--Pff! van middag wordt er waarachtig _te_ veel gevergd van een normale
maag, zuchtte blazend een der jongere heeren, die aan tafel gewoonlijk
ongeloofelijk veel goeden wil en volharding toonde. Even hijgend wischte
hij zich herhaaldelijk voorhoofd, wangen en hals.
--U heeft meer dan je plicht gedaan, lachte de administrateur en hem
toeknikkend: dat bewustzijn zal u sterken tot verdere grootsche daden,
mag ik u eens even zien? Hij hief zijn glas op.
--Dank je wel, daar ga je, maar als ik morgen katterig van boord ga,
heeft de kommandant 't op zijn geweten. Neen, dank je, geen champie
meer!
--Kom?
--Nu, dan nog éentje, om u bescheid te doen. Drommels 't is hier vetpot
van daag, en zich even omwendende tot den bedienenden Javaanschen
jongen:--koffie en 'n Sopi manis[2]? Wel ja, geef maar op--ik zal
volharden tot den einde toe!
[Voetnoot 2: Likeurtje.]
Flang! daar vloog, van het andere eind der tafel, een kurk tegen de
vloeipapieren muts, die hij ophad en een vroolijke meisjesstem
riep:---Raak, luitenant! weêrom gooien hoor, op den dokter!
De goede bedaarde medicus van de _Amalia_ kreeg het hard te
verantwoorden, want de jonge meisjes en een paar getrouwde dames,
eenigzins opgewonden door de champagne, die kommandant Visman had laten
rondschenken, bombardeerden hem onbarmhartig met kurken,
hazelnootschillen en proppen, gemaakt van papieren mutsen, die uit de
pistaches aan 't dessert waren te voorschijn gekomen.
Lachend--de dokter wordt nooit boos op dames--dekte hij zich zoo goed en
kwaad het ging met zijn bord en servet, totdat de dikke Oostenrijker,
wiens wangen glimmend rood waren geworden, omdat hij eerst nog het
restantje uit zijn flesch had moeten verschalken, hem nog hijgend van
inspanning, toeriep: Herr Dokter, je bent aan die heiden overgeleverd,
komm mit an dek, ik zol je wol besjermen. Die weiber kwam jij alleinig
nich bewältigen, dafür bin je zoe mager; komm mit. Donnerwetter war
dass, heute mal goetes essen? en hij klopte op zijn dikken buik. Jetzt
ein glas frisches bier, hè? So roehig oben in die rauchkammer; hier
wird's ein pan!
't Was inderdaad een buitengewoon groot menu, een erg vroolijk diner
geweest, aan boord, bijzonder luidruchtig zelfs, tot dat er een
oogenblik stilte kwam, even voor 't dessert. De kommandant namelijk was
opgestaan, had zijn glas champagne opgeheven en gezegd:--Dames en
heeren, ik heet U allen welkom in Indië, want binnen eenige uren hopen
wij Padang te bereiken. Dan zullen eenigen uwer dezen bodem verlaten: ik
wensch de débarqueerende passagiers verder goede reis en gezondheid en
dank hen, evenals al de anderen voor de betoonde welwillendheid en
samenwerking, waardoor de harmonie onder de passagiers geen oogenblik is
verstoord geworden. Ik moet u verlaten, mijn plicht roept mij op de
brug. Dames en heeren, daar ga je!
--Leve de kommandant, leve onze gezellige Visman! klonk het van alle
kanten en met een "lang zal hij leven in de gloria!" defileerden de
passagiers, zoo goed en zoo kwaad de zachtjes schommelende boot het
veroorloofde, voor den kommandant, om even met hem te klinken.
't Dessert begon, de tongen kwamen hoe langer hoe meer los, want het
vooruitzicht spoedig "land" onder de voeten te hebben, had alle harten
opgeruimder doen kloppen; hoe goed men het aan boord ook heeft, het
denkbeeld eindelijk weer op vasten grond te zullen staan, drijft toch
het bloed sneller door de aderen.
--Mijnheer! zei fluisterend de hofmeester, achter mijn stoel komend, de
kommandant laat vragen of U eens bij hem op de brug wil komen?
* * * * *
--Ik heb je even laten roepen, zei de kapitein, toen ik, een oogenblik
later, op de brug kwam. 't Is hier een boel lekkerder dan beneden en 't
wordt er nu te rumoerig. Ik wou je hier toch eens een kijkje geven; je
bent nog niet op de brug geweest, wel?
--Neen kommandant.
--Geef dan je oogen maar eens den kost. 't Is een heerlijke avond; kijk!
daar in de verte--neen, je kijkt niet goed, dáár aan bakboord, heel in
de verte--zóó, nu ben je in de goede richting, dáár heb je 't 't licht
van Poeloe Pisang, daar houden we op aan.
Hij rekte armen en beenen een maal of wat uit, nam zijn pet even af en
streek zich snel met de hand een paar keer over 't voorhoofd:--Hè dat
doet me goed; ik voel me hier 't lekkerst. Op de brug ben ik eerst goed
in m'n element.
--'n Heerlijk briesje van avond! Wat 'n maantje, zoo iets zie je in
Holland toch niet.
Hij stak een sigaar op, de lucifer tusschen zijn breede gespierde handen
voor den wind beschuttend.
't Was een mooi, een indrukwekkend gezicht daarboven van die ranke brug,
als gespannen over 't schip, dat rustig met ons in 't prachtige
maanlicht voortsneed door golven.
Op de zonnetenten vóóruit, goot de maan een tooverachtig, blauwig wit
licht, het want, de masten en ra's, het touwwerk, scherp afstekend tegen
de heldere lucht. Hier en daar in felle kantlichtjes schitterend op 't
blank gepoetsten koper- en ijzerwerk, of zwarte slagschaduwen
neerwerpend op de schuins gespannen zeilen Dartelend in de golven, vóór
ons, of sprankelend, opspringend in 't witte schuim langs beide boorden,
tintelde het overal.
--Zie nu eens om, zei de commandant.
--Prachtig!
't Achterschip, van ons afgescheiden door den grooten schoorsteen,
strekte zich, grooter en breeder lijkend dan anders, achter ons uit. Met
ons, maar schijnbaar alleen, deinde het zachtkens op en neer, overwijfd
door de golvende, zwarte, breed uitwaaiende rookpluim, die in rollende
ringen uit de dikke pijp opkwam, voortvliegend, naar de achter ons
wegdrijvende wolken, hier en daar zilverig gerand door de maan, die,
vlak boven onze hoofden, haar lachend gelaat vertoonde.
Beneden gloeide 't vurig tusschen de naden en langs de randen van de
zonnetenten. Goudachtig glommen achteruit de koperen randen van 't
stuurrad en de kap van het kompashuisje, door den lichtschijn uit de
kleurige, papieren lampions, die ter eere van 't afscheidsfeest, dat
straks op dek zou worden voortgezet, reeds ontstoken waren.
De zee was kalm en nauw gerimpeld. In 't kielwater blonken of
schitterden, spelend, millioenen weerkaatsingen van maan en sterren en
als een blank metaalachtig glimmend spoor, doortinteld van vonkende
diamanten, verloor zich, heel in de verte met den donkeren horizon
samensmeltend, de voor, die het met volle kracht stoomende schip door de
golven sneed.
Zacht ging de boot op en neer; van de brug af gezien, scheen zij een
groot, kalm, levend wezen, regelmatig, diep ademhalend, bewust van zijn
kracht, met zekerheid toesnellend op de kust, waar in de verre verte het
heldere licht van Poeloe Pisang, als een vriendelijk oog nu en dan
geruststellend pinkend, scheen te wenken: kom! kom! bij mij is 't
veilig, kom!
De kommandant stond in zijn witte ias--de uniform trekt hij altijd
onmiddelijk uit na 't diner--naast mij. Zijn forsche`, krachtige
gestalte was iets voorovergebogen en hij hield de rechterhand
uitgestrekt. Met de linker steunde hij op de leuning der brug.
--Daar achter ligt Padang, over een uur of wat loopen we de Emmahaven
in. Jammer dat we niet bij dag aankomen, dan zou je nu de heerlijkheid
der Sumatraansche bergen al kunnen zien. Dáár in die richting moeten de
Ophir en de Merapi liggen, recht vóór ons de Goenong-Talang. Je kunt ze
nu niet onderscheiden, maar morgen zul je je hart wel eens ophalen aan
al dat groen. Je hebt nu zoo lang alleen water en lucht gezien, hè? Hij
klopte mij op den schouder:--Ja, ik ben een oud zeeman, 'k heb honderd
maal minstens, diezelfde dingen gezien, maar telkens zie ik ze weer met
't zelfde genot, dezelfde bewondering aan, hè? Hij liep even heen en
weer, keek een oogenblik in den electrisch verlichten zee-kaartenbak,
gaf een paar bevelen aan den roerganger en aan een van zijn officieren
en bleef toen een poosje, starend in de donkere verte, zwijgend staan.
--Naast God, schipper van mijn schip! dat moet de kommandant volkomen
gevoelen als hij daar, hoog op de brug als 't ware boven zijn bodem
staat. Die bodem zoo groot en breed, hijgend en kuchend door de
krachtsinspanning in zijn binnenste, geboren door 't felle vuur, dat
brullend en loeiend in zijn ingewanden woedt.
En toch luistert dat brullende vuur, die ontzachlijke kracht, naar zijn
gebiedende stem en volgt, gedwee als een kind, zijn leidende hand, die
schip en opvarenden veilig tusschen klippen en riffen henenvoert naar 't
land, waar zij hoopvol de toekomst tegengaan.
--Kommandant, 't is onbeschrijfelijk mooi hier, wat 'n sterrenhemel, wat
'n prachtige zee!
--Ja, maar zoo treffen we 't niet altijd kameraad! 't Kan soms leelijk
blazen en dan is 't hier zoo'n dorado niet--maar ik ben 't gewend, hè?
Jij zou je lachen wel kunnen houden en al ben je nog zoo brani, ik zou
je wel eens willen zien als je hier op de brug zoo'n zee'tje over
kreeg--maar nou heb je gelijk, 't is hier goddelijk! Och ja, kameraad,
wanneer je, zooals ik, zoo gezegd op zoo'n brug permanent bent, denk je
over zooveel dingen na, die 'n ander mensch in den sleur van zijn
krenterig leven niet eens overpiekert. Hier op de brug, waar je de zon
zoo heerlijk ziet op- en ondergaan, waar je zoo'n ruimen blik hebt, hier
wordt je beter, vrindje! Hier leer je, dat 'n mensch eigenlijk minder
dan niemendal is. Je voelt je als kommandant een heele kerel, hè?--maar
als mensch bitter klein, vat je? Hier leer je dat al dat geleuter van
die geleerde lui maar lak is, wanneer ze je vertellen dat alles in en
door de natuur ontstaat. Hij tikte even aan zijn pet. Een opperwezen
bestaat er, daar gaat niets van af. Hoe ze dat nu noemen, komt er niet
op aan--Jehova of onze lieve heertje, mij is 't zelfde, maar--Hij is
er! Kijk maar eens omhoog naar die eeuwig mooie sterren, naar die
millioenen bollen, die langs vaste wegen, volgens vaste wetten staan of
gaan. Dàt zou allemaal van zelf komen zonder dat er een georganiseerde
kracht achter zat? Gekheid hoor!--Er moet één wezen zijn die de lakens
uitgeeft, anders loopt de heele natuur in de war.
Ze moesten die geleerde lui eens laten reizen, niet over land, maar op
zee, hè? Konden ze d'r neus een poos in de frissche bries steken, in
plaats van in de boeken, dan zou de duffigheid er wel afwaaien!
Kijk het zuiderkruis van avond eens schitteren, dáár heb je Jupiter en
dáár de Kreeft; zoo'n sterrenhemel is heel wat beter en verstandiger
docent dan al die geleerde oomes, hè?
Al sprekend had de kommandant zich te lij over de leuning gebogen. Hij
zweeg een poosje, haalde een paar maal diep adem door zijn neus en trok
mij toen naar zich toe:
--Kom eens hier, maat, haal je neus eens goed op, ruik je niets, haal op
dan!
--Ik ruik waarlijk niets kommandant!
--Niet? dat komt omdat jij zoo lamlendig je neus ophaalt; haal eens ferm
op!
--'k Ruik waarachtig niets!
--Nu dan is 't de ongewoonte, ik wel. Ik ruik 't land! Dààr, nu _moet_
je 't ruiken; de boschlucht waait ons volop tegen, dààr, nu ruik ik
zelfs kamponglucht!
--O ja! nu ruik ik 't, iets specerijachtigs.
--Juist! dat is 't--de landwind komt opzetten, die brengt dat geurtje
mêe.
--Wel lekker, hé?
--Nu heb je de reuk al beet--ga 't nu maar eens aan de anderen
vertellen--hoor, ze spelen achter de kruispolka. Ze tillen de beentjes
van den vloer, ze hebben pret en dat doet mij plezier--maar hier is 't
toch heel wat lekkerder. Bonsoir, tot straks, nu krijg ik weer handen
vol--'k heb nu geen praats meer voor je, kameraad!
Op 't achterdek was 't feest in vollen gang, de violist en de
harmonica-speler zaten op de kajuitskap en speelden er lustig op los. De
dikke Oostenrijker lag languit op een gemakkelijken stoel en keek met
half gesloten oogen apathisch naar de dansende paren. In de rookkamer
speelden een viertal oudere heeren hun partijtje, terwijl in een hoekje
aan de andere zijde drie heeren de hoofden geheimzinnig bij elkaar
staken en anecdotes vertelden, die zonder twijfel den geur van hun
sigaren hoog noodig hadden.
Een paar dames keken te loevert over de verschansing naar het
uitklotsend koelwater, dat op enkele plaatsen phosohoresceerde.
Daar siste eensklaps aan bakboord een vuurstraal omhoog en boven in de
lucht knalde een schot.
--'t Sein voor den loods! riepen de meesten en toen eenige minuten
daarna het tweede knalsignaal ontplofte, waren bal, partijtje,
flirtation en anecdoten plotseling vergeten.
Menig hart begon sneller te kloppen, want de loods zou zeker tijding uit
't vaderland of Indië, misschien wel brieven voor den een of ander
meêbrengen.
De gesprekken namen eensklaps een andere richting, ze werden ernstig en
op het dek vormden zich groepjes, die halfluid of fluisterend hun hoop
en verwachting bespraken. Er waren immers veel officieren aan boord, die
hun verplaatsing naar Atjeh of hun eerste bestemming verbreidden.
De landwind woei in breede golven het aroma van bosch en bergen over 't
schip, en de passagiers snoven begeerig die lang ontbeerde of onbekende
geuren op.
Daar naderde het loodsbootje van bakboordzij en stoomde in een wijden
kring om 't schip heen, aangestaard door al de reizigers, die met
belangstelling elke beweging volgend, de roode en witte seinlantaarns in
't oog houdend, met zakdoeken, handen en hoeden wuifden.
De loods klom de valreep aan stuurboord op en begaf zich dadelijk op de
brug, zonder van iemand notitie te nemen. Een klein poosje later kwam de
eerste officier aan dek, nog iets later de kommandant en weldra wisten
de meesten, wat ze weten wilden, hoopten of vreesden.
--Ik ga naar Atjeh, 'k had 't wel gedacht en ben er op voorbereid, zei
een kapitein, die gedurende de reis mijn tafelbuur was geweest en hij
keek een oogenblik langs mij heen in de donkere verte.
--En uw vrouw en 't lieve kleine ventje?
--Ja, die blijven natuurlijk te Padang achter.... ik verlaat ze al over
vier dagen....
--Kasian!
--Sakkerloot, ik bof! riep de jonge luitenant, de immuun voor zeeziekte
was geweest, me toe.
--Hoe dan?
--Ik kom te Batavia, lekker! Mag ik u iets offreeren, een whisky-soda of
een potje bier?
--Dank u zeer, maar wel gefeliciteerd!
--Op wachtgeld gesteld, tot nader bericht, zuchtte een ambtenaar en met
een landerig gezicht keek hij naar zijn vrouw en kinderen, die nu maar
te kooi zouden gaan. Half pay, bromde hij binnensmonds--en misschien een
maand of wat in 'n hotel zitten, dat 's een koopje!
En intusschen stoomde de _Amalia_ zachtjes door--reeds schitterden ons
de havenlichten, de lantarens van de kade tegen en blonk het heldere
maanlicht op de wit geverfde hangers en loodsen, die als kleine
speelgoedhuisjes tegen de donkere bergen afstaken.
Het binnenkomen van de Emmahaven bij volle maan is onbeschrijfelijk
schoon.
Als een donkergroene, hier en daar lichter gekleurde krans liggen de
Sumatraansche bergen om de haven. Heerlijk weêrspiegelt de maan in 't
kalme heldere zeevlak, teekenachtig werpen de talrijke gele lichten der
lantarens hun wiebelden, slangachtigen weerschijn in 't flauw gerimpelde
water. Schepen en booten van velerlei vorm, gemeerd of ten anker,
stoffeeren het schilderachtig tafereel. Kleine prauwtjes en tambangangs
schieten als vliegende visschen op uit de schaduwen der bergen, door de
verlichte watervlakken heen, scherp belicht nu en dan, maar eensklaps
weer verdwijnend, als duiken ze onder, en even plotseling op nieuw te
voorschijn komend.
De roeiers schreeuwen in onverstaanbare taal de matrozen toe, die, van
't voorschip af, hen in 't oog houden. Ze komen langs de zijden der
boot, de trossen worden uitgebracht en zachtjes, meer glijdend dan
varend, nadert de _Amalia_ den steiger.
Allerlei geluiden, stemmen, 't gekraak van karretjes en 't dreunen van
lorries, die op den wal worden heen en weer bewogen, zijn nu duidelijk
hoorbaar. Op de boot worden de luiken van de laadruimten reeds geopend,
kettingen rammelen en de donkeys beginnen af en toe te werken.
--We gaan dadelijk aan 't lossen! roept me een officier, die haastig
voorbij snelt, toe. We hebben veel goed voor Padang, zware stukken,
spoorwegmaterieel! Aan boord is alles in beweging--de matrozen zijn aan
de loskranen of de luiken bezig; de bootsman geeft met zijn fluitje
herhaaldelijk aan wat gebeuren moet en onophoudelijk klinkt het gerammel
van kettingen, ijzeren bouten en blokken. De electrische lichten werpen
groote fantastische schaduwen over het dek en op het woelige en
bedrijvige scheepsvolk.
De boot nadert, bijna onmerkbaar voortglijdend, den steiger. Gestopt is
er reeds; 't gedreun der machine heeft opgehouden, maar men merkt dat
niet door al de andere harde en vreemde geluiden, die er voor in de
plaats komen, De loopplank wordt gelegd en als een hoop baarlijke
duivels stormen de koelies schreeuwend en joelend, elkander op zij
dringend en duwend er over, aan boord. Maleiers, Klingaleezen, Chineezen
verdringen elkaar om de eerste te zijn,
De stuurlieden, de bootsman en 't andere scheepsvolk ontwarren met
krachtige hand dat zonderlinge menschenkluwen, niet zonder moeite, en
niet zonder veel hartige woorden, die een vroom christen een rilling
over het lijf jagen,
In een oogwenk is alles aan 't werk en intusschen gaan de passagiers,
die eerst dien stormloop kalm hebben afgewacht, aan de wal.
* * * * *
--Aan wal, vasten grond onder de voeten!
Een wonderlijk gevoel in de eerste oogenblikken; men durft de voeten
nauwelijks neêrzetten, want 't is alsof de grond golft en beeft. Men
wordt licht in 't hoofd en duizelig.
--De beweging van 't schip zit me nog in de beenen, 'n bespottelijke
gewaarwording, roept de een.
--'k Ben betoel, dronken! zegt een ander.--'k Heb driemaal de reis naar
Indië gemaakt, maar telkens weer krijg ik 'm om, als ik aan wal kom.
--Je wordt er bingeoeng, verward, van, ja? zegt een Indische dame die in
sarong en kabaja naast mij op den steiger voorttrippelt op geborduurde
muiltjes en eensklaps zich naar rechts wendend, roept zij een van haar
dochters toe:--O, kijk já! dààr warong in de verte, kôm kind wij
vruchten ghalen, jà? Meneer Mórik nog niet Indische vruchten ghèhéten,
in Ghollan niet piasang, niet ramboetan, niet mangga's. Nannas, djéroek
wél, maar gheel zuur, kom! wij ghâlen....
Moeder en dochter nemen den trippellooppas aan in de richting van de
kleine eetwaren-uitstalling, waarvan alleen zij de haar bekende lichtjes
hebben opgemerkt.
De verschillende koelies, die geen werk hebben gekregen en
onverschillig voor zich uit starend hun strootje rooken, of
sirih-pruimend, hier en daar op kisten en balen liggen of gehurkt op den
grond zitten, wenden nauwelijks het hoofd om naar de "blanda's" die in
troepjes langs de hangars en loodsen wandelen, lachend en pratend, allen
even blij dat ze aan wal zijn. In de schaduw van een vooruitspringend
dak tegen een donkere deur geleund, staat een lange Bengalees,
schilderachtig in zijn wit opperkleed gedrapeerd. Zijn donkerbruin,
gebaard, gezicht, de bijna zwarte bloote beenen, zijn ongeveer één van
kleur met de duisternis om en achter hem.
Plotseling beweegt hij zich. Zijn groote, witte tulband schijnt in 't
geheimzinnig halfduister een kolossaal doodshoofd en het witte kleed,
dat hij met de eene hand opheft, is als een lange lijkwade daaronder.
--O, God! wat is dat--'n spook? gilt een jonge dame, die erg
vertrouwelijk aan den arm van een luitenant vóór ons in den maneschijn
op en neer wandelt.
--Niets! niemendal, beef maar niet! antwoordt de jonge man, zijn hoofd
tot het hare neigend en met een klein geruststellend drukje op den arm
van het meisje, dat zich onwillekeurig vaster tegen hem aandringt.
--Waar of zoo'n slungel van 'n Bengelees al niet goed voor kan zijn,
lacht naast mij, even aan mijn arm stootend, een van de passagiers, die
me al vroeger in vertrouwen heeft verteld dat "die twee allebei de
hondenziekte hebben". Een nieuwe, zeker door hem uitgevonden term, voor
verliefd te zijn.
Van boord klinkt voortdurend een helsch lawaai, het lossen is in vollen
gang. Met ontzettend geweld ratelen de donkey's en 't spil, die de zware
kettingen en talies bewegen, waarmede de stukken ijzerwerk, de kisten,
balen en pakken uit het ruim omhoog worden geheschen. Donderend vallen
voortdurend de ijzeren staven neer op den steiger. Nu en dan antwoordt
de echo uit de bergen.
De koelies tieren, razen en schreeuwen onophoudelijk, terwijl ze hun
werk doen.
Uit de verte gezien, fel beschenen door 't blauwig electrische licht en
rosachtig getint door de op de plankieren brandende lantarens, met de
bewegende zee en den donkeren horizon, waaraan af en toe het weêrlicht
flikkert, als achtergrond, maakt het geheel een infernalen indruk.
--'t Is precies een teekening van Doré, die maakte veel van die bizarre
dingen; ik vindt het erg mooi om te zien, maar allemachtig vervelend om
bij te wonen. Er is geen kwestie dat we vannacht kunnen slapen aan
boord,--en de heer die mij dat plezierig vooruitzicht opent, neemt een
versche sigaar uit zijn koker en zegt, zich resigneerend:--ik ga in
vredesnaam maar rooken en toddy drinken, zoolang die herrie aanhoudt.
--Ghier, meneer Mòrik! jij proeven, jà? Pisang gorèng, lèkker jà? En
Mevrouw biedt mij in een stuk pisang-blad, een gebraden vrucht aan. Haar
dochter offreert mij jamboe en mangga, vriendelijk noodend.
--Proef ze maar eens, heusch ze zijn lekker.
--Kind, jij sghillen voor meneer, jà?--In Ghollan, meneer niet weet
hoe.--Mangga gheel sappig. In die midd' sghîllen--beide punt
vastghouden, anders veel sap te veel wegloopen, ja?
Een paar andere dames en heeren, die een eind verder nog een Worang
hebben ontdekt, komen juichend en vol plezier met allerlei indische
lekkernijen aandragen.--Kwé-kwé (gebak) waarvoor zij in gewone
omstandigheden misschien den neus erg vies zouden hebben opgehaald,
vruchten van derde of vierde kwaliteit, half rijp of aangestoken, worden
nu als fijne, vreemde lekkernijen uit den saamgeknoopten zakdoek aan de
medepassagiers allervrijgevigst aangeboden. En tot laat in den nacht
zitten op 't half verlichte achterdek van den stoomer, groepjes
vroolijke menschen, die aan wal zijn geweest en nu plotseling tot de
ontdekking komen dat 't dáár toch altijd oneindig beter is dan aan
boord. Langzamerhand komt de ontfermende slaap zijn bedwelmende hand
over de schepelingen uitstrekken--één voor één verdwijnen ze langs de
kajuitstrap en als de schaduw van den laatste verdwenen is, beschijnt de
enkele electrische gloeilomp, die nog brandt, een hoopje jamboe en
manggaschillen, afgebeten vruchten, half gebruikte kwé-kwé, vertrapte
pisangbladen, en een paar snurkende passagiers, die op lange stoelen
door al de herrie heen slapen, dank zij hun toddy's!