IN DE ROOKKAMER.

--Minta ajer djeroek! riep ik den tegen de kajuitskap leunenden

Javaanschen jongen toe.

Kròmò hief slaperig het hoofd op, antwoordde half luid:--Saja toewan! en

staakte de regelmatige beweging van zijn bijzonder ontwikkelde groote

teenen, waarmee hij, als met vingers, de maat sloeg van het liedje, dat

in de rookkamer op een accoord-cither werd gespeeld.

Een oogenblik later dronk ik het glas verfrisschend citroenwater waarom

ik gevraagd had en vroeg:--Siapa bekin sitoe moesiek? (Wie maakt daar

muziek)?

--Toewan dokter, di roemoh roko! en Kròmò, die voor een inlander

bijzonder veel en lang gesproken had, keek weer onverschillig in zalig

dolce far niente naar zijn bloote voeten, leunend tegen de witte kap,

waarop de heete zonnestralen brandden.

De meeste passagiers, die de warmte in de Roode Zee ondragelijk vonden,

deden, in hun hutten, een middagslaapje, of lagen puffend en duttend op

hun lange stoelen onder de zonnetent.

't Was stil aan dek, want de lieve kindertjes, die anders door hun

stoeien en gejoel er wel voor zorgden dat de rust der passagiers niet al

te diep werd, waren beneden. De klanken van de accoord-cither bereikten

ongehinderd mijn oor, zelfs het ruischen van het water en het gedreun

der machine schenen mij minder luid en krachtig dan gewoonlijk.

Ik luisterde, evenals Kròmò, naar de zacht trillende tonen, die aan het

instrument werden ontlokt.

Nieuwsgierig keek ik even in de rookkamer.

Kom binnen, meneer van Maurik, zei de dokter en wendde zijn, door de

tropen gebruind, gelaat vriendelijk naar mij toe.

Ik wil u niet hinderen: u is zeker aan 't studeeren?

--Och ja! ik neem de gelegenheid waar; nu hinder ik niemand door mijn

getjingel.

--Hoe bescheiden dokter! u speelt heel goed.

--'t mocht wat, ik probeer het, maar het is nog lang niet gemakkelijk om

op zoo'n machine te spelen. 'k Heb het even voor mijn afreis in Holland

gekocht en oefen me nu een beetje, volgens de methode, die er bij is.

't Klinkt al heel lief, dokter.

--Ja, dat is het woord, het geluid is nog al sympathiek, maar mijn spel

is alles behalve artistiek, Betoel!

--Al doende leert men!

--'t Is in ieder geval muziek; ik weet niet in welk garnizoen, op welken

buitenpost ze mij misschien stoppen zullen. Een pianino heb ik niet en

ik ben een liefhebber van muziek, ja! Bij gebrek aan brood eet men de

kruimels!

--Is 't moeielijk om op zoo'n cither te spelen?

--Volstrekt niet, met 'n beetje oplettendheid en wat maatgevoel breng je

het een heel eind ver. Kijk maar! al de snaren en toetsen zijn genummerd

en de muziek ook.

De dokter sloeg een paar bladen om van het muziekboekje, dat op 't

lessenaartje lag en speelde à prima vista "_Freude schöner

Götterfunken_!"

--Zie je wel dat 't goed gaat, als je maar oplet, het klinkt, betoel,

heel aardig!

Weer sloeg hij een blaadje of wat om, maar toen hij het daarop staande

lied, "_Leise, leise, frommer Weise_," Agathens gebed uit _der

Freischütz_, begon te spelen, trilden zijn vingers en zuchtte hij een

paar maal. Hij hield eensklaps op en zei, met een min of meer vreemden

blik mij aanziende:

--Ik kan dat ding nooit hooren zonder beroerd te worden, ik wist niet

dat het in dit boekje stond. Ik heb het in lang niet gehoord. Vroeger

was het een aria, die ik machtig graag hoorde, maar later ging het me

altijd koud door de leden als iemand ze speelde. Zelfs nu nog word ik er

zenuwachtig van.

--Hoe zoo dokter?

--Hij zag me een oogenblik aan.--'k Wil het toch uitspelen, zei hij

zacht, maar zijn lippen beefden. Nog een paar maten van de

liefelijk-melancholische melodie trilden uit de snaren, toen hield hij

op:--Arme kerel! zei de dokter binnensmonds--'t is eeuwig zonde en

jammer geweest!

Met nerveus bewogen vingers speelde hij tot het einde en toen, terwijl

hij het boekje haastig dichtsloeg, als wilde hij die noten niet meer

zien, vroeg hij:--vindt u me niet kinderachtig?--maar het was ook zoo'n

trouwe kameraad, zoo'n beste jongen!

Zijn goedige bruine oogen werden vochtig en ik zag hoe zijn onderlip

beefde, hij beet een paar maal op zijn knevel, voor hij vertelde:

--Dat eenvoudig stukje muziek brengt me altijd een treffende episode

voor den geest, uit den tijd toen ik in Atjeh was. 't Waren moeielijke

dagen, die we er doorbrachten, menig makker heb ik daar verloren,

gedurig hadden we te lijden van de verraderlijke overvallen van de

Atjehers. Je was geen oogenblik zeker, ze beschoten ons, waar en wanneer

ze maar konden. Soms lieten ze ons weken achtereen met rust, maar je

bleef natuurlijk altijd in spanning.

Ik ben wel dikwijls 's nachts plotseling uit mijn bed geblazen. 't Is

een angstig gehoor zoo'n signaal. "Om den dokter!" het klinkt

onheilspellend uit de verte, van de posten.

Destijds had ik een goed vriend, een tweede luitenant, jong en opgeruimd

evenals ik. 't Was een kranig officier, een kerel als een boom en kern

gezond. Hij had altijd schik in zijn leven, geestig en grappig was hij

de ziel van onze gezellige bijeenkomsten. Als hij er maar bij was, kon

je zeker zijn dat een fuif goed afliep. En een hartelijke

jongen!--uitstedend, humaan, goed voor iedereen. 'k Herinner me nog dat

ik eens van een rit langs de posten terugkwam in een hevige koorts--ik

voelde dat ik wat onder de leden had. 'k Zag geen kans meer om mijn huis

te bereiken--'k viel dus bij hem binnen. Kerel! riep ik, geef me gauw

wat brandy-soda, 'k ga anders van m'n stokje. 'k Had nog juist de kracht

om dat te zeggen. Hij heeft me verpleegd, totdat er andere hulp was; hij

holde zelf naar de Soos om champagne en ijs.--Enfin! hij heeft alles

voor me gedaan, alles beredderd, want ik werd zwaar ziek en de

champagne--ik heb heel wat fleschjes gebruikt--kostte zijn lieve duiten,

het tractement van 'n luitenant permitteert anders zoo'n luxe niet,

ja?--Maar hij was van die kracht, weet je, dat hij zei:--'t _moet_ er

wezen en dan kwam het er!

In één woord: hij was een kerel met een hart als van goud, 'n beetje

zieltje zonder zorg, die soms dacht dat een dubbeltje twintig centen

had, maar overigens een officier, die hoog stond aangeschreven; een vent

waar ze op aan konden. Hij had verbazend goed slag om met de soldaten om

te springen, hij kreeg alles van ze gedaan, want hij behandelde ze als

menschen, zie je? Ze vlogen voor hem en toch was hij streng, hard als 't

noodig was. Van tijd tot tijd had hij, wat hij zelf noemde, "zwarte

buien." Dan was hij somber en in zichzelf gekeerd, soms dagen lang.

Meestal hield hij zich dan schuil en wou niemand zien:--"hij wou geen

mensch met zijn mistroostig bakkes vervelen," zei hij en piekerde liever

alleen.

Wonderlijk genoeg had hij dan, na zoo'n bui, altijd een voorgevoel. Soms

zei hij dan plotseling: "Over een paar maanden is die of die er geweest.

Zeg 'm maar goeien dag, als je 'm nog ontmoet!" In den beginne lachten

we hem uit, we noemden hem de ongeluksraaf en ik zei: "ik zal je 'ris

wat geven, kameraad, je digestie is bepaald weer niet goed."

Maar toen zijn profetiën een paar malen waren uitgekomen, konden we er

den draak niet meer mee steken. 't Was te akelig. We zeien dus: "Amice,

hou die dingen liever voor je." Dan keek hij je meestal zoo zonderling

aan en zei: "'k Wou dat ik het kon!"

't Was alsof langzamerhand die eigenaardigheid bij hem uitsleet, want

hij zei niets van dien aard meer en was de joligste, prettigste makker,

dien we verlangen konden, maar eens op een avond, wel een jaar later,

begon hij weer. We hadden met een clubje makkers in zijn voorgalerij

gezeten, heel gezellig bij mekaar. We dronken brandy-soda en zetten een

boom op, over allerlei dingen. Hij was de gezelligste van allen, tapte

de eene ui na de andere en was nog moppiger dan anders. We soupeerden

wat, staken lekkere Havana's op, die ze hem van huis, uit Holland,

hadden gezonden en toen we eindelijk opstapten, hield hij mij terug en

zei:

"Doktertje, jou moet ik nog even apart spreken."

Ik dacht dat hij een of andere kleinigheid mankeerde en ging weer

zitten, de anderen marcheerden af, lachend en zingend.

--Wel, wat is er? vroeg ik, pillen, poeiers of drankjes noodig?

--Neen! antwoordde hij kalm, ik heb geen van je viezigheden meer noodig.

Steek nu eerst nog een van die lekkere Havana's op en luister dan even

met attentie, ja?

--Kerel wat ben je opeens ernstig geworden; ik zei het, omdat ik min of

meer ontstelde toen ik hem goed aankeek. Hij was bleek, met blauwe

kringen en dikke wallen onder de oogen. Was dat zoo opeens gekomen of

had ik 't niet eerder opgemerkt, door de jool die we samen hadden

gemaakt. Ik wist het niet, maar ik kreeg een koude rilling over mijn rug

toen hij, met een flauw glimlachje zei:--Steek nog wat van die sigaren

bij je, doktertje! Jou smaken ze en ik ... zal ze niet meer noodig

hebben. 'k Heb weer een voorgevoel gehad....

--Och, Soedah!--malle dwaasheid!

--...over me zelf, ging hij, kalm en ernstig sprekend voort, zonder zich

aan mijn uitroep te storen.--'k Heb me zelf gezien--dood! Over een paar

dagen ga ik er van door!

--Dolligheid! riep ik, maar ik kòn niet lachen. Hij nam er geen notitie

van en zei eenvoudig:

--Je weet, het is weer gedurig mis aan de buitenlinie, dáár zullen ze me

te pakken nemen, let maar op! Overmorgen ga ik er zeker met mijn

compagnie heen--gisterennacht wist ik het in mijn slaap.

--Haal je toch zoo'n dwaasheid niet in je hoofd, je hebt misschien te

zwaar gesoupeerd en benauwd gedroomd, dat is een gewoon gastrisch

verschijnsel! Ik wou hem van dat denkbeeld afbrengen, maar het lukte me

niet.

Hij lachte weemoedig en zei:--Je bent een goeie vent, doktertje! Je wilt

het me uit mijn hoofd praten, maar dat kun je toch niet. Ik weet, wat ik

weet--och! jij kunt dat zoo niet begrijpen, maar het is zóó en niet

anders.

Een oogenblikje keek hij naar buiten, waar de boomen en struiken zoo

mooi in het heldere maanlicht stonden.--'t Is toch wel mooi en en lekker

hier, ja? Jammer dat we niet langer bij mekaar zullen blijven. Wil

jij--juist terwijl hij weer naar mij omkeek begon op tafel een

speeldoos, die er stond, te spelen. Al pratend had hij, zonder er bij te

denken, zijn hand op de doos gelegd en 't knopje van de mechaniek

aangeraakt.

--"Leise, leise, frommer Weise!" speelde de doos. Zuiver en helder klonk

het eenvoudige lied in den stillen nacht. 't Kan in Indië zoo doodstil

zijn 's nachts, dat het schijnt alsof ons gehoor dubbel scherp wordt.

Hij luisterde zwijgend en toen het air uit was zette hij de doos op een

aantal waterglazen en deed haar het stuk herhalen.

--Dat is een van de mooiste melodiën, die ik ken, zei hij zacht; ze is

zoo innig aangrijpend eenvoudig en lief ... en nu, Soedah: Hij liet de

speeldoos ophouden.

--Luister nu even doktertje! Wat ik je zeggen wou is dit: jij bent hier

altijd mijn intimus geweest, ja? Doe je me nu ook pleizier en regel mijn

boeltje, als ik er niet meer ben. Ik heb nog een paar beertjes, die moet

je maar zien te temmen, zoo goed en kwaad als 't gaat, in mijn cassette

liggen nog een paar brieven, die moet je maar verbranden en jij, niemand

anders dan jij, hoor--moet aan mijn familie schrijven, hoe alles is

gebeurd!...

--Maar beste kerel!...

--Neen, val me nu niet in de rede--laten we alle discussie maar staken,

't is tijd verspillen. Geef me nu maar een hartelijken handdruk.

Zoo!--flink zóó! nog eens!--Je belooft me alles, ja? En zeg me nu eens

ferm goeden dag. Hij omarmde mij en kneep mijn handen bijna fijn--'t was

zoo'n krachtige kerel! Toen duwde hij mij vooruit, het erf op en

zei:--En nu naar huis, 't is laat! nog eenmaal greep hij mijn handen,

drukte die en zei: God zegen je makker, Slamat tidor! en keerde in huis

terug.

* * * * *

Twee dagen later klonk van een van de posten, tegen het vallen van den

avond, het hoornsignaal "om den dokter!"

Daar lag hij, mijn arme, brave makker. Zoo'n vuile sloeber had hem een

kogel midden door het voorhoofd gejaagd. Morsdood! meer kon ik niet

zeggen, mijn hart zat me in de keel.

--Hij heeft gevochten als een leeuw, zei een luitenant, die zwart van

rook en stof kwam aanloopen.

--Hij viel vlak naast me neer en vóór hij stierf kon hij nog even

zeggen:--neem het bevel over, ik heb mijn portie!

De dokter pakte zijn accord-cither in de doos, lei 't muziekboekje er

boven op en zei:

--We zullen 't er voor van daag maar bij laten--en in zichzelf, even

zuchtend,--'t was een beste jongen, Kasian!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 26 / 50 题