”

„Met genoegen! Ik zal trouwens toch mijn vrienden niet vergeten.”

„Dank u!”

Baxter was in de wolken. Hij begreep uit deze woorden, dat Van Brixen

hem wel een mooi geschenk zou geven.

„Nu verder!” sprak de zieke.

„Ge wildet mijn raad nog inwinnen?”

„Juist.”

„En waarvoor?”

„Ik weet niet, wat ik met het huis moet doen. Ik zou het zoo graag héél

gauw willen verkoopen, omdat ik hier zoo spoedig mogelijk vandaan wil.”

„Ja, mijn waarde heer Van Brixen, vergeef mij, maar ik moet openhartig

met u spreken, als ik u werkelijk een goeden raad moet geven. Uw huis

is, ondanks alles, tamelijk oud en bouwvallig. Wie zal het in dezen

toestand willen koopen?”

„Dat heb ik mij ook reeds afgevraagd, maar ge zult wel begrijpen, dat

ik er graag zooveel mogelijk geld wil uitslaan.”

„Ik zou u raden om het huis op afbraak te laten verkoopen.”

De zieke richtte het hoofd op.

Hij scheen zichtbaar verheugd en zeide met een zucht van verlichting:

„Ge hebt gelijk. Ik dank u voor uw vriendelijken raad. Mag ik u nu nog

iets verzoeken?”

Baxter verklaarde, dat Van Brixen geheel over hem kon beschikken en

deze verzocht nu om zoodra mogelijk de noodige advertenties voor de

dagbladen op te geven.

Van Brixen wilde den inspecteur het geld voor de advertenties reeds

vooruit geven.

Deze echter weerde dit af en zeide:

„Ik kan het u toch wel voorschieten. Wij zullen dan later wel

afrekenen.”

Toen nam hij afscheid van Van Brixen, die hem vriendelijk de hand

reikte.

De inspecteur, bang voor koortsbesmetting, roerde echter nauwelijks de

vingertoppen van den zieke aan en verdween.

Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell · 第 19 / 27 题