VROEG RIJPE JEUGD.

--En ik zeg dat 't 'n ongepermitteerd schandaal is, dat ze aan zulke

apen van jongens tappen--ze bennen mirakel--God zal me bewaren, maar ik

zou zoo'n slokkiesbaas kunnen doodslaan, en de kruidenier, die met zijn

twee knechts op de stoep is gekomen om, evenals zijn buren, naar het

opstootje voor de deur staat te kijken, wordt rood van kwaadheid als hij

vervolgt:

--Die eene is waarachtig niet ouwer dan dertien of veertien jaar, hij

moest 'r reis frisch voor z'n vermaak hebben.

--Als 'k mijn jonge zóó trappeerde, sloeg 'k 'm z'n armen en beenen

stuk, valt zijn buurman, de bejaarde melkverkooper, die over 't stoephek

leunt, in.

--Nou word ik d'r beroerd van, ik ga naar binnen, zegt de kruidenier, en

tot zijn knechts: Kom Jan,--kom Gerrit, laat ze maar in d'r vet gaar

smoren, 't is te misselijk om er langer naar te zien.

't Zijn drie jongens, tusschen dertien en vijftien jaren oud die de

geheele buurt in opschuddig hebben gebracht.

Stomdronken schreeuwend en joelend, razend en vloekend, zijn ze komen

aanzeilen uit de dwarsstraat.

--Precies als groote dronke-geweldenaars, beweert de banketbakkersvrouw,

in wier winkel ze een glas hebben ingeslagen, omdat de deur voor hun

neus werd dichtgedaan.

Nadat ze ieder meisje of vrouw, die ze tegenkwamen, op de meest

onhebbelijke wijze hebben gemolesteerd, heeft de groenteverkoopster, die

even haar onderhuis had verlaten, het moeten ontgelden. Haar uitstalling

hebben ze baldadig door elkander gesmeten en getracht een mandje druiven

te stelen. 't Is hun niet gelukt en daarom zijn ze, vloekend en tierend,

nog een paar huizen verder gegaan en eindelijk over elkander, op de

stoep van den garen- en bandwinkel neergetuimeld.

De jongste knaap leunt, bleek en zonder pet, met de zwarte haren voor

zijn lodderige oogen, den mond half opengezakt, schier wezenloos

ineengedoken tegen den stoepkant, nu en dan even opkijkend en tegelijk

een paar ongearticuleerde tonen uitstootend, die hij als begeleiding

bedoelt, van 't gezang der twee oudere, die op aandoenlijke wijs "We

gane nog niet dood" blaêren.

De twee magere oude juffrouwen, die reeds sedert jaren als brave

fatsoenlijke gezusters, de garen- en bandaffaire drijven, zien met

verschrikte oogen en booze gezichten, waarop duidelijk het: en zoo iets

moet nu bij ons op de stoep gebeuren, te lezen staat, door de ruit der

winkeldeur, die ze op het nachtslot hebben gedaan.

Voor de jongens staat de groote, stoere groentevrouw en slaat met de

eene hand heftig en hard klinkend op de andere, terwijl ze luidkeels

schreeuwt:

--Laaielichter, gappers ben jelui, maar mijn ken je niet beduvele--ik

ben jelui te kwiek af geweest, en tot de omstanders:

--Ja, als ik niet casuweel d'r op ankom, gappe ze me een heel mandje

blauwe druiven weg--maar 'k snapte ze en nou blijven ze d'r lekker

nuchter van--en weer tot de jongens: Jelui most naar 't buro, maar nou

is d'r geen agent te zien, in geen velde of wege. Ja, zoo gaat 't hier

altijd!

--Vrouw, maak je niet driftig, dat vee is 't niet waard: 't groeit op

voor 't rooie dorp, zegt een burgerman, die geheel het uiterlijk heeft

van een rentenierend bakker of slager.

--Nou.... Vee! dat kan wel 'n beetje minder, hé? vraagt een verloopen

kerel, met een lompe beweging zich voor den rentenier plaatsend--jij

bent zeker nooit sikker geweest, in je jonge dagen, hé? Jij lust ze

zeker niet, hé?

--Wel ja, 'k zou nog partij trekke voor dat stelletje, roept de

groenvrouw en nijdig bijt ze den kerel toe:--jij bent zeker, toen je

zoo'n aap van 'n jaar of vijftien was, ook al aan de jandoedel geweest,

daarvan zie je d'r nou ook uit als een vieze vaatdoek--en met den

elleboog hem op zij stootend:--Ga weg vuilik!

--En we gane nog niet do-od, niet do-o-od! joelen de jongens, zonder

ophouden.

De menigte groeit aan en verspert de nauwe straat, zoodat de rijtuigen

niet dan met moeite kunnen voorbijkomen.

Allerlei meeningen worden door de verzamelde menschen uitgesproken, maar

niemand steekt een hand uit om de jongens van de stoep te halen, totdat

een fatsoenlijk burgermeisje, dat eerst met uitgerekten hals,

nieuwsgierig, tusschen de anderen door heeft gekeken, eensklaps een

kreet uitstoot en dan naar voren dringt, tot dat ze vlak voor de stoep

is.

Bleek van schrik, bevend en onthutst staart ze de jongens aan; bijna

schreiend zegt ze:

--Och God, 't is Piet! En meteen bukt zij zich naar den jongsten knaap,

vat hem bij den arm en tracht hem op te heffen.

--Och God! wat zal moeder schrikken, toe kom met me meê dan zal ik je

naar huis brengen.

De jongen ziet haar versuft aan, en beproeft op te staan, de andere

knapen trekken hem weer naar beneden op de stoep en onthalen het meisje

op de gemeenste, liederlijkste scheldwoorden.

--Kom Piet, luister nou niet naar die schooiers, ga nou maar meê; ik

zal wel zorgen dat moeder 't niet merkt.--Toe dan, kom! en tot de

menschen, die het geval aangapen, zegt ze schreiend:

--Hij is pas dertien jaar en moeder is weduwe,--en dat's nou al de

tweede keer van de week,--kom Piet, toe jongen!--hou je maar aan me

vast.--Blijf jelui van m'n lijf af, gemeene rakkers, toe Piet!... is d'r

dan niemand die me 'reis helpen wil?

Een paar mannen komen eindelijk het meisje te hulp--de jongen wordt op

zijn beenen gezet en aan den arm van zijn zuster, die hem met goede

zachte woorden zoekt te paaien, gaat hij eindelijk, zonder pet, gehavend

en vuil, een eind mee, maar niet verder dan tot op de brug; daar bedenkt

hij zich, rukt zich met geweld los en presenteert vloekend zijn zuster,

als ze hem nog langer vasthoudt, een pak slaag. Schreiend keert het

meisje terug, langzaam haar broer volgend, die zijn kornuiten weer

opzoekt.

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 49 / 50 题