COMEDIE-VOORSTELLING EN BEGRAFENIS AAN BOORD.

Sedert eenige dagen zweefde er aan boord van de _Amalia_ een zekere

geheimzinnigheid door de warme, loome lucht in salon en rookkamer. Wat

er op til was, wist eigenlijk nog niemand, maar uit verschillende

voorteekenen was toch op te maken, dat er spoedig iets bijzonders

gebeuren zou. Verschillende jonge dames en luitenants waren, in een

hoekje, bezig met schrijven en bedekten, zoodra iemand naderde, 't geen

zij schreven met hun vloei of hun hand. Zelfs in de kinderkamer had men

een paar oudere dames fluisterend zien praten met een sergeant van het

detachement en een nieuwsgierig jongmensch, die haar van uit zijn hut

bespied had, kwam in de rookkamer de tijding brengen: "Verbeeldt je, ze

hebben een groote blauwe hansop, een zoogenaamden apenbroek voor den

sergeant gemaakt; ik heb gezien dat ze hem 't ding aanpasten!"

Van 't voorschip waaiden herhaalderlijk melodieën over, door

mannenstemmen gezongen en boven op de groote kap der rookkamer, klommen

dagelijks heimelijk vier man en een sergeant, met stokken gewapend, om

zonnehitte of wind trotseerend, dáár een oefening in 't schermen te

houden. Er was dus, zoo veronderstelde men, een verrassing in aantocht;

niemand wist er evenwel het rechte van, vóór den 13en Mei, toen men bij

de lunch naast zijn bord een net geschreven kaart vond, luidende:

#Programma#

van de Uitvoering der Soldaten-Vereeniging

"Wilhelmina," op 13 Mei 1896,

's avonds 8-1/2 uur.

Verschillende voordrachten en zangnummers beloofden een waar kunstgenot

en een pantomime zou den avond besluiten.

Het raadsel was dus eensklaps opgelost. Iedereen prees de vlijt der

jonge dames, die, met de luitenants, meer dan zeventig maal den tekst

der zangnummers, welke ten gehoore zouden worden gebracht, hadden

uitgeschreven en men lachte over het feit, dat een paar andere dames van

een harer kleeding stukken een klowns-pak hadden geknutseld voor den

sergeant, die in de pantomime zou optreden. 't Werd verder ruchtbaar dat

verschillende heeren stukken van hun garderobe in bruikleen hadden

afgestaan aan sommige medespelers.--Ja! 't verluidde zelfs, dat een der

officieren zijn uniform en sabel voor dien avond had beschikbaar

gesteld.

De kinderen juichten van vreugd in 't voor uitzicht den heelen avond te

mogen opblijven en naar de komedie te zullen gaan en de ouderen vonden

zoo'n afwisseling op de vrij eentoonige reis niet onaardig.

Intusschen begon Kees, de kwartiermeester, die behalve zijn betrekking,

ook nog de functiên van politieagent over de lieve jeugd, van

opredderaar en schoonmaakster uitoefent, met een paar van 't volk en den

bootsman het tooneel op te slaan.

De administrateur, aan wiens groote bekwaamheden als

tooneeldirecteur-decorateur-tooneelmeester-inspicient ik een woord van

lof niet kan en mag onthouden, nam de generale leiding op zich en de

eerste machinist zorgde voor de electrische verlichting.

Het stoomschip "de Amalia" bezit een eigen tooneel-decoratief, indertijd

vervaardigd door een passagier, een photograaf-artist, die zich door het

scheppen van dit kunstgewrocht een onsterfelijken roem heeft verworven.

Het voorscherm, dat echt oprollen kan, even als in een heusche komedie,

is ontwijfelbaar geniaal ontworpen en magistraal uitgevoerd.

Twee figuren, waaronder de artist, om mogelijke verwarringen te

voorkomen, de namen Apollo en Erato schreef staan in dansende houding op

een nogal soliede, vettige wolk.

Klokslag half negen waren alle plaatsen bezet--ook op 't schellinkje zat

een gedistingeerd publiek, n.l. de eerste officier en de eerste

machinist met andere officieren en gewone stervelingen. Zelf

"leelijkerd" de hond van den bootsman, had daar een plekje gevonden, van

waar hij met den ruigen kop op de voorpooten, met zijn verstandige oogen

het schouwspel kon aanzien.

Het was heerlijk weer, erg warm, maar daaraan raakt men op 11°.38 NB. en

53°.40 OL. wel gewoon. De boot slingerde niet zoo veel als 's morgens,

toen er zelfs nog even sprake van was, dat de voorstelling niet zou

doorgaan, maar onze komandant had gezegd: "'t zal wel losloopen van

avond"--en 't liep los!

Na een schitterende ouverture, door "de gloeiende pook," het

puik-muziek-corps der stokers, met veel brio gespeeld, begon de

voorstelling.

't Publiek had bepaald plezier--er heerschte een echt prettige toon en

van 't schellinkie af werd met stalles en ander publiek menig hartig

woordje gewisseld. Soms klonk het heel familiaar--"O! Hein geef de

flesch reis an, we zullen 'n krakertje nemen!"

De voordrachten slaagden uitmuntend en eenige millitairen, die

acrobatische toeren en platische standen ten beste gaven werden

uitbundig toegejuigd.

De entre-actes werden verdienstelijk aangevuld door Soli op groote trom,

triangel, harmonica of tamboerijn of ensemble nummers van "de gloeiende

pook." Trots het slingeren van 't schip slaagden de gymnastische standen

van twee en drie hoog menschen op elkaar vrij goed en toen ze éénmaal

door de zee werden omgeworpen lachten de executanten het hardst.

De kommandant, die zeer bescheiden, achter de stalles een plaatsje had

gezocht, om meteen een oogje te kunnen houden over 't publiek daar

achter, dat nog al gemengd was, deed intusschen met groote vrijgevigheid

allerlei versnaperingen ronddienen.

Hij blijft altijd even kalm en vriendelijk, maar toch ziet men het hem

aan, dat hij schik heeft in zóó'n uitvoering, al zou 't maar alleen

zijn, omdat zijn passagiers er een aardige afleiding door hebben.

't Was heel eigenaardig, zoo'n voorstelling bij te wonen, terwijl de

boot, nu en dan sterk overhellend, gedurig zachtkens schommelend door de

deining van den Indischen Oceaan, met den gewonen spoed van 70 mijlen

per etmaal door de golven sneed.

't Gedruisch van 't water, 't gedreun en gestamp der onvermoeid,

onophoudelijk doorwerkende machine merkte men nauwelijks meer,--men

raakt allengs aan die geluiden gewend. Alle aandacht was op tooneel en

spelers gevestigd. Men vergeet feitelijk voor enkele oogenblikken, dat

men zich op een bodem bevindt, die, hoe groot en stevig ze ook moge

zijn, toch als een notendop kan worden heen en weer geslingerd, zoodra

het verraderlijk element zich weren wil.

't Moet, dunkt mij, voor den kommandant aangenaam zijn om te zien, te

ervaren, hoe gerust al die menschen daar te samen zijn. Hij moet juist

in zulke oogenblikken gevoelen dat men het volste vertrouwen in zijn

kunde en ondervinding heeft,--maar tegelijk zal hem ook zijn groote

verantwoordelijkheid te binnen schieten, als hij zóó veel menschen voor

zich ziet, die aan niets anders denken dan aan hun amusement.

* * * * *

Op 't achterdek klinkt vroolijk het orkest van "de gloeiende pook";

wals, mazurka en pas de quatre wisselen elkander af, luchtig en jolig

draaien de paartjes rond, puffend van de warmte, met wangen rood en

gloeiend van pret en vóór in 't logies der Javanen ligt Sariman, de

jongen van den kommandant, te sterven. Niemand weet het, want niemand

heeft opgemerkt, dat Sariman vroeg ter kooi is gegaan.

Voormiddags had de kommandant hem nog laten roepen om iets voor hem te

doen--een kleine reparatie aan een kleedingstuk.

Sariman had de jas gehaald en was er zwijgend mee naar beneden gegaan.

Een inlander zegt altijd zoo weinig mogelijk en Sariman was een

dergenen, die nog minder zei: hij was niet jong meer en had reeds

herhaalde malen op vroegere reizen kleine ongesteldheden gehad. Wat een

Javaan scheelt, komt men bezwaarlijk te weten; hij klaagt zelden en zegt

alleen wanneer hij zich niet wel gevoelt "Sakit!" Is 't heel erg dan

noemt hij 't "Sakit kras," meer kan men niet van hem te weten krijgen en

obat-blanda (geneesmiddelen) neemt hij hoogst ongaarne in.

Zóó had ook Sariman gedaan. In 't begin van den avond had hij gezegd

"Sakit!" en tegen 't vallen van den nacht "Sakit kras!" Meer niet. Hij

was gedurende de feestvoorstelling ongemerkt ter kooi gegaan en toen de

Mandoer (de opperkellner) hem 's morgens om 5 uur, als naar gewoonte

wilde wekken, vond hij hem dood en reeds verstijfd.

Arme kerel! misschien had hij daar in zijn donker benauwd logies nog

een oogenblik gedroomd van zijn land--hij was een Orang-Soerabaia--van

de groene bergen van Java, van den Klapperboom, die bij zijn geboorte

was geplant en zijn ouderdom vertegenwoordigde. Wellicht was hij nog in

gedachten bij zijn vrouw en kinderen geweest, terwijl hij zich "sakit

kras" voelde--en misschien ook niet, want een Javaan, zegt men, denkt

zeer weinig, niet verder dan 't oogenblik. Ik wil voor Sariman hopen,

dat hij een dier gelukkigen was!

De dokter constateerde den dood en uitte als zijn meening dat de Javaan

ingeslapen en in den slaap door stilstand van het hart gestorven was. 't

Lijk werd dadelijk in een zak genaaid, gezwaard met een aantal zware

ijzeren roosterbaren en op de plank gelegd.

* * * * *

Eén glas aan de klok!--half negen.

Op 't voorschip is 't plechtig stil, de soldaten zitten in afwachting,

hier en daar op den bak of tegen de verschansing. De Javanen, die op het

schip in dienst zijn, naderen in hun witte baadjes met den hoofddoek om,

de Mandoer gaat voorop. Midden op 't schip ligt het lijk van Sariman op

de plank, overdekt met een vlag; de kommandant staat aan stuurboord bij

de verschansing en wenkt.

De eerste officier in groot tenue, met witte handschoenen aan, geeft een

teeken en de Javanen vatten de plank aan de touwen hengels op. Zij

dragen hun gestorven makker langzaam het voorschip rond.

Voorop gaat de eerste officier met den dokter, dan volgen twee matrozen

in 't wit, hun zondagspak, en daarna komt het lijk, twee matrozen

sluiten den kleinen stoet.

Met korte doffe slagen luidt de scheepsklok. 't Is nu de doodsklok; men

hoort dat onmiddellijk! Er klinkt een eigenaardig-droeve sombere toon

uit die groote metalen bel, die anders zoo vroolijk klinkt.

Bom! Bam! Bom! Bam! in een langzaam en getrokken tempo galmen de slagen

door de zuivere heldere lucht.

Ernstig kijken de militairen en matrozen naar den omgaanden stoet; de

enkele passagiers, die zich haastig hebben aangekleed, staan van verre

en de sergeants salueeren als 't lijk hen voorbij gaat.

Driemaal is de doode rondgedragen. Bom-bam! Bom-bam! luidt de klok, iets

minder krachtig, terwijl de plank bij de verschansing wordt neergelegd.

De Javanen laten de touwen los en de vier matrozen, twee voor, twee

achter, grijpen de plank aan.

--Stoppen! beveelt de kommandant.

De machine komt een oogenblik in rust. Zonderling stil is het eensklaps

geworden, men hoort alleen 't zacht ruischen van de golven en 't

langzame kleppen van de klok, die steeds zachter schijnt te klinken:

Bom-bam!

--Mannen doet uwen plicht!--de kommandant neemt na die woorden zijn

uniformpet af, en wacht een oogenblik, totdat hij ziet dat het lijk met

de voeten over de verschansing ligt. Dan zegt hij duidelijk en langzaam,

plechtig, met vaste stem, op ieder woord klem leggend:

--Eén--twee--drie--in Godsnaam!

Bom--bam!... Bom--Bam! doet nog zachter en weemoediger de klok--de plank

wordt aan de achterzijde opgelicht, het lijk glijdt er af, plonst in de

golven en is in 't zelfde oogenblik in de diepte verdwenen.

Bom--Bam! heel zacht sterft tegelijk met het wegzinken van het lijk de

galm van de klok, die over een kwartier twee heldere slagen, de glazen

van negen uur zal doen hooren.

Er is een ziel minder aan boord--de meesten hebben het niet gemerkt,

want door de pret van den vorigen avond zijn bijna allen laat opgestaan.

Zóó is het leven!--Komen en gaan--onopgemerkt en stil of met groote

staatsie en ophef. 't Is maar de vraag wie--wat men is!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 24 / 50 题