EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.

We zaten samen in 't hotel Egener te Probolingo aan 't ontbijt. Hij was

na mij binnengekomen en had zich, op de in Indië gebruikelijke wijze,

aan mij voorgesteld met de woorden:--Mag 'k eens even met u kennis

maken. Mijn naam is Verbeke.

--Ik heet van Maurik!

--Justus van Maurik?

--Juist.

--Och! dat doet me plezier--ik heb in de kranten wel gelezen dat u een

bezoek aan Indië brengt, maar 'k had nog niet het genoegen u te

ontmoeten. En toch heb ik, vooral in den laatsten tijd, dikwijls aan u

gedacht.

--Ei, hoe komt dat zoo?

--Wel! ik heb zoo nu en dan wat van u gelezen en daarbij dacht ik: als

ik dien man sprak zou ik hem voor de curiositeit mijn levensgeschiedenis

eens willen vertellen. Een auteur moet, dunkt me, graag zoo iets hooren,

al is 't maar om zijn menschenkennis te verrijken of er later stof in te

vinden voor een schets of novelle. 'k Heb dikwijls gedacht; hoe halen de

schrijvers de dingen bij mekaar? Ze moeten zeker hier en daar lui

vinden, die hen op de hoogte brengen van een en ander....

--Dat ziet u aan u zelf meneer ... hum?...

--Verbeke. Willem Frederik Hendrik Verbeke. Ja, 'k ben een Toewan! 'k

heb drie mooie voornamen, maar daar koop je niet veel voor.... Dus 't

zou u interesseeren als ik u vertelde, welk toertje ik al zoo door de

wereld heb gemaakt?

--Natuurlijk, maar mag ik even mijn notitieboekje halen, dan teeken ik

de hoofdpunten aan--mijn geheugen laat mij soms in den steek.

Hij lachte eventjes en streek met zijn hand over zijn dunnen rossigen

knevel;--Ga gerust je gang, meneer, maar wanneer je 't avond of morgen

mijn lotgevallen vereeuwigt, zet dân een anderen naam in je boek,

asjeblieft? Ik heb nog veel familie in Holland en die lui mochten zich

eens ergeren; 't zijn daar zulke brave zielen, weet u! Steunpilaren van

de kerk. 'k Heb twee dominees in mijn familie en ettelijke ouderlingen.

De witte das is erfelijk in ons geslacht.

--Steek eens op, meneer! 'n lichte sigaar--eigen fabrikaat, 't is

meteen een adreskaartje van den fabrikant, al rookend vertelt men

gemakkelijker.

--Graag! Ja 'k heb al menig sigaartje van je naar den blauwen hemel

geblazen en soms terwijl ik een boek van je las. Dan dacht ik zoo: wat

'n wonderlijke combinatie--sigarenfabrikant en schrijver--die man moet

een goed standje hebben. Hij raakt ze van alle kanten ha, ha, ha!

--'t Is een dringende noodzakelijkheid dat ik fabrikant blijf, want van

zijn pen kan men in Holland niet leven, daarvoor is 't land te klein,

ergo....

--Verkoopt u sigaren. Koko blanda! Hollandsche sigaren in

blikverpakking, gegarandeerd tegen wormen, insecten en vocht. Hij sprak

snel en op één toon, als iemand die een les opzegt. Je ziet wel meneer,

dat ik de reclame-biljetten uit je kistjes van buiten ken, maar je hebt

schoon gelijk! Je moet turf opdoen zoolang je turven kunt, komt de oude

dag dan heb je een beetje brandstof in huis om je stijve knoken bij te

warmen. 'k Heb ook altijd zoo gedacht in den beginne, maar och! mijn

turf is me tusschenbeiden door vrienden en buren afhandig gemaakt, en 'k

ben er zelf ook wel 'n beetje ruw mee omgesprongen, Sepada!--hij riep

den jongen:

--Minta whisky-soda? Mag ik u ook een glas offreeren?

--Dank u, 't is me nog te vroeg, 'k heb hier mijn thee nog staan.

--Och! ik drink ze alleen uit gewoonte om iets te hebben wat m'n tong

vochtig houdt; 'k heb zeker 'n droge lever!--Sedikit whisky! zei hij tot

den jongen, die hem inschonk. 'k Neem er maar een spoor whisky in, om

een smaakje aan 't Apollinariswater te hebben. U zou kunnen denken, dat

ik, hij maakte de bekende beweging, van dât hield. Och heer! neen, dat

is 't geval niet, zoolang ik onder de tropen ben, heb ik in alle

opzichten matig geleefd. 'k Heb dagelijks één enkel bittertje gebruikt

uit oud-Hollandsche gewoonte, vóór den eten en 's avonds een toddy of

een paar splitjes (half glas whisky soda) anders zag ik er zóó niet uit

op mijn vijf en veertigste jaar en 'k ben toch van mijn twee en

twintigste al in Indië. Kijk! 'k heb nog een goeien kop met haar en mijn

oogen zijn ook nog perfect.

Ik keek mijn nieuwen kennis oplettender aan. Hij was een man van

middelbare lengte, met een opgeruimd, bruingelig gelaat en helderblauwe

oogen, die frank en vrij onder borstelige, rossige wenkbrauwen

rondkeken. Zijn neus was nog al dik, maar met zeer bewegelijke vleugels,

die op een zenuwachtig temperament wezen en als hij sprak, trok hij nu

en dan zijn bovenlip in 't midden min of meer driehoekig op, zoodat

onder zijn overhangenden dunnen knevel, de gave witte voortanden

zichtbaar werden. Over 't geheel genomen, had hij iets goedigs zelfs

iets kinderlijks in zijn uiterlijk, dat, ofschoon het een zeer

burgerlijk type had, toch volkomen fatsoenlijk en volstrekt niet

ordinair was.

In den loop van het gesprek viel 't mij op, dat hij de gewoonte had, om

van tijd tot tijd een der punten van zijn langen snor in den mond te

nemen en er op te bijten, terwijl hij zijn gedachten scheen te

verzamelen. Zijn handen, ze waren zeer goed verzorgd, schoon sproeterig

en zonverband van boven, hield hij ze al sprekend, geen oogenblik stil.

Nu eens krabbelde hij met zijn lange zindelijke nagels aan de korte

stoppels, die aan zijn kin uitbotten, dan weer plukte hij met zijn

vingers aan zijn jaslapellen of streek door zijn kort geknipt, dik

rosblond haar. Zijn geheele persoonlijkheid was overigens kalm, zijn

manier van vertellen klaar, kort en duidelijk, soms bijna cynisch en

zeker zou men hem een volkomen rustig man hebben kunnen noemen, indien

niet zijn handen zoo voortdurend in beweging waren geweest.

--'k Ben in Friesland geboren, begon hij, op een klein dorp, waar mijn

vader plattelands geneesheer was. 'k Heb nog een veel ouderen broer, die

dokter is te Amsterdam--en ik ben ook begonnen met 't gymnasium, maar 'k

had geen kop voor Latijn en Grieksch. Toen heb ik 't over een anderen

boeg gegooid en ben gaan leeren voor den post- en telegraafdienst. 'k

Was bijna klaar en zou examen doen, maar daar trof me een ongeluk met

schaatsenrijden; ik kneusde mijn been erg, heel erg; 'k was er lang mooi

mee! 't Genas eindelijk maar 't eene was cirka een halven decimeter

korter geworden dan 't andere. Niets aan te doen, hoor! Ik was

gesjochte, want even van te voren was voor de post- en telegraafbeambten

de keuring ingesteld en ik kon dus met mijn te korte been naar huis

hompelen.

Goeie raad duur! Wát te doen? In Holland liggen de baantjes niet

opgeschept. 'k Had een broer in Indië, ook al dokter, dien 't naar den

vleesche ging. 'k Had hem geschreven: Jan, mijn eene poot is voor goed

opgetrokken en heeft mijn carriére in de war geschopt, kun jij me ook in

je apeland gebruiken?

Jan was een goeie, hartelijke kerel en schreef me dadelijk terug: "Wim

kom maar over, 'n aap meer of minder hindert hier niet. Ik zal je wel op

een koffieland plakken, daar kun je zoo mank loopen als je wil!"

'k Ben een vol jaar bij hem blijven logeeren om aan 't klimaat te wennen

en de taal te leeren, want ik kon me beter redden met boerenfriesch, dan

met Maleisch of Javaansch, dat snap je wel. 'k Had 't Javaansch vrij

gauw te pakken, Maleisch leerde ik van zelf onder de hand en toen ik

zoo'n beetje van alles wat de planterij aangaat op de hoogte was, kwam

ik als assistent op een koffieland. 'n Hondenbaantje hoor! Toen daarna

in de tabak. Ja, ik heb misschien menig plantje verzorgd wat u later tot

je onvergelijkelijke sigaren hebt laten verwerken. Van de tabak kwam ik

in de suiker en van de suiker weer in de koffie: maar hoewel ik goed

mijn brood had en zelfs een aardig stuivertje overlei, begon me dat

eenzame leven op die plantage de keel uit te hangen. Eten en drinken heb

je plenty, je kunt je zelfs vet mesten als je er lust in hebt--maar

leven? Neen! dat doe je op zulke ondernemingen eigenlijk niet, je leidt

een plantenleven. Daar ben ik de man niet naar, 'k ben een veel te

jolige knaap, 'k hou van pret, van lachen, van dwaasheid op z'n tijd, en

op zoo'n land is 't altijd en eeuwig koekoek-één-zang. Soms zag ik weken

lang geen ander Europeaan, dan m'n collega, een saaie, droge vent, die

me verveelde.

'k Schreef weer aan Jan: "Broêr" schreef ik, "als je niet wilt dat ik

hier vastgroei of als een knol in den grond blijf zitten, kijk dan eens

voor me uit naar wat anders."

--Kom maar hier--antwoordde Jan--dan zullen we op ons gemak voor je

uitkijken.

Ik weer naar mijn broêr; die was toen al aan 't sukkelen. Beroerd hè?

dat zoo'n dokter zich zelf niet cureeren kan en nog beroerder dat hij

zoo precies weet wanneer ongeveer zijn lampje uitgaat.

Als je je rept Wim! zei hij, dan kan ik je misschien precies nog een

handje helpen, vóór ik de pijp uitga. Nu dat heeft ie dan ook gedaan;

door zijn toedoen en verlichting heb ik mijn examen kunnen doen als

opzichter bij den Waterstaat. Tegenwoordig maken ze die examens heel wat

zwaarder, maar toen ik het deed was 't nog zóó erg niet. Wel zat je zes

dagen lang tegenover drie inspecteurs, die je, met permissie! 't hemd

van je lijf vroegen, maar 't ging goed--ik rolde er heerlijk door met

nog een ander; maar de rest werd afgewezen. Enfin! troost jelui je maar,

zei ik, drie gekken kunnen meer vragen dan één verstandig mensch

beantwoorden kan.

Ik lekker, dat vat je! En m'n broer had er deeg van; hij liep in zijn

laatste schoenen, dat zag ik wel en den avond voor we hem dood in zijn

bed vonden zei hij nog tegen me: Wim! dat hebben we 'm nog net gelapt,

ouwe jongen! Kijk jij nou een beetje, dat mijn vrouw en kinderen goed

naar Holland komen.

Goddank! ze konden leven, Jan was altijd zuinig en oppassend geweest.

Een heele poos ben ik opzichter bij den Waterstaat geweest, maar veel

vooruitzicht had ik niet en 'k begon ook alweer genoeg te krijgen van

dat dwarskijkersbaantje; 'k heb me nooit lang bij één ding kunnen

bepalen, dat merk je wel! Daar gebeurde me iets wat je toeval of fortuin

zou kunnen noemen. 'k Was te Samarang en maakte er kennis met een

Engelschman. Toen die mijn naam hoorde vroeg hij: Ben jij soms een broêr

van dokter Verbeke? Ja! dan doet 't me plezier je te ontmoeten ... jouw

broer heeft mij radicaal van de spruw genezen, ik was destijds een arme

slokker en hij heeft me nooit laten betalen: daar ben ik hem nog altijd

dankbaar voor!

Ik vertelde hem, dat ik mijn bekomst had van den Waterstaat en dat ik

wat anders wou beginnen. Well! zei de Engelschman, word aannemer. Je

zegt immers dat je wat geld hebt--ik ben toevallig in de gelegenheid om

je goed werk te bezorgen. Je kunt op mij rekenen! 'k Hoor hem nog

zeggen:--Your brother cured my body, I shall cure your affairs! En hij

hield woord! Ik nam mijn ontslag, werd aannemer en hij bezorgde mij

plenty werk. Zie je, dat was nog eens een man die voor een ander wat

over had.

Jongens, ik bofte toen zoo! In vier jaren tijd had ik een goeie

zestigduizend gulden overgelegd, 'k had royaal geleefd en me waarachtig

niet verkniesd. Was ik destijds aannemer gebleven dan zou 'k misschien

nu een ton of wat in de wereld hebben, maar de duivel mag weten hoe 't

kwam, ik kreeg van de aannemerij ook al weer genoeg. 'k Geloof dat ik

toen, voor mijn doen, te veel geld had, en dat de broodkruimels me

staken. Op aanraden van een goed vriend--de satan mag hem voor mijn part

halen--kocht ik een koffieplantage.

De rakker wist wel dat 't ding geen geld waard was, maar hij kreeg zijn

provincie en dáárom was 't hem te doen. Dat was God beter 't een

landsman. Ja! van je vrinden moet je 't maar hebben.

't Begon me tegen te loopen; in de boontjes lukte 't niet. Eerstens

waren de gronden niet goed en tweedens hielp Toewan Allah niet meê.

Mislukte oogsten, ziekte in de boonen, slechte prijzen, alles werkte

samen om me uit te kleeden. 'k Zat in een minimum van tijd in de beer en

wel zóó dik, dat ik geen gat meer zag om er uit te komen.

'k Wist geen raad en dacht: waarom zal ik nou langer al die soesah

hebben. Kinderen hou ik er niet op na, mijn familie in Holland zal me

niet missen, ik blaas me een blauw boontje in m'n kop en Soedah!

Maar 'k heb het niet gedaan en weet je wie me terug gehouden heeft? Mijn

huishoudster!

Je begrijpt wel dat 'k in Indië zoo'n nuttig meubel hebben moest, en

toen ik er eenmaal toe overweging om zoo'n inventarisstuk aan te

schaffen, heb ik er naar mijn beste weten een uitgezocht van goede

kwaliteit. 'k Heb nog al een gelukkige hand in dat soort van zaken--en

daarom trof ik 't zeker ook zoo best. Ik kreeg een Boegineesche, Sina

heette zij. Mooi was ze zoolang ze heel jong was, later had ze toch een

dragelijk gezicht, maar trouw! trouw meneer! als een hond. Ik heb haar

achttien jaren lang bij me gehad, nu is ze sedert een paar maanden

dood....

Verbeke zweeg even, beet op de punt van zijn knevel, keek naar zijn

lange nagels, nam toen een teugje whisky-soda en vervolgde:

--Ja! ze is dood, 't onthandt me erg, want ze deed alles voor me. Enfin

je kunt niet eeuwig bij mekaar blijven, hé? Maar om op mijn

koffieplanterstijd terug te komen: ik wou me dan maar gewoonweg voor den

kop schieten en 'k zou 't gedaan hebben ook, wanneer Sina me niet 't

pistool uit de hand had geslagen. Ze gooide 't voor mijn oogen in de

kali en zei:--Ben jij een man en kan jij je ongeluk niet dragen? Toewan

Allah heeft je eerst rijkdom gegeven, dien heb je aangenomen--nu neemt

hij je het geld weer af--moet je je daarom doodschieten? Foei! ik ben

maar een zwakke vrouw, maar ik heb meer moed dan jij--Ajo! wees

vroolijk; ik heb den goeden tijd met je doorgemaakt, ik zal je ook door

den slechten helpen. We zullen er samen wel komen. Zij bracht mij een

goede achthonderd gulden, die zij bespaard had en zei: dáár! dat heb ik

nog, daar beginnen we weer mee!

Sina's broer was tuinjongen bij me en haar vader had ik als mandoer op

mijn land. Je begrijpt, met de familie van je huishoudster bemoei je je

nooit--je blijft altijd Toewan tegenover die lui--maar toen ik met Sina

't land afging, waren ze erg beroerd, ze hadden kasian met ons.

--Ja, die vader van Sina was een wonderlijke kerel, goed van hart, maar

een driftkop. Hij had in vroeger jaren, voor hij getrouwd was met Sina's

moeder, een perkara gehad met een anderen inlander en wel door een

haan--dat wil ik u even en passant vertellen, 't teekent zoo'n beetje de

toestanden onder die lui.

Hij had namelijk een vechthaan, die zich meten zou met dien van zijn

neef. U weet zeker wel dat de inlanders dolle liefhebbers zijn van

hanengevechten en dikwijls bij die gelegenheden voor hun doen groote

sommen verwedden. Soms zelfs verspelen zij op die manier hun heele

hebben en houden, hun huis, hun sieraden, kortom alles! 't Is een

passie, die hen volkomen beheerscht.

Nu gebeurde het dat de haan van mijn schoonvader het verloor, zijn neef

lachte hem daarom uit, ze kregen woorden en om een eind aan de zaak te

maken trok Sina's vader zijn kris en stak zijn soedara overhoop. Hij

vluchtte naar Makassar, werd daar aangeworven als cavallerist en kwam in

later jaren weer op Java terug. Daar nam hij een andere vrouw, zijn

vorige was te Makassar gebleven, en kreeg een dochter, Sina, mijn

huishoudster.

Hij was waarachtig een eerlijke flinke kerel, dat heeft hij me later

bewezen, maar dat zal ik u strakjes vertellen, laat 'k nu bij mijn eigen

lotgevallen blijven.

Met het geld van Sina begon ik weer zoo hier en daar een klein werkje

aan tenemen. 'k Had nog genoeg relaties en 't gelukte me er weer in te

komen. Eerst vlotte 't niet te best, maar eindelijk kreeg ik beter werk

en binnen een groote anderhalf jaar had ik weer een dikke vijfduizend

gulden over. Sina administreerde mijn duiten, begrijp je? En ze deed dat

zóó goed, ze hield van zóó weinig huis en paste zóó op alle kleintjes,

dat ik zelf verwonderd was dat we 't in ieder opzicht royaal hadden en

toch zoo bitter weinig uitgaven. Daar kreeg ik op eens een groote

aanneming voor Menado op Celebes, een werk waar een ferme duit aan te

verdienen was. Ik moest er natuurlijk zelf heen, maar wou Sina niet mee

nemen--'k had haar genoeg geld gegeven en voor alles gezorgd, zoodat zij

't goed kon hebben zoolang ik weg was--ze scheen zich te schikken in de

scheiding, maar toen ik goed en wel op de boot zat, zag 'k haar op eens

voor me, met haar vader. Ze kwamen me smeeken haar meê te nemen. Eerst

wou ik er niet van weten; 'k was nijdig, want 'k vond het onhebbelijk

dat ze me tegen mijn zin gevolgd was, gaf haar een frisch standje en zei

tegen haar vader:--neem haar weer mee; 'k kan haar op reis niet

gebruiken, maar ze lei als een hond aan mijn voeten, ze omvatte mijn

knieën en riep: "ik zal sterven als mijn heer heengaat en ik weet hij

kan mij niet missen, hij heeft Sina noodig om voor zijn geld te zorgen.

Och! neem me meê anders kom je arm terug" en vader zei: "Sina heeft geen

ander in haar hart, laat haar niet sterven?"

't Was een allernaarste historie, een scène van belang aan boord. Enfin!

ik liet me verbidden en zei:--nu in Gods naam dan, blijf! Toen zoende ze

mijn handen, mijn voeten, ze kroop voor me op den grond, meneer en met

al die malligheid was de boot onder stoom gegaan en waren we al een heel

eind van de pier. Schoonpapa had er evenmin op gelet als wij, maar toen

hij zag dat ik Sina bij me hield, kreeg hij het in eens in de gaten.

Slamat djalan! riep hij ons toe, trok achter uit zijn hals zoo'n lang

mes, dat hij op zijn rug onder zijn baadje had, nam 't tusschen zijn

tanden en jumpte overboord. Hij zwom naar land, dat is voor zoo'n

Boeginees maar een kleinigheid....

--En dat mes, meneer Verbeke?

--O! dat was voor 't geval dat hij een haai tegenkwam, maar 't is

overbodig geweest, hij is goed en wel aan land gekomen. Sina en ik

hebben sàmen--ja bepaald _samen_--dat werk te Menado afgemaakt en toen

't op zijn eind liep werd ik daar zwaar ziek; hevige koortsen. Toen was

ik toch blij dat ik haar bij mij had. Ze heeft me verpleegd--dat doet

geen soeur de charité beter--achttien dagen lang is ze niet van mijn bed

weggeweest en toen ze zag dat de dokter mijn ziekte niet meester werd,

heeft zij zelf in 't bosch kruiden gezocht en een drank gebrouwen, die

me heel gauw er boven op hielp, 'k Herinner me niet alles van die

ziekte, want ik was soms buiten westen, maar ik weet nog best dat ik

niet kikken kon of ze stond voor me. Ze lei op een matje voor mijn bed,

en was er met geen stok weg te slaan. Ja, 't was in haar soort een

kranig mensch, maar ten slotte werd zij ook ziek en toen keerden we de

rollen om en heb ik haar opgepast. Zij was gauw weer op dreef, want bij

haar was 't alleen maar overspanning en vermoeienis en ze zei:

--Sina wordt van zelf beter nu jij beter bent.

Zoo ben ik dan weer een heelen tijd in de aannemerij gebleven, totdat ik

ineens lust kreeg om een poos naar Holland te gaan. Natuurlijk kon ik

Sina daarheen niet meênemen, mijn heele familie zou een

onzedelijkheidsstuip hebben gekregen als ik met mijn bruine huishoudster

was komen aanzetten. Ik sprak er met haar over; ze was in die dingen nog

al beredeneerd en bevattelijk en zei zelf:--Ja, ik begrijp heel goed dat

je eens naar je familie wilt en ook dat ik niet mee kan gaan, maar mijn

hart zal bij je zijn--en kom je weerom?

Natuurlijk, zei ik, maar hoe vraag je dat zoo? Och I zei ze, misschien

blijf je in Holland en zoek je daar een blanke, Europeesche vrouw. Dat

zou ik je niet kwalijk nemen, want dat moet er voor ons vrouwen toch te

avond of morgen van komen--maar kijk goed uit wie neemt. Je bent goedig

en je moet een vrouw hebben die van je houdt,--ze wees op mijn been--die

begrijpt dat Toewan Allah je al genoeg misdeeld heeft en die je goed

behandelt. Als je met haar terug komt en ze is _niet_ goed voor je--laat

ze dan uit mijn weg blijven!

'k Had Sina nog niet zóó gezien, ze was compleet in de war en begon te

huilen dat 'k er bepaald beroerd van werd. Ze heeft alles voor me in

orde gemaakt, keurig, alles nieuw. Slaapbroeken, kabaaien, flanellen,

zelf genaaid op de machine. Ja, ze was verduiveld handig en zorgzaam

ook, want--hij lachte hartelijk--ze had zelfs een flesch obat (medicijn)

in mijn koffer gedaan, voor 't geval dat ik weer eens zoo'n koorts mocht

krijgen.

In Europa heb ik ruim anderhalf jaar genoten van alles wat te genieten

was, te Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Hamburg en Amsterdam, 'k Heb

overal een lieve duit laten zitten. Wat 'k oververdiend had, was glad

weg, maar gelukkig dat ik ook nog wat in Indië op de bank had gezet. Met

dat kapitaaltje ben ik weer begonnen toen ik terug kwam. Sina was blij

als een kind--verbeeld je.--Ze was mager geworden en stil, 't was net

alsof ze zich mijn afwezigheid aangetrokken had--nu, misschien had ik

haar ook eens moeten schrijven, maar ze kon niet lezen, daarom had ze er

toch niets aan gehad, niet waar?

Ze fleurde heel gauw weer op en werd weer dik en vetjes, die inlandsche

vrouwen hebben gauw aanleg tot corpulentie, als ze geen soesah hebben.

Zij had zuinig geleefd terwijl ik weg was en wat ze over had kwam ons

goed te pas, want we moesten 't toch zuinig overleggen, omdat door mijn

verblijf in Europa mijn zaken een knauw hadden gekregen. De aannemerij

lukte niet erg meer, maar Sina wist raad en toen hebben we een soort van

handel opgezet. Zij had er een ongekenden slag van om voor weinig geld

allerlei producten te koopen, ik liet haar maar scharrelen met de

inlanders en leverde dan weer als tusschenpersoon aan exporteurs en

handelaars. Onfortuinlijk ben ik eigenlijk nooit geweest, want als ik op

droog geloopen was, kwam al gauw weer iets wat me vlot maakte.

We hebben aardig geld verdiend en omdat ik begreep, dat als ik 'reis

uitkneep, Sina toch wat moest hebben, had 'k een heel flink huis van

circa drie duizend gulden voor haar gekocht, op haar naam gezet, een

aardig duitje op de spaarbank geplaatst en verschillende juweelen van

iemand overgenomen.

En daar gaat ze me nu waarachtig dood, jammer! ze is tot 't laatst bij

haar positieven gebleven en geen uur voor haar dood zei ze nog tegen

haar vader: "Kijk eens voor hem--dat was ik, vat je?--naar een andere

vrouw, want hij kan niet zonder, hij staat als een kind op z'n

beenen"--hoe denkt zoo'n schepsel in zoo'n oogenblik aan zoo iets, hé?

Ze is heel kalm gestorven en ze liet mijn hand niet los, dan toen haar

vingers slap werden door den dood.

Ja! 't was een heele vreemdigheid toen ze weg was, 't kwam zoo

plotseling; ze was maar een dag of acht ziek. 'k Was heusch erg onder

den indruk, want je hecht je aan zoo'n mensch en u weet niet hoe ze je

hier van alle kanten beduvelen en exploiteeren als je célibatair bent.

Sina's vader, dit wou ik u straks vertellen, was niets inhalig. Volgens

de wet was hij haar erfgenaam, maar hij kwam bij me en zei:--Toewan, 't

is allemaal van u gekomen, wat doe ik met al dat geld? Geef mij

vijfhonderd gulden, dan koop ik een huisje, en haar juweelen, maar zoek

er eerst alles uit wat je zelf hebben wil tot gedachtenis. De Boeginees

viel me betoel mee! Hij ging zelf naar den notaris en liet het huis weer

op mijn naam overschrijven. Ik betaalde hem vijfhonderd gulden en nam

dezen ring, een mooie steen hé? En een paar brillanten oorknoppen, ze

hadden me vierhonderd pop gekost, want ik dacht, die ouwe man heeft er

toch niets aan en ik kan ze allicht voor een andere vrouw gebruiken.

Mijn vrouws broêr, de tuinman, kwam de vorige maand bij me en zei: 'k

heb een goeie vrouw voor u, jong en zachtaardig, en de ouwe had er

onderwijl ook al een opgescharreld, maar ik heb geen van beiden

genomen--ik wil nu eens een Chineesche hebben, die zijn wat meer

ontwikkeld en nu is er me een door een sobat aan de hand gedaan. Daarom

zit ik nu hier in 't hotel, begrijpt u? 'k Heb met dien staartknaap

afgesproken, dat we mekaar hier zouden treffen, dan zou hij me bij de

familie van mijn aanstaande brengen. De vader wil haar niet te duur

afgeven--en 't moet een lief vrouwtje wezen. Bevalt ze me, dan neem ik

haar meê--anders ga ik alleen een poosje naar Japan, dat moet zoo'n mooi

land zijn. Nu Sina dood is heb ik toch geen idée dat ik onze zaken kan

doorzetten, dat inkoopen is mijn fort niet. Enfin! 'k zit nu nog goed in

mijn duiten, die moeten weer eens rollen.

'k Heb voor alle eventualiteiten een levensverzekering van 3000 gulden

genomen, dat 's voor mijn begrafenis en 't beredderen van mijn boel.

Die me er onder stopt mag dan de rest, die overschiet, houden--Ah! daar

komt mijn Chinees--adieu! meneer, tot het genoegen u weer te zien, ik ga

eens kijken of 't nieuwe inventarisstuk, dat hij offreert, me bevalt.

Salut!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 32 / 50 题