Falstaff en Bardolf komen op.
FALSTAFF. Bardolf, ben ik niet schandelijk afgevallen na die laatste
geschiedenis? vermager ik niet? slink ik niet weg? Verduiveld,
mijn vel hangt om mij heen als het huiskleed van een oude madam; ik
ben zoo verschrompeld als een goudpippeling. Nu, ik wil tot mijzelf
inkeeren, maar dan terstond, terwijl ik nog wat goed in 't vleesch ben;
binnenkort zal ik zoo min wezen, dat ik de kracht niet heb, om tot
mijzelf in te keeren. Als ik niet vergeten ben, hoe een kerk er van
binnen uitziet, ben ik een peperkorrel, een brouwerspaard! Een kerk
van binnen! Mijn omgang, mijn nietswaardige omgang heeft mij bedorven.
BARDOLF. Sir John, gij zijt zoo neerslachtig, gij hebt niet lang meer
te leven.
FALSTAFF. Ja, zoo is het.--Kom, zing mij eens een schuinsch liedje,
vroolijk mij wat op. Ik was zoo deugdzaam gezind, als een man van
stand behoeft te zijn, deugdzaam genoeg; vloekte weinig, dobbelde niet
boven de zeven keer in de week, ging in slechte huizen niet meer dan
eens in een vierendeel--uurs; betaalde het geld, dat ik borgde, drie-
of viervoudig; leefde ordelijk en hield behoorlijk maat,--en nu leef
ik recht ordeloos en buiten alle maat.
BARDOLF. Nu, ge zijt zoo dik, Sir John, dat ge wel buiten alle maat
moet zijn, buiten alle redelijke maat, Sir John.
FALSTAFF. Verbeter jij je gezicht, en ik wil mijn leven beteren. Je
bent onze admiraal, je draagt de lantaren aan den achtersteven,--neen,
ze zit bij je in den neus; je bent de Ridder van de brandende Lamp.
BARDOLF. Kom, Sir John, mijn gezicht doet u geen kwaad.
FALSTAFF. Neen, dat wil ik je wel bezweren, ik maak er een even
goed gebruik van, als menigeen van een doodshoofd of een memento
mori. Ik zie nooit je gelaat, of ik denk aan het helsche vuur en
aan den rijken man, die in purper leefde; want daar zit hij al
in zijn praal en brandt en brandt. Was je eenigermate aan de deugd
verkleefd, dan zou ik zweren bij je gezicht; mijn eed zou wezen: "Bij
die vuurvlam, die de engel Gods is." Maar je bent gansch en al aan de
zonde verslaafd, en zoudt inderdaad, zonder dien gloed op je gezicht,
de zoon wezen van de buitenste duisternis. Toen je bij Gadshill den
heuvel opliept om mijn paard te vangen,--als ik toen niet dacht,
dat je een dwaallicht of een bliksemvuurbol waart, dan is er voor
geld niets meer te koop. O, je bent een eeuwigdurende fakkeloptocht,
een onuitblusschelijk vreugdevuur. Je hebt mij een duizend marken
aan toortsen en kaarsen uitgehaald, als ik 's nachts met je wandelde,
de eene herberg uit, de andere in; maar voor de sek, die je mij hebt
opgedronken, had ik bij den duursten kaarsenmaker in Europa even zoo
goedkoop kaarsen kunnen hebben. Ik heb dien salamander van je nu al
twee en dertig jaren van vuur voorzien, God loone 't mij!
BARDOLF. Verduiveld, ik wenschte, dat mijn gezicht in uw buik zat!
FALSTAFF. God beware me! dan had ik den brand in mijn ingewanden.
(De Waardin komt op.)
Hoe is het, mevrouw Koekeloer? Ben je er achter, wie mijn zakken
geleegd heeft?
WAARDIN. Wel, Sir John, wat denkt ge, Sir John? Denkt ge, dat ik dieven
in mijn huis heb? Ik heb gezocht, ik heb gevraagd, en mijn man ook,
man voor man, jongen voor jongen, meid voor meid; geen tiende van
een haar is er ooit in mijn huis zoek geraakt.
FALSTAFF. Gelogen, waardin; Bardolf is er geschoren geworden en heeft
er menig haar verloren; en ik durf zweren, dat mijn zakken geleêgd
zijn. Loop heen, je bent een vrouwmensch; ga!
WAARDIN. Wie, ik? Neen, zeg dat nog eens! God in den hemel! zoo heeft
mij nog niemand in mijn eigen huis genoemd.
FALSTAFF. Loop heen, ik ken je door en door.
WAARDIN. Neen, Sir John; ge kent mij niet, Sir John; ik ken u, Sir
John; ge zijt me geld schuldig, Sir John; en nu zoekt ge twist om
van mij af te komen. Ik heb u een dozijn hemden op het lijf gekocht.
FALSTAFF. Paklinnen, voddig paklinnen; ik heb ze aan bakkersvrouwen
weggegeven en die hebben er builen van gemaakt.
WAARDIN. Wat! zoowaar ik een eerlijke vrouw ben, Hollandsch linnen van
acht schellingen de el! Bovendien zijt gij hier ook nog geld schuldig,
Sir John, voor uw eten, en het tusschen in drinken, en geleend geld,
vier en twintig pond.
FALSTAFF (op Bardolf wijzend). Hij heeft ook zijn deel er van gehad,
laat hem betalen!
WAARDIN. Hij? lieve, God, hij is arm, hij heeft niets.
FALSTAFF. Wat! hij arm? Zie zijn gezicht eens aan; wat noem je
dan rijk? laat hem munt slaan uit zijn neus, munt slaan uit zijn
wangen. Ik betaal geen duit. Wat, wil je een grasgroenen jonker van
mij maken? Zou ik mijn gemak niet kunnen nemen in mijn eigen herberg,
zonder dat men mij de zakken leêgt? Ik ben er een zegelring van mijn
grootvader mee kwijt geraakt, die zijn veertig marken waard is.
WAARDIN. O Jezus! ik heb den prins ik weet niet hoe dikwijls tegen
hem hooren zeggen, dat die ring van koper was.
FALSTAFF. Wat! de prins is een weerhaan, een uitknijper;
verduiveld! als hij hier was, zou ik hem afrossen als een hond,
zoo hij dat zeide.
(Prins Hendrik en Poins komen op, marcheerend; Falstaff gaat den Prins,
die op zijn commandostaf als op een fluit speelt, te gemoet.)
FALSTAFF. Hoe is het, mijn jongen? Waait de wind uit dien
hoek? Waarachtig? moeten wij allen marcheeren?
BARDOLF. Ja, twee aan twee, als gevangenen naar Newgate.
WAARDIN. Mylord, ik bid u, hoor mij.
PRINS HENDRIK. Wat is er, vrouw Haastig? Hoe maakt uw man het? Ik
mag hem wel; hij is een eerlijke kerel.
WAARDIN. Beste mylord, hoor mij aan!
FALSTAFF. Ik bid u, laat haar loopen en luister naar mij.
PRINS HENDRIK. Wat wil je dan, Hans?
FALSTAFF. Kort geleden ben ik 's avonds hier in slaap gevallen, daar
achter het tapijt, en toen zijn mij de zakken geleêgd; dit huis is
een spelonk geworden; zij leêgen er iemand de zakken.
PRINS HENDRIK. Wat ben je er meê kwijt geraakt, Hans?
FALSTAFF. Wil je wel gelooven, Hein, drie of vier schuldbekentenissen
van veertig pond elk, en een zegelring van mijn grootvader.
PRINS HENDRIK. Een bagatel, een ding van acht stuivers.
WAARDIN. Dat heb ik hem ook gezegd, mylord; en ik zeide, dat ik het uwe
genade had hooren zeggen; en, mylord, hij spreekt allerschandelijkst
van u, zoo'n vuilbek als hij is, en zeide, dat hij u zou afrossen.
PRINS HENDRIK. Wat! dat zeide hij toch niet?
WAARDIN. Als het niet waar is, is er geen waarachtigheid of eerlijkheid
of vrouwelijkheid in mij.
FALSTAFF. Je bent niet waarachtiger dan gestoofde pruimen, niet
eerlijker dan een opgejaagde vos, en wat de vrouwelijkheid betreft,
kan bij vergelijking juffer Marianne van den moorendans voor een
buurtmeestersvrouw doorgaan. Loop, schepsel, loop rondom!
WAARDIN. Zeg, wat voor een schepsel? wat voor een schepsel?
FALSTAFF. Wat voor een schepsel? wel een schepsel, om God voor
te danken.
WAARDIN. Ik ben geen schepsel, om God voor te danken, onthoud dat maar;
ik ben een eerlijken mans vrouw; en, je ridderschap er buiten gelaten,
je bent een schelm, dat je mij zoo noemt.
FALSTAFF. En, je vrouwelijkheid er buiten gelaten, je bent een beest,
dat je het beter wilt weten.
WAARDIN. Zeg eens, wat voor een beest, jij schelm?
FALSTAFF. Wat voor een beest? wel, een otter.
PRINS HENDRIK. Een otter, Sir John! waarom een otter?
FALSTAFF. Waarom? Wel, zij is nòch vleesch nòch visch; een mensch
weet niet, waar haar toe te brengen.
WAARDIN. Je bent een lasteraar, als je dat zegt; gij en iedereen weet,
dat ik nergens toe te brengen ben, jij schelm, jij!
PRINS HENDRIK. Je hebt gelijk, waardin; en hij belastert je op
afschuwelijke manier.
WAARDIN. Dat doet hij u ook, mylord; en hij zeide nog kort geleden,
dat gij hem duizend pond schuldig waart.
PRINS HENDRIK. Wat, man! ik je duizend pond schuldig?
FALSTAFF. Duizend pond, Hein! een millioen; je vriendschap is een
millioen waard; en je vriendschap ben je mij schuldig.
WAARDIN. Neen, maar mylord, hij noemde u een weêrhaan, en zeide,
dat hij u zou afrossen.
FALSTAFF. Heb ik dat gezegd, Bardolf?
BARDOLF. Zeker, Sir John, dat hebt ge gezegd.
FALSTAFF. Ja, als hij zeide, dat mijn ring van koper was.
PRINS HENDRIK. Ik zeg, hij is van koper; durft ge zoo goed als je
woord nu wezen?
FALSTAFF. Wel, Hein, je weet, voor zoover je slechts een man bent,
durf ik; maar voor zoover je een prins bent, vrees ik je, als het
gebrul van een leeuwenwelp.
PRINS HENDRIK. En waarom niet als de leeuw?
FALSTAFF. De koning zelf is te vreezen als de leeuw. Denk je, dat
ik je zal vreezen, zooals ik je vader vrees? Neen, als ik dat doe,
straff' mij God en moge mijn gordel bersten!
PRINS HENDRIK. O, als dat gebeurde, hoe zou je pens om je knieën
flodderen! Maar, kerel! voor waarheid, eerlijkheid en oprechtheid
is er in je lijf geen plaats; het is volgepropt met darmen en
vet. Een eerlijke vrouw van zakkenrollerij te beschuldigen! Wel,
jij liederlijke, onbeschaamde, opgezwollen schelm, als er iets in je
zak zat dan herbergiersrekeningen, nota's uit knippen, en voor een
armzaligen stuiver kandijsuiker om de keel glad te houden,--als je
zakken gevuld waren met andere ongerechtigheden dan deze, dan ben
ik een schurk. En toch durf je volhouden, dat je geen onrecht zoudt
opsteken! Schaam je je niet?
FALSTAFF. Laat ik je zeggen, Hein: je weet, in den staat van onschuld
is Adam gevallen; wat zou dan de arme Hans Falstaff doen in de dagen
der verdorvenheid? Je ziet, ik heb meer vleesch dan andere menschen
en daarom ook meer zwakheid. Je erkent dus, dat je mij de zakken
geleêgd hebt?
PRINS HENDRIK. Dit schijnt wel te blijken.
FALSTAFF. Waardin, ik vergeef je. Ga, maak het ontbijt gereed;
bemin je man, ga je bedienden na, zorg goed voor je gasten; je zult
mij voor alle gezonde redenen toegankelijk vinden; je ziet, ik ben
bevredigd.--Nog iets?--Neen, ik bid u, ga heen. (De Waardin af.) Nu,
Hein, nu van het nieuws aan het hof; die straatrooverij, jongen,--hoe
is dat in het effen gebracht?
PRINS HENDRIK. O, mijn lieve rollènde, ik moet altijd je goede engel
zijn.--Het geld is terugbetaald.
FALSTAFF. Hm! ik houd niet van dat terugbetalen; 't is dubbel werk.
PRINS HENDRIK. Ik ben met mijn vader op goeden voet en kan alles doen.
FALSTAFF. Plunder dan vóór alles de schatkist, en wel zonder omslag
te maken.
BARDOLF. Ja, doe dat, mylord.
PRINS HENDRIK. Ik heb je een commando te voet verschaft, Hans.
FALSTAFF. Te paard zou mij liever geweest zijn. Waar kan ik er
een vinden, die behoorlijk kan stelen? O, zoo'n knappen dief van
twee-en-twintig of daaromtrent! Ik ben schandelijk aan lager wal. Nu,
God zij gedankt voor die opstandelingen; zij doen niemand kwaad dan
de braven; ik prijs, ik loof hen.
PRINS HENDRIK. Bardolf!
BARDOLF. Mylord?
PRINS HENDRIK. Breng dit stuk aan Lord John van Lancaster,
Mijn broeder John,--dit aan Lord Westmoreland.--
Kom, Poins, te paard! te paard! Wij hebben saam
Vóór 't middagmaal een dertig mijl te rijden.--
Gij Hans, kom morgen in de Tempelzaal
Tot mij te twee uur na den middag.
Daar neemt ge uw dienstbrief in ontvangst en geld,
Met last, hoe gij uw volk hebt uit te rusten.
Gansch England brandt, en hoog draagt Percy 't hoofd;
Het zijne valle, of 't onze zij gekloofd!
(De Prins, Poins en Bardolf af.)
FALSTAFF. Vuurwoorden! dapp're wereld!--Wijn hier, kom!--
Ha, 'k wenschte mij dit wijnhuis voor mijn trom!
(Falstaff af.)