--'k Ben nooit bang geweest, van mijn leven niet en ik heb gelukkig in
alle omstandigheden de noodige kalmte weten te bewaren maar éénmaal heb
ik toch mijn lange beenen moeten opnemen en de spat zetten, zei lachend
onze stoere kommandant, terwijl hij een versche sigaar opstak.
--U spreekt daar van de spat zetten kapitein, neem me niet kwalijk, maar
ik kan 't haast niet gelooven.
--En toch is 't zoo, en ik was nog wel gewapend bovendien: ik had mijn
dubbelloops jachtgeweer bij me.
--Dan moet 't wel een heele bende geweest zijn, waarvoor u je beenen
opnam, want u zal wel raak schieten.
--Ja! Ik schiet nooit of ik moet weten dat ik tref, anders is 't maar
zonde van de patroon, antwoordde hij bedaard en toen even lachend:--maar
ik ben ook niet voor een hoop kerels op den loop gegaan!
--Waarvoor dan kapitein?
--Nu, raad eens!
--Voor een tijger!
--Ba! dat is maar 'n poes, zooals de resident te Mechelen[1] zei, die in
Indië de tijgerjager bij uitnemendheid was.--Zoo'n poes is bang, die
valt nooit iemand vanzelf aan.
--Misschien voor een rhinoceros dan!
--Ook niet! Ik heb 't eenvoudig op een loopen gezet voor een hoop apen.
--Och kom!
--Waarachtig! Je moet zoo min niet over apen denken. Dat is 't
gemeenste, kwaadaardigste goed wat Onze lieve Heer op de wereld gezet
heeft. Ze zijn zoo leep als menschen en nog kwajer. Je moet niet denken
dat je in Artis apen ziet, och neen! dat zijn maar ongelukkige akelige
misbaksels, goed om over te lachen. Neen, je moet de monkeys in d'rlui
natuurstaat zien, dan spreken we mekaar nader!
--Waren 't dan chimpansées of oerang-oetans?
--Och neen! doodgewone zwarte en grijze apen.
Ik was met mijn sloep, met vier man op de riemen, even voorbij
Indramajoe aan wal geroeid om 'n beetje vogels te schieten. Je vindt
daar boschduiven en wilde kippen plenty, ze zijn wat mager, maar goed om
te eten. Moederziel alleen was ik een eind de wal opgegaan, ik kon niet
veel onder schot krijgen en drong al verder en verder, door struiken en
heesters heen, naar de rijstvelden toe, totdat ik op een plek kwam en
even rustte.
In eens zag ik een paar apen, daar nam ik geen notitie van, maar 't
duurde niet lang of er kwamen nog een paar, toen al meer, tot misschien
een twintig of dertig stuks. Ze keken me nieuwsgierig aan, liepen heen
en weer, klommen in de boomen en schreeuwden mekaar toe.
Toevallig keek ik om, en zag nog net bijtijds dat een heele troep van
dat smerige goedje me sluipend van achteren naderde. Ze bleven nog wel
op een tamelijke distantie, maar 't beviel me maar niemendal dat ik er
zoo langzaam aan door ingesloten werd. Ik zocht dekking in den rug,
omdat ik wist dat die rakkers je altijd van achteren aanpakken, maar dat
gaat in zoo'n oogenblik niet zoo gemakkelijk. Groote dikke boomen waren
daar niet en als die apen, 't was een kwaadaardig soort me in den rug
hadden kunnen aanvallen, zouden ze mij gewoon weg hebben afgemaakt.
Daar had ik nu nog geen bepaalden trek in, begrijp je? Ik dekte me dus
zoo goed en kwaad ik kon en wachtte de gelegenheid af om er een paar
neer te schieten.
Er kwamen er hoe langer hoe meer opzetten, van alle kanten, en ik
berekende: of ik er al een paar neerschiet geef me niemendal, ik moet
eerst den burgemeester hebben.
[Voetnoot 1: Resident ter zee, de heer te Mechelen.]
--Den Burgemeester?
--Ja, dien noemen we zoo! Ik was in een zoogenaamde apenkampong verzeild
geraakt. Heb je wel eens van den Duitschen professor gelezen, die
beweert dat hij de apentaal bestudeerd heeft en verstaat?
--Jawel kapitein, professor Cärtner.
--Hm ja! hoe hij heet weet ik niet en of hij die taal verstaat weet ik
ook niet--die geleerde lui zeggen soms meer dan ze verantwoorden
kunnen--maar dàt kan ik je wel zeggen: een soort van taal hebben apen en
verstaan doen ze mekaar uitstekend. In zoo'n kampong dan, is altijd één
opperhoofd, gewoonlijk een oude knappert, die geeft de lakens uit en
houdt den boel in orde.
Op eens zie ik een groote kanjer naar mij toekomen, 't leek wel een
kleine inlander. Zijn kop was van boven als een knikker zoo kaal en een
lange grijze baard hing van zijn kin op zijn borst. Zijn onderkaak met
scherpe slagtanden stak hij vooruit en hij kwam, op zijn achterpooten
loopend, naar mij toe. Een pas of twaalf van mij af bleef hij staan en
keek mij met zijn kwaadaardige kleine oogen aan als of hij zeggen
wou:--hoe kom jij hier, wat moet je van ons hebben?
Een paar oogenblikken keken we mekaar strak aan--ik dacht: Maat! ik moet
je met mijn oogen in bedwang houden, zoolang ik je in de gaten houd ben
ik baas. 'k Had twee schoten op mijn geweer, die kon ik gebruiken, maar
opnieuw laden niet, want een blik van den burgemeester afgewend zou
genoeg zijn om me te doen aanvallen van alle kanten. Ik overlei dus:
vrindje, jou moet ik hebben, maar ik moet je zóó raken dat je 't niet
navertelt.
Daar gaf hij op eens een schreeuw en zijn heele compagnie retireerde; 't
was precies alsof hij een commando had gegeven--nog een schreeuw, langer
en scherper en ze kwamen weer wat voort.
Als de burgemeester avanceerde, kwam de heele troep met hem mee, ging
hij terug dan retireerde alles. 't Was alsof ze mekaar de bevelen van
hun chef toeriepen, want vóór, achter, naast en boven me, hoorde ik
telkens die scherpe kreten herhalen. Soms was 't 'n helsch lawaai:
hoeveel apen er daar in de kampong waren is niet te berekenen, 't
moesten er honderden zijn geweest.
Eindelijk kreeg ik den ouden heer goed onder schot, 'k had op mijn
geweer een kogel en één hagelpatroon. De kogel is voor jou, papa, die
komt je als chef eerlijk toe, de hagel zal ik voor je volkje bewaren,
dacht ik.
Daar gaf de burgemeester weer een gil, en kwam met zijn volkje resoluut
vooruit.
Pang! in eens had hij 'm beet. Hij deed een sprong omhoog, viel over
stag en schreeuwde, precies als een mensch, akelig kermend. Heb je in 't
Paleis voor Volksvlijt dat Ballet Jocko, of de dood van een aap wel eens
zien spelen? Ja? nu dan weet je hoe zoo'n dier sterft, die artist deed
't machtig natuurlijk na.
Toen de aanvoerder gevallen was, kwamen al de apen naar hem toe, ze
stonden en liepen net als menschen, desperaat om hem heen. Waarachtig,
als ik niet zoo in de penurie had gezeten, was ik uit aardigheid nog
een poos blijven kijken, maar nu dankte ik onzen lieven Heer dat ik dat
gemeene goedje niet meer achter me had.
Ik maakte gebruik van de gelegenheid en koos 't hazenpad.
Geloopen heb ik!--neen maar, ik heb wonderen gedaan met mijn lange
beenen, schieten op al die apen durfde ik niet meer, want ik wist dat ze
talrijk waren en dat ze, eenmaal over den eersten schrik heen, me zonder
vorm van proces zouden kapot maken. 't Is al meer gebeurd weet je!
Ik kwam goddank door het struikgewas heen aan het strand, maar ik hoorde
ze al heel gauw vlak achter me. Je kunt je het helsch lawaai, dat ze
maken, nauwelijks voorstellen, 't is onbegrijpelijk dat ze zoo krijschen
en gillen kunnen. 't Was kapteintje loop voor je leven!--en ik liep
hoor!--de kaptein klopte op zijn keurig nette pantalon en stak zijn
beenen vooruit.--Ze hebben me niet in den steek gelaten, maar ik was
toch almachtig blij dat ik weer op de riemen zat.
Van uit de sloep heb ik ze toen nog een pleiziertje gedaan, met één
schot hagel hadden er een paar genoeg en toen ik nog een stuk of wat
patronen op d'r lui zwarte huid had geblazen, liepen ze gierend en
gillend het bosch weêr in. Ze hadden er genoeg van--maar ik ook--en ik
mag leien dat ik nooit weer andere apen tegenkom dan die je tegenwoordig
nog eens in de Kalverstraat ziet, met 'n pince-nez op, hooge boorden
omgeslagen broekspijpen, van die lange soepjassen aan en wandelstokken
als knuppels in d'r glacétjes. Dat soort is belachelijk en tam--maar
soms gevaarlijk--ook zijn er een hoop onder, die geen eerlijk schot
kruit waard zijn.