„Het is net zooals ik gedacht heb, Charly”, zei markies d’Armand, die
er heden merkwaardig veranderd uitzag.
Van het elegante puntbaardje was niets meer te zien en zijn rechterhand
draaide aan het kleine snorretje.
Lord Lister bewoonde, onder den naam van markies d’Armand, tijdelijk
met zijn vriend drie ineenloopende kamers in een groot hotel in de City
van Londen.
Hij had zich gemakkelijk in een stoel gevleid en de rookwolkjes van
zijn sigaret stegen naar boven, terwijl hij luisterde naar wat zijn
vriend hem vertelde.
„Natuurlijk zal ik alles aanwenden om de beide kerels te straffen,
zoodat ze eeuwig aan mij zullen blijven denken.”
De lord scheen zeer opgewonden te zijn, toen hij deze woorden uitte.
Zijn voorhoofd lag in diepe plooien en hij wierp de rest van zijn
sigaret met een onwillig gebaar in het aschbakje.
Toen stond hij op en liep de kamer met groote passen op en neer.
Charly had juist de laatste onbetwistbare bewijzen bijgebracht, dat de
Hollander, Geert van Brixen, al sinds een menschenleven zijn reusachtig
fortuin had verworven met den handel in blanke slavinnen.
Zijn vriend Jean Fournier stond hem trouw ter zijde in dit vuile werk,
maar ook deze was door Van Brixen bestolen en bedrogen, die nu den
lastigen man door het huwelijk met zijn dochter den mond wilde snoeren.
Hij scheen zich hierin te hebben bedrogen, want Fournier was met de
bruidsgift van 20,000 pond niet tevreden, doch verlangde op den
bruiloftsdag nog 30,000 pond extra.
Van Brixen zou zich geen oogenblik hebben bedacht, den vrijer af te
wijzen, als hij bovendien geen ernstige reden had gehad om zijn dochter
zoo gauw mogelijk uit huis te krijgen.
Van Brixen, een man van 63-jarigen leeftijd, was tot over de ooren
verliefd op een Russin, Tatjana Miroff.
Zij was operette-zangeres en Van Brixen had haar in Londen leeren
kennen.
Tatjana was niet jong meer, hoewel zij nog zeer voordeelig uitkwam
naast den grijzen Van Brixen, die er nog ouder uitzag dan hij werkelijk
was.
Zij was achter in de dertig, had een opvallend groote gestalte en had,
met de wilskracht van vrouwen op dien leeftijd, al haar hoop gevestigd
op Van Brixen, die haar een schitterend bestaan kon verschaffen.
Met allerlei vrouwelijke kunstgrepen wist zij den dwaas zoover te
brengen, dat hij haar beloofde, met haar een reis om de wereld te maken
en eindelijk vervulde hij haar wensch en werd de dochter het huis
uitgezonden.
Antje, die de verhouding van haar vader tot de Russin begreep, had
zich, door haar minachtende houding, den toorn der vrouw op den hals
gehaald.
Al deze bijzonderheden was Charly te weten gekomen, eveneens dat het
jonge meisje zich in stilte had verloofd met een jong koopman—Fred
Herbes.
„Hebt ge reeds een middel gevonden, hoe de schurken gestraft kunnen
worden?” vroeg Charly.
Lord Lister staakte zijn wandeling en keek zijn vriend ernstig aan; een
lachje verscheen op zijn gelaat en met een zegevierenden blik sprak
hij:
„Ja, Charly, zij zullen allebei hun straf krijgen en vooral Van Brixen
op een manier, zooals nog nooit een schurk gestraft werd.”
„Wat ben je van plan?” vroeg Charly.
John Raffles maakte echter een afwerende beweging en antwoordde:
„Laat dat voorloopig mijn geheim blijven! Nu mogen wij echter geen tijd
verliezen, want Mr. Fournier zal nog heden zijn straf krijgen.”
Hij zette zijn vriend zijn plan uiteen.
Charly vond het uitstekend en spoedig had hij zich zoo verkleed, als
dat noodig was voor de truc, die Lord Lister voorhad.
Niemand zou in den chauffeur, wiens gelaat gedeeltelijk was verborgen
achter een grooten stofbril en wiens kin was omgeven door een blonden
baard, Charly Brand hebben herkend.
John Raffles keek peinzend voor zich uit.
Toen keek hij op zijn horloge en fluisterde:
„Het wordt tijd!”
Een poosje hield hij zich bezig met zijn toilet voor een kleinen
driedubbelen spiegel en toen hij dien eindelijk in een handkoffer
wegborg, samen met een kistje, dat naast hem had gestaan, was het
kleine snorretje van Lord Lister verdwenen en hijzelf veranderd in
Markies d’Armand met een ringbaard.
Hij schoof den grendel terug van de deur, welke hij had afgesloten,
toen Charly de kamer had verlaten. Maar hij verliet de kamer nog niet.
Markies d’Armand scheen iemand te verwachten, want hij keek
herhaaldelijk op zijn horloge.
Het duurde niet lang of een kellner bracht het visitekaartje van een
heer, die den markies wenschte te spreken.
Dat moest wel de verwachte zijn, want de markies wierp een vluchtigen
blik op het kaartje en zei terstond:
„Laat dien heer binnen komen!”
De kellner ging heen en enkele oogenblikken later trad monsieur
Fournier de kamer binnen.
Hij was hoogst elegant gekleed in visite-toilet. In zijn knoopsgat
droeg hij een camelia. Hij scheen in uitstekend humeur te zijn.
De markies liet zijn blik langs de figuur van den bezoeker glijden.
Glimlachend sprak hij:
„Wel, m’n beste vriend, als ik niet wist, dat ge op het punt staat om
te trouwen, zou ik denken, dat ge aanzoek gingt doen.”
„Het is bijna hetzelfde, waarde markies,” antwoordde de Franschman met
een slim knipoogje.
Daarna deelde hij den luisterende mede, dat hij besloten had om aan den
vooravond van zijn bruiloft afscheid te nemen van zijn jongelingsleven.
„Het zal een prachtig feest worden”, besloot hij zijn geestdriftig
verhaal, „ik zeg u, er zijn prachtige vrouwen bij en ik zou het mij tot
een eer rekenen als ik u, markies, als mijn gast zou mogen beschouwen.”
„Ik ben helaas....” begon de genoodigde zijn antwoord, toen de
Franschman, die dacht een domheid te hebben begaan, snel inviel:
„Natuurlijk zal het een eer voor mij zijn, ook uw vriend, Mr. Bellon,
te kunnen begroeten.”
„Mijn vriend kan van deze allervriendelijkste uitnoodiging geen gebruik
maken, daar hij voor eenigen tijd op reis is. En ik heb helaas reeds
mijn woord gegeven.”
Fournier zag er heel ongelukkig uit na deze woorden en vroeg toen op
bescheiden toon:
„Zoudt ge zelfs niet voor een oogenblikje kunnen komen? Wij blijven
heel lang bijeen.”
De markies sprak glimlachend:
„Zeker wil ik niets beloven, maar als ge het niet erg vindt, dat ik
laat kom, zal ik misschien nog verschijnen!”
„Heel graag!”
„En laat ons nu naar uw schoonvader gaan om de financieele kwestie in
orde te maken, waarbij gij mijn tegenwoordigheid hebt gevraagd.”
„Met groot genoegen. Ik dank u.”
„Tot uw dienst.”
De beide heeren liepen naar de deur, toen de markies plotseling bleef
staan en op luchtigen toon vroeg:
„Juist, dat is ook zoo! Ge wilt in onze club worden opgenomen!”
De oogen van den Franschman schitterden.
Zijn gestalte scheen grooter te worden en in gespannen aandacht
luisterde hij.
„Ik heb reeds met het bestuur gesproken. Ge moet uw verzoek
schriftelijk indienen. Ik heb reeds een copie voor u opgemaakt, die ge
nog slechts behoeft te onderteekenen, dan kan ik ze hedenavond nog in
de club afgeven.”
De markies was bij deze woorden weer naar de schrijftafel gegaan en had
een portefeuille te voorschijn gehaald, waaruit hij een papier kreeg.
Dit legde hij voor Fournier neer.
Deze nam de pen en wilde het papier onderteekenen, toen de markies zijn
hand vasthield en met een glimlachje sprak:
„Neem me niet kwalijk, beste vriend, dat ik je opmerkzaam maak op een
kleinigheid, die gij inderdaad hebt over het hoofd gezien. In onze club
worden de zeden en gebruiken uit de groote wereld met pijnlijke
nauwkeurigheid gadegeslagen. Zooals ge toch zeker wel weet en slechts
per vergissing over het hoofd hebt gezien, zet men zijn onderteekening
steeds op de derde zijde van een velletje papier.”
Fournier haastte zich te verzekeren, dat hij dit gebruik, dat hij
natuurlijk kende—hoewel hij zich met den besten wil van de wereld niet
kon herinneren, ooit zooiets gehoord te hebben—slechts inderhaast had
vergeten en hij schreef zijn naam op het derde kantje.
Uit de oogen van den markies, die achter den schrijver stond, schoot
een zegevierende blik, toen vouwde hij het papier dicht, stak het in
den zak en zei:
„Zoo, nu kunnen we meteen naar den notaris gaan.”
„Naar den notaris?”
De Franschman vroeg het op verlegen toon.
„Zeker, naar den notaris; ge weet toch zeker wel, dat iedere
onderteekening bij zoo’n verzoek om te worden opgenomen, door den
notaris moet worden bekrachtigd?”
Fournier was heelemaal in de war.
Hij beijverde zich echter om zijn voornamen vriend terstond te
verzekeren, dat ook dit hem natuurlijk wel bekend was.
Toen de beide heeren in de auto plaats namen, sloeg de chauffeur
groetende aan.
De markies noemde het adres van een notaris en nu ging het in suizende
vaart verder.
Nadat hier de noodige formaliteiten waren vervuld, beval de markies
zijn chauffeur om naar de woning te rijden van Mr. Van Brixen in
Goldhawke Road.
De Franschman straalde.
Hij groeide in het bewustzijn, naast een echten markies de straten van
Londen te kunnen doorkruisen.
Als hij had vermoed, dat het verzoek tot opname met een vluchtigen inkt
was geschreven, die reeds na twee uren weer vervloog, zonder een spoor
achter te laten, dan zou zijn humeur wel zijn veranderd.