EPILOOG,

uitgesproken door een Danser.

Eerst mijn vrees, dan mijn buiging, ten laatste mijn aanspraak. Mijn

vrees is uw ontevredenheid, mijn buiging mijn plicht, en mijn aanspraak

een bede om verschooning. Als gij nu een schoone aanspraak verwacht,

dan ben ik verloren; want wat ik te zeggen heb, is van mijn eigen

maaksel, en wat ik inderdaad moest zeggen, zal, vrees ik, mijn eigen

verderf zijn. Doch ter zake, en dus op goed geluk af. Het zij u dan

bekend,--zoo als u het zeer wel bekend is,--dat ik hier onlangs kwam

op het eind van een niet welgevallig stuk, om er uw toegevendheid

voor in te roepen en u een beter te beloven. Mijn plan was, om u de

waarheid te zeggen, u met dit stuk te betalen; en zoo dit, als van

een slechte reis, ongelukkig terugkomt, maak ik bankroet en gij,

mijn toegenegen schuldeischers, verliest. Hier, heb ik beloofd, zou

ik wezen, en hier geef ik mijn persoon aan uw genade over; scheldt

mij iets kwijt, en ik betaal u iets; en beloof u, zooals de meeste

schuldenaars doen, onmetelijk veel.

Als mijn tong u niet bewegen kan om mij kwijtschelding te verleenen,

wilt gij mij dan bevelen, mijn beenen te gebruiken? En toch ware dit

slechts een magere betaling, de schuld aan u weg te dansen. Maar

een braaf geweten zal de menschen op alle mogelijke wijze willen

voldoen; en dit wil ik. Alle edele vrouwen hier hebben mij vergiffenis

geschonken; als de edele heeren het nu niet willen, zijn de heeren

het met de vrouwen niet eens, en dit is iets ongehoords in zulk

een vergadering.

Nog één woord, als het vergund is. Als gij niet te zeer oververzadigd

zijt van vet vleesch, zal onze onderdanige schrijver de geschiedenis

vervolgen, met Sir John er in, en u verlustigen met de schoone

Catharina van Frankrijk; daarin zal ook, voor zoover ik weet,

Falstaff zich dood zweeten, als hij niet reeds vooraf door uw harde

beoordeeling is omgebracht; want Oldcastle stierf als martelaar en

dit is de man niet.

Mijn tong is moede; als mijn beenen het ook zijn, zal ik u goede

nacht wenschen. En zoo kniel ik voor u neder; doch, in waarheid,

om voor de koningin te bidden.

Koning Hendrik de Vierde · 第 78 / 79 题