MET "DE AMALIA" VAN GENUA NAAR PADANG.

I

Bal en kerk aan boord.

--Laat ze maar eens pret hebben; ze leven nu nog zonder zorg en hebben

't goed! zei de sergeant, die met mij stond te praten op 't voorschip

van de _Amalia_, terwijl we van Genua af de Middellandsche Zee

instoomden.

--Wie weet hoeveel er over zes of zeven maanden nog over zijn van ons

detachement van 80 man. 't Kan best wezen, dat ze nooit Europa terug

zien; ik heb de reis al vier maal heen en weer gemaakt, meneer. 'k Heb

er heel wat zien gaan en ook terugkomen--maar hoe!

En 't ging intusschen vroolijk toe, vóóruit. Een Belg, een flinke jonge

kerel, met een oolijk gezicht en een zwarten knevel, zat onvermoeid een

groote drieklaviers harmonica te bespelen, een Hongaar begeleidde hem

zoo goed het ging op de viool, een stoker sloeg flink in de maat groote

trom en een matroos roffelde heel aardig op een kleine

infanterietrommel. Tamboerijn, bekkens en triangel, door een paar

soldaten met onmiskenbaar talent bespeeld, volmaakten het orchest dat

onder de over de plecht gespannen zeilen allerlei populaire danswijsjes

deed hooren.

--Danzen ze nich arg nètjes? vroeg de bootsman, terwijl hij den kop van

"leelijkerd", zijn hond, streelde.

--'t Is volle liefhebberij om toe zien, hé? De man, een Noor, sprak met

wonderlijk accent en speelde al pratend met zijn reiskameraad--een

mormel zooals de dames verklaarden.--Hold je schtil, leelijkerd! hai wil

wol 'r is janke, 't moesik vervèld 'm, maor hai zol dr'al aan gewoond

konnen zain, want 't is zain vierte rais al; 'k habbe 'm van 't versoepe

gered en noe is d'r so trouw. Oemdat 'r lilik was wolden ze hum

versoepe--de bootsman lachte:--ik ben òk niet mooi oend ze versoepe main

doch nich, zoo'n stomme dier wol doch ooch léve--hold dîn schnoet dan

toch!

--_Sei nich bös und schick digh d'rein!_, speelden harmonica en viool;

bomketel, trom en triangel hielden goed de maat en op die slepende wals

uit "Der Obersteiger" walsten in langzaam deftig tempo de soldaten met

de stokers en de matrozen. Stijf als staken, rechtop, elkander

vasthoudende als waren zij van porcelein, draaiden ze langzaam en

voorzichtig rond. Blijkbaar vonden de overigen dat spilmatig ronddraaien

buitengewoon mooi, en een paar dansers, een jong soldaat en een stoker

met opgestroopte mouwen, en-coeur gedecolleteerd, als dame, trok de

algemeene aandacht. Een ander paar, even chic en netjes dansend, bestond

uit twee slagers; de een had 's morgens een koe, de ander het varken,

dat nog in 't want hing, geslacht.

--Zij doen 't netjes, arg fatsoenlijk, fain! zei de bootsman en met een

goedig lachje:--zoo hold je die joengens bezig oend blijft 'r 't goed

humeur in.

't Was waarlijk een alleraardigste groep, die soldaten van allerlei

nationaliteit--er zijn Duitschers, Hongaren, Belgen en Zwitsers onder de

aangeworvenen--babbelend, lachend, neuriënd, dansend en pretmakend niet

de stokers en de Jantjes, die op dat oogenblik niets te doen hadden. 't

Bal werd meer en meer geanimeerd. Een matroos danste gracelijk solo en

de vroolijke tonen van 't primitieve orchest lokten de dames en de

heeren van 't achterdek. 't Duurde niet lang of een groot aantal kijkers

stond voor de afdeeling, bestemd voor de militairen. Zelfs de twee

nonnetjes van de stichting "Le bon pasteur", die voor Suez bestemd zijn,

de eene voor 't Lazareth, de andere voor de kleine kinderschool, stonden

met lachende gezichten naar de vroolijke "jongens" te kijken.

--Pauvres gargons! zei de eene.

--Sont ils gais maintenant! que le Bon Dieu les protège zei de oudste

die voor 't lazereth bestemd is.

--Er zit nu geen jenever in en toch hebben ze schik, zei de sergeant,

met wien ik met veel genoegen had kennis gemaakt. 't Volk krijgt aan

boord twee maal per dag een oorlam'en daarmee basta!

--'t Is een fatsoenlijk Zeedijkstafereel, lachte een toeschouwer en een

ander beweerde: 't werkt aanstekend op de jonge dames, haar voetjes

beginnen te trippelen. De zon was prachtig ondergaan en 't water bleef

zoo glad en kalm, dat men zich nauwelijks verbeelden kon, de straat van

Messina reeds te zijn gepasseerd. 't Blauwe water van de Middellandsche

Zee was allengs grijs-groenachtig geworden en hier en daar gaf een

blinkende ster reeds een lang wiebelend lichtschijnsel op 't even

rimpelend zeevlak. Onze boot stoomde rustig en als glijdend voort en

hoewel de wind wat koel begon te worden en soms een golfje deed ontstaan

was 't heerlijk aan dek. De jonge dames, sommigen de kinderschoenen nog

niet ontwassen, keken zóó verlangend naar die eenvoudige harmonica en de

nog altijd op 't reeds duister geworden voorschip ronddraaiende mannen,

dat de kommandant de hand over zijn goedig hart streek en een

kwartiertje later zaten harmonicavirtuoos en violist op 't achterdek

tegen de lichtkap van den grooten salon. In een ommezien zwaaiden en

draaiden de jonge meisjes met een paar flinke luitenants en andere

heeren, die de wals of den "pas de quatre" kenden.

In gemakkelijke schommelstoelen gezeten keken de oudere dames

toe--muurbloemen kent men aan boord niet--sommige heeren maakten een

partijtje hombre of whist in de rookkamer, anderen stonden rookend tegen

de verschansing, sommigen met de verzuchting in den rook van hun sigaar:

"ils sont passés ces jours de fête."

Soms is 't voor mijn oor alsof wals of "pas de quatre" maat houden met

het stampen en dreunen der machine, met 't geruisch van 't water, dat

opspat langs boeg en boord, vervloeiend tot een schuimend spoor achter

't schip, dat steeds onverpoosd voortstoomt, rustig zijn weg vervolgend,

kalm en statig, als ware 't trotsch op zijn macht en bewust van de

verantwoordelijkheid die het heeft. Soms wuift een zwarte rookpluim uit

den schoorsteen omhoog naar achter, als een roet aan 't land, dat we

heden morgen nog zagen; als een geruststellend teeken van kracht en

volharding.

* * * * *

--Wanneer het zulk weer blijft, zegt onze vriendelijke kommandant,

bereiken we Port-Said Dinsdag ongeveer tegen 6 uur n.m.

--En worden we nu niet meer zeeziek? vragen de dames, angstig en

smeekend den kommandant aanziende.

--Neen, dames!--Zóó kort beleefd en zoo stellig is zijn toon, dat alle

gezichten opklaren en zelfs de meest zenuwachtige dame met een gerust

hart haar couchette opzoekt, in de hoop van beter te slapen dan den

vorigen nacht, toen schier allen haar tol aan de Middellandsche Zee

betaalden.

Maar 't kwam anders, want bij 't verlaten van de golf van Genua kwam de

zee plotseling hevig in beroering en blies de wind zóó sterk uit het

Zuiden, dat de zeeziekte eensklaps een aanval deed op de niets kwaad

vermoedende passagiers.

--Sakit lout! Sakit kras! klaagde een Baboe, die door een familie als

finaal vrij van zeeziekte was aangenomen, om op haar drie kindertjes te

passen.

--'n Beroerd koopje! mopperde haar meester, die nu behalve op zijn vrouw

en kinderen, ook op de Baboe moest passen, terwijl hij zelf nu en dan

met doodsbleek gelaat een poosje over de verschansing ging hangen.

--'n Ganz verflixtes, unheimliches Gefühl zei een Oostenrijker, die geen

goed Hollandsch en goed Duitsch meer sprak. Maar ich habe ein

Üniversalmittel dagegen--namelich viel Gläscher Bier.

--Bier! ik kan 't niet zien, kreunde een ander die, een schokkende

maagbeweging nauwelijks onderdrukkend, op een langen Singaporestoel

uitgestrekt, klagend om 'n cognacje riep.

--Zeeziek wezen is bepaald een penitentie, die heel wat slechte daden

uitwischt, klaagde een dame en met eau de cologne haar wangen en

voorhoofd bettend, zuchtte zij:--man, lieve man, zou je niet even uit

onze hut wat bruispoeder ... willen halen, zei ze niet meer, want als

door een adder gestoken vloog zij op, om met een sprong de verschansing

te kunnen bereiken. Haar lieve man keek met roerende overeenstemming

van gedachten naast en met haar in de diepte en toen zij samen waggelend

weer hun stoelen bereikten, waren ze voor eenige oogenblikken opgelucht

en werden 't dadelijk oneens over hun kinderen.

't Schommelde, stapte, slingerde en dreunde dan ook geweldig, de

slingerlatten kwamen op tafel en toen we, aan table d'hote gezeten, de

warme spijzen onder den neus kregen, waren er nog verschillende

passagiers en dames, die eensklaps de vlucht naar 't dek namen.

--Schade um's schöne Essen, zei de gemoedelijke Oostenrijker, die veel

te dik en te stevig was om last te hebben van: ein schwankelender Magen

im Leibe, zooals hij 't noemt.--Es ist eine dumme Idée, nichts zu essen,

zei hij, smakelijk een vette kalfscarbonade verorberend;--de

See-Krankheit kommt nur davon dass der Magen nicht fest liegt;

volpropfen muss man ihn und viel Fett ...

--Och meneer, hou op asjeblieft! ik wou graag wat eten, maar 't idee van

vet maakt me al wee!

--Was, wee! Fett schmiert der Magen und halt ihn fest im Corpus, ich

esse für drei und mir bekommt alles gut.--Mefrou, doe so wie ich, dan

soll je niks zu leiden hebben; hij klopte op zijn dikken gezelligen buik

en lachte:--dáár sitz een laav Schpeck auf, die kan was gegenhalten.

Er waren slechts weinigen aan tafel en 't aantal der etenden verminderde

al naar het slingeren en stampen der _Amalia_ toenam. De Oostenrijker,

een drietal oudgasten, een jong luitenant, die erg grootsch was op zijn

immuniteit, twee heeren, die hoewel zeer bleek toch met verachting van

alle gevaar dooraten en ik, bleven ten slotte over. De koffie werd

gediend en door dat warme vocht bezweek nog een der bleekneuzen, die,

alle vormelijkheid vergetend, met zijn hand voor den mond als een dolle

naar boven stormde.

--Der junge Mann soll nur gleich wieder herunter kommen und sich den

Magen wieder voll thun, zei hoofdschuddend de Wiener en terwijl hij hem

naoogde:--dan hat er weinigstens etwas für den folgenden Anfall!

Die verzuchting klonk zoo komisch, dat zelfs een der Javaansche jongens,

die wat Duitsch verstond, den mond een weinig vertrok, 't Zijn anders

voorbeelden van onverschillige rust, die jongens; ze zien er zóó kalm en

als uit chocolaad geboetseerd uit, dat 't me niet verwonderen zou,

indien ze met dezelfde kalmte den ondergang der _Amalia_ zouden aanzien,

zonder zich naar de booten te reppen.

Sam, mijn hutjongen, is een van de mooisten, hij heeft een vrij

fatsoenlijk gezicht en ik geloof dat hij, wanneer men hem langdurig

kietelde, wel een begin van lachen zou vertoonen. Hij kwam met een

ernstig gezicht vragen: "Meneer, stoeltje?" ik dacht dat hij 't

vouwstoeltje dat in mijn hut stond wou hebben en gaf hem dat. Hij

schudde 't hoofd en herhaalde: "meneer, stoeltje?"

--Ik heb geen ander stoeltje, kijk maar!

--Tida! Sam vragen, meneer, stoeltje, bopen?

Goddank, eindelijk begreep ik dat hij vroeg of ik mijn stoeltje, n.b.

een ding van pl.m. 2 meter lengte, ook boven op dek wou hebben. Een

vriendelijk medepassagier onderrichtte mij dat "de jongens" als ze erg

fatsoenlgk willen zijn, de aan den Europeaan toebehoorende artikelen

steeds met het verkleinwoord aanduiden.

"'t Stoeltje" werd op dek gezet naast al de anderen, waarop de arme

zieken lagen te kreunen en te zuchten. Ik probeerde te zitten, half

liggend, maar die houding beviel mij niet en daarom wandelde ik met den

onverschrokken luitenant het dek op en neer, maakte mezelf compliment

over mijn weerstandsvermogen en stak een nieuwe sigaar op. 't Begon

harder te waaien, we zetten onze jaskragen op.

Nog een paar uur bleven we als zeehelden het ruwe element trotseeren en

wat de arme zieken niet konden zien, zagen en bewonderden wij, die

prachtig witte koppen op de donkere golven, aanrollend, statig en met

onweerstaanbaar geweld. Dan, als bedwongen, brekend tegen boeg en boord,

opspattend en verstuivend door den wind. De maan kwam op en verlichtte

nu en dan de woelige schuimende zee; achter in 't zog phosphoreseerde

het water.

--Präzis Klosterbräu, mooi wit sjuim! zei de Oostenrijker, over de

verschansing kijkend.--Sepada, en met de hand over zijn maag strijkend

tot den naderenden jongen: Minta bier! das Meer gibt mir Durst.

Wat 'n gelukkige vent, dacht ik, de poëzie van 't leven blijft hem zelfs

in deze oogenblikken bij.

Eensklaps vlogen alle zieken op, rolden door elkander of namen de vlucht

naar rookkamer en salon.

Er was een zeetje overgekomen van stuurboordzij. Een luitenant met een

leege maag, die in zijn burnou gewikkeld, manhaftig wind en zee

trotseerde, was doornat; een dame had een doorweekten hoed; ja zelfs een

hooggeplaatst ambtenaar, die zijn waarde erg voelde, was niet gespaard

en trad druipend af. De zee kent geen consideratiën! Nog een paar

overslaande zeetjes en 't dek werd ontvolkt; ik zocht mijn hut op en

begon me te ontkleeden.

'k Ben nooit dronken geweest maar nu weet ik, nu begrijp ik hoe iemand,

die te diep in 't glas keek, zich gevoelen moet. Ik viel van rechts naar

links, nu eens tegen de couchette aan, dan weer op mijn koffer of tegen

den wand. 't Begon me akelig te draaien en ik geloof dat 't juist

bijtijds is geweest, dat ik langscheeps lang uitgestrekt kon gaan

liggen. Ik kreeg toen een aangenaam gevoel als werd ik zachtjes gewiegd

en in slaap gezongen door 't geruisch der golven, 't gedruisch en

gestamp der machine. Wél hoorde ik links, rechts, achter en voor mij

allerlei verdachte en benauwde keelgeluiden, roepen om balies

(bakjes).--O Gott, ein Nachtgeschirr!! en:--breng twee cognacjes. Soms

zuchten en schreien van dames en kinderen, maagklanken, keelschrapingen

en borrelend hoesten, maar deed mijn oogen toe en sliep in met de

gedachte: de _Amalia_ is een beproefde oude vrienden van de zee,

kommandant Visman een ervaren bevelhebber en zijn officieren en

manschappen doen hun plicht in ieder opzicht.

Er is iets geruststellends in te weten, dat er over u gewaakt wordt in

den duisteren nacht, dat van af brug en voorsteven een flinke Janmaat

met spiedend oog op den tuikijk staat en dat het schip, al kraakt en

dreunt het ook geweldig, krachtig en sterk is, beproefd door vele

reizen.

* * * * *

In de zwak belichte ruimte van 't logies voor Militairen staat de

sergeant, die Bijbellezing zal houden. Hij is een fatsoenlijk uitziend,

kalm, bedaard man, van middelbaren leeftijd, 't Licht uit de

partrijspoorten schijnt op zijn gladgeschoren gelaat en kaatst fel terug

op 't glimmend gepoetste expeditiekruis en de medailles, die zijn

uniform versieren.

Hij is niet gekommandeerd tot de godsdienstoefening, de bijbellezing

wordt door hem niet op bevel gehouden en de militairen zijn niet

gehouden die aan te hooren.

--'t Is puur liefhebberij van weerskanten, zei een van de equipage die

mij vertelde dat er 's morgens om negen uur godsdienstoefening zou

worden gehouden.--De sergeant is een beetje in den Heere, maar--de man

tikte even met de hand aan de uniformpet--alle respect voor hem, 't is

een patente kerel, een vent, die orde onder zijn jongens weet te houden.

Ze mogen hem allemaal even graag lijden, want hij is zooveel als 'n

mensch, zie je? Hij weet te geven en te nemen en hij heeft hart voor z'n

mannetjes. 'k Heb vroeger wel meer van die lui ontmoet, die 't erg van

Onze lieve Heer beet hadden, maar die verveelden je satansch, met 'rlui

gewauwel. Dat doet deze sergeant niet! Begrijp je, daarom kan ik hem

velen, hij gebruikt z'n verstand en hij zeit bij z'n eigen: lust je niet

van de kost, die ik oplepel, welaan zet er je mond dan niet aan, ik zal

je niet forceeren. Dat's royaal gesproken en daardoor komt het dat de

jongens Zondags naar hem komen luisteren; ik mag hem ook wel af en toe

'reis hooren. Hij kan 't zoo netjes zeggen, dat je dadelijk begrijpt wat

hij meent en dat 't door je boddy en je ziel gaat. Vroeger heb ik, als

ik niets beters te doen had, in de kerk naar den dominee geluisterd,

maar dat was me gewoonlijk te machtig, hé? Die hemeldragonders maken

meestal zoo'n herrie bij 't geen ze zeggen en schelden je reëel uit voor

verdommelingen en meer rariteiten--daar moest ik niemendal van hebben.

Maar deze sergeant mag ik wél, die meent wat ie zeit en hij zeit 't

kort: pas op je plicht, doe je zaken, hou je neus uit de polletiek ga je

niet te buiten aan de jandoedel en hou groot van Onze lieve Heer en

bedank 'm voor al 't genige wat hij aan je doet. Zie je, meneer, dat is

zoowat schering en inslag van z'n redenasies. Daar kan ik me best mee

vereenigen en als je dan weet dat die sergeant geen slaapmuts is en op

z'n tijd die bruine sloebers afgerazend op 'r falie heeft weten te

spelen, dan zeg je: laat 'm z'n liefhebberij! 'n Mensch kan d'r altijd

wat van leeren, 'n goed woord kun je altijd gebruiken. Ja, de sergeant

is 'n aardige kerel. Je zult ze van avond reis hooren zingen, de

jongens; hij heeft ze zooveel als gesorteerd, begrijp je, de moffen bij

mekaar, de belsen ampart en de Hollanders sok op der eigen. De moffen

zingen d'r lui eigen liedjes, de belsen en Hollanders laat ie samen die

moppies van Sanky instudeeren; 't bennen liederen van godsdienstige

aard, maar ze klinken mooi--nou, wat wil je meer? Om de klank is 't 'm

toch maar te doen, hè! Begrijp je, meneer! als je zoo'n sergeant bij 'n

detachement hebt is 't 'n pleizierig ding. Daar mag de kapitein net zoo

blij mee wezen als met 'n goeie Baboe voor z'n kinderen; op reis is

zoo'n onderofficier vrij wat beter dan 'n bullebak of 'n kerel die de

jongens stijf vloekt. Wil je wel gelooven, meneer dat ik den sergeant

nog nooit een onvertogen woord heb hooren zeggen--hij is altijd ferm bij

de pinken, maar fatsoenlijk als een sjentelman....

't Is negen uur (twee glazen); in het logies zitten een groot aantal

soldaten op de banken langs de eettafels, velen met een klein bijbeltje

in de hand, anderen hebben plaats genomen op hun kist, op bankjes of op

den grond. De sergeant staat voor de tafel en leest met duidelijke stem

een kapittel uit den bijbel, hoe Johannes de Dooper kwam om den weg voor

Jezus te bereiden. Met aandacht volgen de soldaten hem en als hij dan,

het boek sluitend, in eenvoudige, duidelijke taal het gelezene toelicht

en op de soberheid en matigheid wijst van Johannes, die zich met water,

wilde honing en sprinkhanen voedde, zegt hij:--Zoo moet jelui nu

bedenken, dat 'n mensch nooit matig genoeg kan wezen; jelui hebt het

veel beter dan zoo'n man als Johannes, jelui hebt wat je hart begeert en

wat je mond lust waarom zou je Gods goede gaven dan misbruiken, dat's

nonsens! Maar je mag ze met dankbaarheid genieten, daar heeft God zelf

vreugde in, maar 't is dom en onrecht om je te buiten te gaan en je zelf

in een toestand te brengen, dat je niet meer weet wat je doet. Dan stel

je je nog lager dan 't reddelooze vee; 'n beest gebruikt nooit meer dan

ie noodig heeft, daar kon jelui nog een exemplaar aan nemen. Johannes

zag de geest Gods neerdalen in den vorm van een duif op 't hoofd des

Heeren, dat beduidt zoo veel, alsdat hij begreep dat de Heer Jezus zóó

veel hooger en beter was dan alle andere menschen dat hij een gezant

was, van God gesteld tot een voorbeeld voor anderen. Jezus was de man

niet om opzet of oproer te prediken, integendeel, hij spoorde de

menschen aan om den Keizer te geven wat des Keizers was, maar hij leerde

de menschen dat ze d'r eigen waarde moesten kennen, dat ze in zichzelf

de overtuiging moesten krijgen, dat ze goed moesten wezen omdat goed,

goed en kwaad altijd kwaad is, enz. enz.

Allengs spreekt de sergeant met meer vuur en vloeiender. Hij wordt warm

voor zijn onderwerp en hij weet zijn eenvoudige woorden ingang te doen

vinden bij zijn hoorders. Hij weet ze zelfs zóó te boeien dat de

noodkreten van een varken, dat aan dek ruzie heeft met zijn hokgenoot

geen hilariteit te weeg brengen. 't Kakelen van de kippen en 't kraaien

van een paar vechtlustige hanen werkt evenmin storend op de aandacht als

het jammerend geluid van den ulmerdog, die naast zijn hok een solo

huilt.

Met 't lezen van een paar verzen, uit een psalm en een kort gebed,

waarin Koningin en Vaderland hartelijk in Godes bescherming worden

aanbevolen, sluit de sergeant de godsdienstoefening die een groot half

uur geduurd heeft. De soldaten gaan weer aan dek en ik verlaat hun

logies. Inderdaad, ik heb gesticht deze godsdienstoefening verlaten!

Op reis en thuis: Novellen en schetsen · 第 22 / 50 题