Warkworth. Voor het kasteel van Northumberland.
Het Gerucht komt op, geheel met tongen beschilderd.
GERUCHT. Ontsluit uw ooren; want wie uwer stopt
Des hoorens poort, zoo 't luid Geruchte spreekt?
Van 't oosten tot het nederzijgend west
Onthul ik, rijdend op den wind als renner,
De daden, op deez' aardbol aangevangen.
Voortdurend zweeft er laster op mijn tongen,
En dien verkondig ik in elke taal,
Der menschen oor met valsche tijding vullend.
Van vrede spreek ik, als verholen haat,
Schijngoedig lachend, diep de wereld wondt;
En wie, dan het Gerucht, dan ik alleen,
Brengt benden saâm en schrikk'lijk wapentuig,
Wijl 't jaar, hoog opgezet door ander leed,
Heet groot te gaan bij den aartswoestling Krijg,
Schoon 't niet zoo zij? Een fluit is het Gerucht,
Waar gissing, argwaan, ijverzucht op blaast,
Met kleppen, zoo gemakk'lijk voor den greep,
Dat zelfs het stomp, ontelbaar-hoofdig monster,
De wisselzieke, steeds verdeelde menigt'
Er op kan spelen. Doch waartoe dient dit,
Dat ik mijn wezen, elk bekend, ontleed,
Voor mijn gezin hier? Wat doet hier 't Gerucht?
Ik loop hier koning Hendriks zege voor,
Die op het bloedig veld bij Shrewsbury
Den jongen Heetspoor en zijn macht versloeg,
En in der oproerlingen bloed de vlam
Des koenen opstands doofde. Doch wat dwaasheid,
Dat ik met waarheid aanvang? 't Is mijn taak,
Als nieuws te melden, dat prins Hendrik Monmouth
Voor 't grimmig zwaard van de' eedlen Heetspoor viel,
En dat de koning zelf voor Douglas' woede
't Gezalfde hoofd ten doode heeft geneigd.
Dit heb ik uitgestrooid in stad en vlek
Van 't vorsten-kampperk af te Shrewsbury
Tot dit verweerde, halfvervallen slot,
Waar Heetspoors vader, graaf Northumberland,
Sluw krank ligt. Moede boden komen aan,
Doch geen brengt ander nieuws dan ik hun leerde,
Elk zoeten schijntroost, komende uit mijn mond,
Veel erger dan een waar bericht, dat wondt.
(Het Gerucht af.)