DE ONTVOERING.

Voor den hoofdingang van de Engelsche Bank hield een deftige auto stil.

De portier snelde toe en hielp den eleganten vreemdeling uitstappen,

die door de groote zekerheid, waarmee hij het groote gebouw binnentrad

zonder een enkele vraag te doen, bewees, dat hij tot de veelvuldige

bezoekers behoorde.

Snel liep hij de vestibule door, legde zijn pelsjas af in de schrijf-

en leeszaal en bleef eenigen tijd in een der kleine kamertjes, die door

geslepen glazen wanden voor nieuwsgierige blikken zijn gevrijwaard,

waar hij ijverig schreef.

Zijn pels over de schouders werpend, liep hij met langzame schreden en

met voorname onverschilligheid de ruime vertrekken door. Hij begaf zich

naar de hoofdkas en scheen daar een oogenblik te weifelen.

Eindelijk naderde hij een der beambten.

De vreemdeling scheen het Engelsch niet volkomen machtig te zijn, hij

sprak het eenigszins gebroken en met een eigenaardig accent. De kassier

wierp een vluchtigen blik op de elegante verschijning.

Terwijl het uiterlijk van den vreemdeling reeds een man uit de hoogste

kringen verried, werd deze indruk nog versterkt door het roode lintje

van het Legioen van Eer, dat hij in het knoopsgat droeg en waarop de

blik van den beambte gevestigd bleef.

De vreemdeling had met eenigen omhaal een document te voorschijn

gehaald en dat den beambte voorgelegd.

Nadat deze kennis genomen had van den inhoud, verzocht hij den

vreemdeling, hem te volgen naar een ander loket en daar eenigen tijd te

wachten.

De onbekende had plaats genomen in een der stoelen en haalde uit den

borstzak van zijn jas het laatst uitgekomen avondblad, om zich daarin

met onverschillig gelaat te verdiepen.

Aan de kas ging het niet zoo kalm toe. Beambten snelden heen en weer,

spraken zacht fluisterend met elkaar en keken telkens in gespannen

aandacht naar den vreemdeling.

Deze scheen echter van al die opgewondenheid niets te merken en was

oogenschijnlijk zeer in zijn lectuur verdiept.

Het document, dat de vreemdeling den beambte had gegeven, was een

wissel van den heer Fournier op naam van markies d’Armand voor een

bedrag van 40,000 pond sterling.

De wissel was door den heer Fournier zelf onderteekend en de echtheid

der handteekening door den bekenden notaris Mr. Longwood onder

bijvoeging van diens ambtszegel gelegaliseerd.

Handteekening en ambtszegel van den notaris waren echt.

Het kwam den ambtenaar alleen maar vreemd voor, dat Fournier over zoo’n

belangrijke som beschikte, daar zijn gansche vermogen slechts 60,000

pond sterling bedroeg.

De vreemde bestudeerde nog steeds de krant en alles, wat er om hem heen

gebeurde, scheen hem absoluut niet te interesseeren, want de kassier

moest zijn naam eerst twee keer noemen, voordat hij opkeek en zich toen

met een beleefd glimlachje verontschuldigde.

Den vreemde werd nu verzocht zich te legitimeeren.

Hij kreeg een reispas uit zijn elegante portefeuille en een

aanbevelingsbrief van den president der Fransche Republiek, die hem

legitimeerde als de boodschapper van een politieke zending.

De heeren aan het raampje wierpen slechts een vluchtigen blik op het

document.

Zonder verdere omwegen werden hem nu de 40,000 pond uitbetaald en met

een hoffelijke, doch koele buiging verliet de markies de Bank van

Engeland.

De portier had het deurtje van de automobiel vlug opengedaan en nam

zijn goudbetreste muts af tot bijna aan den grond.

De vreemdeling had hem twee shilling in de hand gedrukt.

Op den volgenden hoek hield de auto plotseling stil. De vreemde stapte

uit, boog zich over naar zijn chauffeur en vroeg op halfluiden toon:

„Charly, hebt ge Fred Herbes al een boodschap gestuurd?”

„Dat kon ik nog niet, Edward. We wisten immers niet of ons plan zou

gelukken.”

„Juist, dan zal ik het dadelijk telephonisch doen. Wacht een oogenblik,

ik ben dadelijk terug.”

De vreemdeling ging naar een elegant café. Na korten tijd kwam hij

terug, stapte weer in de auto en reed snel naar Goldhawke Road.

De stroomende regen was intusschen wat bedaard.

De wolken braken en de maan trachtte door de vaal-grauwe nevels te

dringen. Maar dit gelukte haar niet en na een poosje verdween zij maar

weer achter het dichte wolkgordijn.

Maar die enkele maanstralen waren toch voldoende geweest om de

automobiel te beschijnen, die pas geleden voor den hoofdingang van de

Bank van Engeland had gestaan en die nu juist verdween achter een

boschje nabij het huis van Mr. Van Brixen.

Hoewel de straat in dichte duisternis was gehuld en geheel ledig was,

vluchtten toch twee donkere gestalten in de schaduw van de dikke

boomstammen.

Het scheen, alsof zij op iets wachtten, dat van de richting van

Hydepark moest komen, want in gespannen aandacht keken zij dien kant

uit.

Nu drong een flauwe schijn door de dichte nevels, die met elk oogenblik

grooter werd en toenam in helderheid.

„Daar zal hij zijn,” fluisterde een der beide schaduwgestalten.

Steeds nader kwam het licht en al spoedig kon men de lantaarns van een

automobiel onderscheiden, die in razende snelheid naderde.

„Geef nu het teeken, Edward.”

Een schril fluiten weerklonk door den nacht.

Dit scheen een afgesproken teeken te zijn, want de snelheid, waarmede

de lichten waren genaderd, nam allengs af en aan het einde der Woodlaan

hield het voertuig stil. Men zag in de duisternis, dat de lampen een

bocht beschreven en dat de auto verdween naar den kant van de stad.

Een korten tijd bleef alles stil, toen klonk weer dat eigenaardige

fluitgeluid door den zwijgenden nacht.

De beide luisterenden beantwoordden het signaal.

„Eindelijk, Mr. Herbes! Wij wachten al sinds geruimen tijd!”

De nieuw aangekomene reikte het tweetal de hand.

„Vergeef mij, markies, en gij ook, beste vriend, als ik liet wachten,

maar ik kon niet eerder komen. Toen ik uw telephonische boodschap

kreeg, wist ik van vreugde nauwelijks wat ik deed, want ik had nog

steeds gevreesd, dat uwe voorbereidingen, waarvan Mr. Bellon mij

verteld heeft, in het laatste oogenblik nog zouden afspringen.”

„Neen, Mr. Herbes,” klonk de welluidende stem van markies d’Armand in

de duisternis, „alles is goed gegaan en ik hoop, dat ge reeds over een

half uur uw wenschen ziet vervuld.”

De jonge man wilde zich uitputten in dankbetuigingen, doch de markies

weerde hem af en zeide:

„Als alles goed geslaagd is, is het tijd om te danken, nu is iedere

minuut nog kostbaar. Vlug dus aan den arbeid!”

Bijna geluidloos liep het drietal over den weg naar het huis van Van

Brixen toe.

Onderweg vroeg de markies den jongen man nog:

„Zijt ge er dus zeker van, dat Van Brixen niet thuis is?”

Deze antwoordde:

„Antje stuurde mij vanmorgen nog een briefje, waarin stond, dat haar

vader op reis was gegaan. Hij had echter ongaarne deze reis ondernomen

aan den vooravond van de bruiloft. Het scheen hier echter een

belangrijke zaak te betreffen, zoodat hij wel moest gaan.

„Bij het afscheid had hij Antje nog verzekerd, dat hij beslist met den

trein van middernacht zou terugkomen.”

„Dan hebben wij des te meer reden om ons te haasten,” zei de markies en

legde zijn hand op de deurklink van de tuindeur.

Deze gaf mee en enkele oogenblikken later waren de drie mannen

verdwenen in het dichte gebladerte.

Het huis lag als uitgestorven; niets bewoog zich. Slechts voor een der

vensters aan den achterkant scheen een zwak schijnsel.

In dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn en

verlichtte de wegen van het park, waarlangs drie mannen zich

voortspoedden.

Een oogenblik was alles stil.

Toen weerklonk plotseling het geroep van een nachtuil.

Hoe stil die kreet ook werd geslaakt, scheen men toch in de kamer, waar

het licht brandde, het geluid te hebben vernomen, want het gordijn werd

ter zijde geschoven, de vleugeldeuren voorzichtig geopend en in het

verlichte raam verscheen een vrouwelijke gedaante.

Wederom klonk diezelfde roep.

De vrouw daarbinnen maakte echter een afwerende beweging met de hand en

wrong als in wanhoop de handen.

Toen hield zij een klein voorwerp in de hoogte, boog zich voorover en

liet het op den grond vallen.

Uit de schaduw der boomen kwam een zwarte gestalte te voorschijn, die

het voorwerp snel opraapte en ijlings weer in de schaduw der boomen

verdween.

Herbes had met de linkerhand zijn wijde jas genomen en hield een tip

voor het voorhoofd, terwijl de markies met een kleine electrische

zaklantaarn bijlichtte.

In dit schuilhoekje ontcijferde Herbes een klein briefje, dat Antje aan

een steen had gebonden en weggegooid.

Zij deelde daarin mede, dat er geen mogelijkheid op een vlucht bestond,

want Van Brixens oude huishoudster had de deur gesloten en het jonge

meisje kon niet bij den sleutel komen.

Herbes was buiten zich zelf, maar de markies zei op fluisterenden toon:

„Dat hindert niets!”

Hij had snel een voorwerp uit den zak gehaald en trachtte nu het einde

van een touw met een ijzeren haak naar het in de tweede verdieping

gelegen venster omhoog te gooien.

De worp mislukte echter en met groot lawaai viel de haak op den steenen

bodem neer.

Allen verschrikten en luisterden in gespannen aandacht of niemand was

opgeschrikt.

Gelukkig echter bleef alles stil.

„Zoo gaat het niet,” fluisterde de markies en hij wierp snel zijn

kostbare pels neer en liep geruischloos naar den draad van een

bliksemafleider, die van het dak naar beneden in het park liep.

De anderen konden een kreet van schrik niet weerhouden. Wat de markies

wilde doen was louter waanzin. Doch reeds had hij het staal gegrepen en

begon zich langzaam omhoog te trekken.

Het lichaam vast tegen den muur gedrukt, klauterde hij als een kat naar

boven.

Zoo bereikte de markies in korten tijd het venster. Hij sloeg zijn arm

om het kruis. Een oogenblik zag men in het vensterkozijn zijn figuur

afsteken, toen verdween hij geruischloos in de kamer.

Hier wikkelde hij een snoer los, dat hij om het lichaam had gewikkeld,

wierp het eind naar beneden en trok de touwladder naar boven.

Hij bevestigde deze nu aan het venster en aldus was in korten tijd een

tamelijk handige weg in orde gebracht.

Toen de nachtelijke bezoeker de kamer binnen kwam, kon Antje nauwelijks

een huivering onderdrukken.

Die man bracht haar de vrijheid en het verwachte geluk en toch rilde

zij voor de uitdrukking van dol-dappere beslistheid, die sprak uit zijn

gelaatstrekken. Hoe vreeselijk wel moest het zijn om dien man tot

tegenstander te hebben!

Den markies ontging het schuwe wezen en de angst van het meisje niet.

Als een man van de wereld wist hij in eenige vriendelijke woorden de

opgewondenheid van de jonge dame te kalmeeren. Hij verzocht haar, zich

vlug voor het vertrek gereed te maken en alle kleinigheden, waaraan zij

gehecht was, in een handtaschje mee te nemen.

„Terwijl gij daarmede bezig zijt, heb ik nog een kleine taak te

vervullen. Wilt ge mij even zeggen, hoe ik het vlugst naar de kamer van

uw vader kom?”

Het jonge meisje schrikte.

Haar gelaat werd lijkbleek.

De markies trachtte haar gerust te stellen:

„Ik geef u mijn eerewoord, dat uw vader in geenerlei gevaar komt. Ik

moet echter een oogenblik in zijn kamer vertoeven.”

Slechts aarzelend gaf Antje hem de noodige aanwijzingen en terstond was

de markies verdwenen, om reeds na enkele minuten terug te komen.

Intusschen waren alle voorbereidingen tot de vlucht gemaakt.

De markies bevestigde de kleine handtasch aan het touw en liet ze in de

diepte glijden.

Hij boog toen voor de jonge dame en sprak:

„Ge veroorlooft mij?”

En voordat Antje wist wat er gebeurde, had hij haar als een kind in

zijn armen genomen en begon nu met zijn last den gevaarvollen

terugtocht langs de wankelende ladder.

Om het slingeren te voorkomen hielden de beiden, die beneden stonden,

het vrije einde vast en spoedig had de markies met zijn beschermelinge

den grond bereikt.

Deze man moet wel reuzenkrachten en een schier ongekende handigheid

bezitten, want men bespeurde bij hem niet de geringste vermoeienis.

Toen hij Antje neerzette, omhelsde Herbes zijn meisje en fluisterde

zachtjes:

„Eindelijk, liefste!”

De markies liet het minnende paar echter geen tijd om teere woordjes te

wisselen, maar dreef hen aan tot spoed.

Voorzichtig door de duisternis sluipend, hadden zij spoedig de tuindeur

bereikt; eenige minuten later zaten allen in de in de boschjes

verscholen staande auto en voort ging het naar het station.

Daar nam de markies voor het paar kaarten naar Southampton. Van daar

uit zouden zij per boot naar Australië oversteken.

Het was nog slechts luttele minuten vóór het vertrek van den trein.

Antje en Herbes waren in een ledige coupé gestapt en stonden voor de

open deur om afscheid te nemen van hunne vrienden.

„En nu,” zeide de markies en hij haalde een pakje uit zijn zak te

voorschijn, „heb ik nog wat te zeggen. Zooals ge weet, had uwe vader de

som van 20,000 pond voor u als bruidsschat bestemd. Wijl Fournier u nu

echter niet tot vrouw krijgt, zag ik volstrekt niet in, waarom hij het

geld moest behouden en ik haalde deze vaderlijke huwelijksgift om ze u

hier te overhandigen.”

Antje en Herbes waren ten hoogste verbaasd en hunne verwondering steeg

nog, toen de markies een étui uit zijn zak haalde en deze Antje

overhandigde.

„Ik vond ook nog dezen kostbaren collier in de kamer van uw vader. Dit

kleinood was natuurlijk bestemd als bruidsgeschenk. Ge ontvangt het dus

bij dezen.”

Juist kwam de conducteur om de coupédeuren te sluiten.

Antje en Herbes namen nogmaals afscheid.

Een schril gefluit—locomotief en trein zetten zich in beweging.

Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell · 第 11 / 27 题