AFGELUISTERDE GEHEIMEN.

In Goldhawke Road stond een onaanzienlijk klein huis midden in een

tamelijk grooten tuin, waarin de heerlijkste bloemen geurden.

Het huisje scheen zich daar in het westen van Londen, te midden van

fraaie villa’s en huizen, die wel kasteelen geleken, niets op zijn

gemak te gevoelen. Somber staken de grauwe muren uit het sappige groen

op.

Hoe onooglijk dat huisje er uitwendig ook uitzag, zulke kostbare

schatten verborg het in zijn binnenste.

De eigenaar was een Hollander, Van Brixen, die meer dan tien jaar

geleden het stuk grond kocht en het had den man heel wat moeite gekost

om te worden toegelaten tot de goede gezelschapskringen, daar men

allerlei vreemde dingen fluisterde omtrent het verkrijgen van zijn

geweldigen rijkdom.

Maar ten slotte had toch het goud gezegevierd over alle mogelijke

vooroordeelen.

Nu straalden, tot aan het dak, alle vensters in helderen glans en de

nieuwsgierigen, die gelokt door de walsmelodieën voor het hek bleven

staan, konden in de ruime vertrekken van het parterre-gedeelte een

feestelijk uitgedoste menigte zich zien bewegen.

De rijke Hollander had een tamelijk groot gezelschap uitgenoodigd en

allen waren gaarne gekomen, want men wist, dat Van Brixen steeds

uitnemend zorgde voor de gezelligheid zijner gasten.

Heden had de heer des huizes, meer nog dan gewoonlijk, alles in het

werk gesteld om het feest te doen slagen, want hij wilde de verloving

van zijn dochter Antje met een handelsvriend, den heer José Fournier,

een Franschman van geboorte, vieren.

De bruidegom was jaren geleden in Londen komen wonen en leidde in deze

stad een vroolijk jonggezellenleven.

Vandaag gloeide de kleine, beweeglijke Franschman van trots. Een

onbeduidend voorval had hem eenige dagen geleden in kennis gebracht met

een heer uit de hoogste aristocratische kringen van Zuid-Frankrijk.

Hij zat in een der voornaamste café’s van Londen en aan een tafeltje

vlak bij het zijne zat een elegant heer van omstreeks

vijf-en-dertigjarigen leeftijd, die zich in het Fransch onderhield met

een veel jongeren heer.

Fournier, wiens scherp oog de voorname manieren der heeren niet

ontgingen, werd door nieuwsgierigheid geprikkeld, toen hij Fransch

hoorde spreken.

Hij trachtte herhaaldelijk kennismaking aan te knoopen, door een krant

te vragen, die de vreemdeling had terzijde gelegd, om wat vuur te

verzoeken voor zijn sigaar en op alle mogelijke manieren de aandacht op

zich te vestigen.

Het toeval kwam hem te hulp.

Toen de beide heeren het café wilden verlaten, nam de oudste heer uit

vergissing de kostbare pels van Fournier om deze aan te trekken.

Deze maakte nu van de gelegenheid gebruik en maakte den vreemdeling

allerbeleefdst opmerkzaam op zijn vergissing.

Natuurlijk haastte de vreemdeling zich, zijn verontschuldigingen aan te

bieden en in het gesprek, dat zich thans ontspon, stelde hij zich voor

als markies d’Armand en zijn vriend als monsieur Bellon uit Bordeaux.

In zijn groote zucht naar voorname kennissen klampte Fournier zich aan

den markies vast.

Deze van zijn kant, scheen het niet meer dan beleefd te vinden, dat hij

de vergissing weer eenigszins goed maakte, het gesprek werd

vriendschappelijker en nog dienzelfden avond vertelde Fournier van zijn

„intiemen” vriend, den markies d’Armand.

Hoewel hij doorgaans het café eerst om vijf uur des middags bezocht,

ging hij er den volgenden dag reeds om één uur heen, in de stille hoop,

er den markies te zullen aantreffen.

Hij moest in ieder geval tot vijf uur geduld blijven oefenen, maar toen

ook werd zijn wachten beloond, want inderdaad betrad het tweetal weder

de café-zaal.

Terstond begroette de Franschman den markies op zeer luiden toon.

Tot zijn groote vreugde ging het tweetal bij hem aan het tafeltje

zitten en het drietal was al heel gauw in een levendig gesprek

gewikkeld.

De vreugde over de nieuwe voorname kennismaking had Fournier zoozeer in

verrukking gebracht, dat hij den vorigen nacht den slaap niet had

kunnen vatten.

Rusteloos had hij op zijn legerstede gelegen en overwogen hoe hij wel

het meest van dit buitenkansje kon profiteeren.

Hij had het volgende bedacht:

Over eenige dagen zou hij de verloving vieren met Antje, de dochter van

zijn vriend Van Brixen.

Dit feit had voor hem veel aanlokkends, want in de eerste plaats was

zijn bruid een mooi meisje en voorts kreeg zij een aanzienlijken

bruidsschat mede.

En hoe heerlijk zou het wezen, als de voorname landsman door zijn

tegenwoordigheid het feest zou opluisteren?

Ja, zoo moest het zijn!

Hij moest den markies zien over te halen om het feest, dat Van Brixen

gaf, te bezoeken.

Terwijl hij zich thans in het café met de vrienden onderhield en zijn

best deed om zich van den aardigsten kant te toonen, kwam hij met zijn

plan voor den dag.

En tot zijn groote vreugde was er niet al te veel overredingskracht

voor noodig om den markies en zijn vriend te bewegen te zullen komen.—

— —

Van Brixen, die hoopte door de nieuwe kennissen van zijn schoonzoon in

de hoogere kringen te worden toegelaten, was eveneens zeer verheugd en

had de vreemdelingen vol trots aan het overige gezelschap voorgesteld.

Onder een groep dichte palmen stond een bank van Japansch riet, die een

aangenaam plaatsje bood aan allen, die tijdelijk het dansgewoel wilden

ontvluchten.

Deze wintertuin was inderdaad een kijkje waard.

Zeldzame Oostersche planten, die voor groote sommen waren aangekocht,

gaven het geheel een sprookjesachtigen aanblik.

Op de bank van Japansch riet zaten twee heeren.

De oudste van hen droeg in het knoopsgat van den eleganten rok den

rooden strik van het kruis van het Legioen van Eer.

De fijne, witte rechterhand aan wier pink een kostbare brillant

glinsterde, streek over den welverzorgden puntbaard, de mond vertrok

zich tot een verveeld gapen en hij sprak tot zijn jongeren begeleider:

„Weet je, Charly, ik heb grooten lust om heen te gaan.—Dit sterk

gemengde gezelschap is toch echt vervelend. Ik had zoo gehoopt, hier

allerlei interessante dingen te vinden, daar het verleden van onzen

gastheer en ook dat van vriend Fournier allerlei geheimen moet

verbergen, maar ik zie mij teleurgesteld.”

De heer, die met Charly werd toegesproken, wilde juist antwoorden, toen

zijn vriend hem met een snelle beweging het zwijgen oplegde en met de

rechterhand naar de deur wees, die uit de balzaal in den wintertuin

leidde.

Door die deur waren juist twee heeren binnen getreden, die de palmgroep

naderden, in welker schaduw de beide vrienden zaten.

Naast een klaterende fontein bleven zij staan en de kleine, bewegelijke

Franschman sprak tot zijn vriend en toekomstigen schoonvader op

halfluiden, opgewonden toon:

„Neen, Geert, dat doe ik niet!”

Van Brixen legde zijn hand op den arm van den Franschman en antwoordde

met een vette stem:

„Maar Jean, wees toch verstandig! Twee oude vrienden als wij....... Je

kent mij toch— —”

„Ja, juist omdat ik je ken”, antwoordde Fournier, „juist daarom blijf

ik op mijn stuk staan. Juist omdat ik je ken, verlang ik de

vijftigduizend pond op zijn laatst op den dag vóór de bruiloft.”

„Maar dat is toch onzin, Jean!—Ik vind het best, dat je op den dag voor

de bruiloft geld krijgt, maar dan de twintigduizend pond, die als

bruidsschat zijn bestemd. Het andere— —”

„Och wat, om het „andere”, zooals gij het belieft te noemen, is het

juist te doen. Denk je misschien, dat ik er op gesteld ben, voor die

ellendige twintigduizend je dochter te nemen? Neen, ik zou willen, dat

we nu eindelijk eens tot een vergelijk komen. Als ik mijn leven van

jonggezel opgeef, wil ik ook weten, waarom ik het doe!”

Van Brixen lachte een beetje gedwongen.

Toen sprak hij op jovialen toon:

„Kom, wordt nou asjeblieft niet sentimenteel! Het huwelijk zal jou niet

erg uit je gewone doen halen.”

De kleine Franschman keek zijn vriend doordringend aan en sprak op

korten, scherpen toon:

„Wil je doen, wat ik voorstel, ja of neen?”

Van Brixen zuchtte diep.

Toen zeide hij:

„Als jij, ouwe bloedzuiger, niet anders wilt, dan vooruit maar!”

„Afgesproken! Ik wist het wel, Geert, dat je verstandig zoudt zijn,

maar je hebt niet de minste reden om mij een bloedzuiger te noemen.”

De kleine Franschman had den Hollander de rechterhand toegestoken en

deze sloeg er in met weemoedig gebaar.

Toen gingen de beide „mannen van eer” arm in arm naar de balzaal terug.

Markies d’Armand had met stijgende belangstelling geluisterd naar het

tweegesprek.

Zijn verstandige oogen volgden de zich verwijderende heeren en toen

deze in de balzaal waren verdwenen, sprak hij tot zijn vriend:

„Nu heeft het toeval ons voor eenige interessante raadsels geplaatst.

Onze zegslieden hadden dus volkomen gelijk toen zij beweerden, dat die

Hollander en zijn vriend samen gewichtige geheimen hebben. Voor niets

betaalt men geen dertigduizend pond.”

„Dan blijven we hier zeker nog wat?” vroeg de jongste van het tweetal.

„Ik denk het wel.”

„Zullen we naar de zaal teruggaan?”

„Ik blijf liever hier, want ik vermoed, dat deze klaterende fontein mij

nog meer geheimen zal verraden. Als jij naar de feestzaal terug wilt

gaan, Charly....”

De markies scheen juist te hebben gezien, want plotseling ging een

kleine deur open, die van het park naar den wintertuin leidde en twee

jonge meisjes traden het plantenhuis binnen.

De fontein scheen een geweldige aantrekkingskracht uit te oefenen op

alle binnentredenden, want ook zij schreden langzaam er heen en gingen

in een nis zitten.

Een lachje vloog over het gelaat van den markies en hij sprak tot zijn

vriend:

„Als die bekoorlijke dametjes ook geheimen hebben, zullen deze wel van

heel wat onschuldiger aard zijn!”

„Ach, Maud, ik ben zoo diep ongelukkig!”

De oudste der beide jonge meisjes slaakte deze verzuchting en ze boog

haar hoofdje, dat een schat van blonde vlechten torste, naar den

schouder van haar vriendin.

Deze was ongeveer negentien jaren.

Zij was van gewone grootte. Haar figuur kon men bijna te slank noemen

en haar fijn besneden gelaat vertoonde een voor haar leeftijd ongewoon

ernstige uitdrukking.

Zij had den arm om haar vriendin geslagen en sprak met een diepe,

welluidende stem:

„Maar Antje, doe het dan niet! Niemand kan je toch dwingen!”

„Je kent mijn vader niet. Wat hij wil, moet gebeuren. Maar voordat ik

dien ellendeling trouw, spring ik liever met Fred in het water.”

In haar opwinding was de dochter des huizes opgestaan en nu stond zij

daar, den rechterarm tegen den stam van een palm geleund, in half

trotsche, half wanhopige houding, de linkerhand, waarin zij een zakdoek

hield, tegen de oogen gedrukt.

Maud, die meer beslist optrad dan haar vriendin, sprak op verwijtenden

toon:

„Maar Antje, blijf toch bedaard! Als iemand je zoo eens kon zien!—Wij

zullen er wel een weg op vinden! Je moet je nu beheerschen en mee gaan

naar de gasten!”

Haar vriendin troostend als een klein kind, troonde zij het jongemeisje

mee naar den ingang der zaal.

„Bravo!—Dat meisje staat mij aan,” zeide de markies. „Die treedt flink

op en handelt kranig. Wat zou je er van denken, Charly, als gij die

kleine miss eens het hof gingt maken en tevens trachttet te vernemen,

wie „Fred” is, met wien die arme Antje zich wil verdrinken?”

„Als je er een bedoeling mee hebt, wil ik het graag doen!”

„Ja, zeker heb ik dat. Onze gastheer en zijn waarde vriend schijnen wel

de moeite van nauwkeurige waarneming waard. Ik geloof, dat hier iets

voor ons te doen is.—Jij belast je dus zoo’n beetje met de kleine Maud

en tracht een en ander te hooren van Fred. Maud is een mooi en lief

meisje, die taak zal je dus niet al te zwaar vallen”, voegde markies

d’Armand er glimlachend aan toe.— —

Charly ging naar de balzaal om zich van zijn opdracht te kwijten.

De markies bleef nog eenige oogenblikken op de bank zitten.

Hij scheen over iets na te denken.

Eindelijk stond hij op en begaf zich eveneens naar de balzaal.

Op zijn gelaat lag een sarcastisch glimlachje en op half luiden toon

mompelde hij:

„Raffles als de beschermengel van een paartje, dat aan ongelukkige

liefde lijdt—wel, dat is weer eens iets anders!— —”

Toen mengde hij zich onder de dansenden.

Lord Lister No. 0039: De krankzinnige van Hanwell · 第 4 / 27 题