Op de thuisreis gebeurt het niet zelden den Nordlandschen visschers,
dat zij tarwestroo vinden aan het roer of gerstekorrels in de maag der
visschen. Dan heet het, dat zij over Udröst zijn heengevaren of over
een ander der Hulderlanden, waarvan de sage weet te verhalen. Deze
onderzeesche streken vertoonen zich enkel aan vrome of profetische
visschers, die op zee zich in levensgevaar bevinden, en zij duiken
op, waar anders volstrekt geen land te zien is. De aardgeesten,
die daar wonen, beoefenen akkerbouw en veeteelt als andere menschen;
maar hier schijnt de zon over heerlijker grasvelden en vruchtbaarder
akkers dan ergens elders in Nordland, en gelukkig hij, die een dezer
eilanden, door den rijksten zomerglans beschenen, te zien krijgt;
"hij is geborgen", zeggen de Nordlanders. Een oud liedje bevat eene
volledige schilderij van een eiland, in de nabijheid van Helgoland,
"het Zand" geheeten, met vischrijke kusten en overvloed van wild. Zoo
moet zich ook in het Westfjord van tijd tot tijd eene groote vlakte
vertoonen, die intusschen nooit hooger komt, dan dat de aren zich even
boven het zeevlak kunnen verheffen; en buiten Röst, aan de zuidpunt
der Lofoten, vertelt men van een dergelijk Hulderland met groene
heuvels en goudgele akkers: men noemt het Udröst. De eigenaar van
dit land heeft zijn jacht zoo goed als de andere boeren in Nordland;
visschers en schippers ontmoeten hem somwijlen met het zeil in top,
maar op 't oogenblik, als ze meenen dat zij tegen hem aan zullen varen,
is hij eensklaps verdwenen.
Op Vaer-eiland, in de onmiddellijke nabijheid van Röst, woonde eens
een arme visscher, die Izaak heette; al wat hij bezat, was eene boot
en een paar geiten, die zijne vrouw in het leven hield met wat afval
van visch en het gras, dat zij op de bergen in den omtrek inzamelde;
daarentegen had zij eene hut vol hongerige kinderen. Toch was de
visscher tevreden met het lot, dat hem was toebedeeld. 't Eenige,
waar hij over tobde, was, dat hij altijd in onmin leefde met zijn'
naasten buur. Dit was een rijk man, die zich in 't hoofd had gezet,
dat hij alles beter moest hebben dan de arme Izaak, en die daarom
wilde dat Izaak zou verhuizen; dan kon hij de haven krijgen, die bij
de hut van den arme lag.
Op zekeren dag, terwijl Izaak een paar mijlen ver in zee was om te
visschen, werd de hemel eensklaps door zwarte wolken bedekt en stak
er zulk een hevige storm op, dat hij al zijne visch over boord moest
werpen, om de boot te verlichten en het lijf te bergen. Met inspanning
van alle krachten stuurde hij de boot tusschen en over de stortzeeën
heen, die elk oogenblik kwamen aanrollen om hem in den afgrond te
werpen. Nadat hij zoo vijf of zes uur had gevaren, meende hij niet ver
van de kust meer te zijn. Maar hoe hij tuurde, het land bleef weg en
de storm en de duisternis namen steeds toe. Nu overviel hem de vrees,
dat de wind gedraaid was en hij zich al verder van de kust verwijderde,
en ten slotte begon hij te begrijpen dat zijne vrees werkelijkheid was;
want hoe snel hij zeilde, het land naderde niet. Daar hoorde hij op
eens een' akeligen schreeuw aan den steven en hij dacht niet anders,
of 't was een watergeest, die zijn' lijkzang zong. Hij bad den Heer
voor vrouw en kinderen, want hij meende stellig, dat zijn laatste uur
geslagen was. Terwijl hij zoo zat te bidden, zag hij eene zwarte schim,
die al dichter bijkwam; maar 't bleken drie aalscholvers, die op een
stuk drijfhout zaten; in een oogwenk was hij hen voorbij. Zoo verliep
het eene uur na het andere; de arme man werd zoo dorstig en hongerig en
vermoeid, dat hij geen' raad wist; hij zat met de roerpen in de hand,
tot de oogen hem toevielen. Maar op 't zelfde oogenblik schuurde de
boot tegen 't strand en bleef vastzitten. Verschrikt sloeg Izaak de
oogen op. De zon brak door de wolken en verlichtte een heerlijk land:
heuvels en bergen waren groen tot den top, akkers en weiden bedekten de
hellingen, en er stroomde een geur van bloemen en gras hem te gemoet,
als hij nog nooit had geroken.
"Goddank, nu ben ik gered; dat is Udröst," zeide Izaak bij zich
zelven. Vlak vóór hem lag een gerstakker met aren, zóó vol en zwaar,
als hij ze nog nooit had gezien, en door den akker heen liep een smal
pad den heuvel op naar een frisch groen weivlak, en op den top graasde
eene witte geit met horens van goud en uiers zoo groot als de grootste
koe. En aan den voet des heuvels zat een klein mannetje met een blauw
kleed aan op een' stoel zonder rug uit een kort pijpje te rooken;
hij had een' baard, zóó lang, dat hij tot ver over de borst hing.
"Welkom op Udröst, Izaak," zei het mannetje.
"Den zegen van Boven," antwoordde Izaak. "Kent gij mij?"
"Wel mogelijk," sprak het mannetje, "ge komt hier zeker nachtverblijf
zoeken?"
"Ge zoudt er wel aan doen, mij dat te verschaffen, vader," zeide Izaak.
"'t Is het slimste met mijne zonen; die kunnen de lucht van
christenmenschen niet verdragen," zeide het mannetje. "Hebt gij ze
niet ontmoet?"
"Neen, ik ben niemand tegengekomen dan drie aalscholvers, die zaten
te schreeuwen op een drijfhout," antwoordde Izaak.
"Juist, dat waren mijne zonen," viel het mannetje in; hij klopte zijn
pijpje uit en ging voort: "ge kunt wel zoo lang naar binnen gaan;
eene volle maag zal u zeker niet plagen."
"Toch niet," antwoordde Izaak.
Maar nauwelijks had het kleine mannetje de deur geopend, of Izaak stond
stom van verbazing. Zoo iets had hij nooit gezien. De tafel was bedekt
met de heerlijkste gerechten: schotels met roompap en visch en wild
en leverbrood met stroop en kaas, Bergsche krakelingen bij hoopen,
brandewijn en bier en mee en al wat maar lekker smaakt.
Izaak at naar hartelust, en toch werd de schotel niet leeger, en
hoeveel hij ook dronk, zijn glas bleef even vol. De oude man at niet
veel en sprak nog minder; toen hij buiten hoorde schreeuwen en aan
de deur rammelen, verliet hij 't vertrek. Na eenige oogenblikken kwam
hij weer binnen met zijne drie zoons bij zich. Izaak was maar weinig
in zijn schik, toen hij ze zag binnenstappen; doch naar 't scheen,
had de oude man hun' afkeer van christenmenschen weten te overwinnen,
want ze waren heel vriendelijk en voorkomend.
Toen Izaak van de tafel opstond en verklaarde dat hij verzadigd was,
wilden zij, dat hij zou blijven zitten en eens met hen drinken. Izaak
schikte zich zoo goed mogelijk in de omstandigheden, en nu dronken
en klonken ze met elkander en lieten zich het bier en de mee wel
smaken. En ze werden heel goede vrienden, en de drie jongelingen
drongen er op aan, dat Izaak een paar tochten met hen zou doen,
om ook wat mede naar huis te kunnen nemen. Op den eersten tocht,
dien ze samen deden, overviel hun een vreeselijke storm. Een der drie
jongelingen zat aan 't roer, de ander stond voorop, de derde hield
zich op 't middeldek, en Izaak stond aan de groote pomp en werkte,
dat hem 't zweet van 't voorhoofd gudste. Ze vlogen over de golven,
of ze bezeten waren; aan reven dachten ze niet, en als de boot vol
water stond, stuurden ze haar tegen eene hooge baar op, zoodat het
water schuimend en bruisend over den achtersteven heenvloog. Zoo
mochten ze een uur hebben gevaren, toen het weder bedaarde en ze aan
het visschen konden gaan. En zooveel visch vonden ze, dat de bodem
der zee er geheel door bedekt was en de loodjes der vischnetten op de
bergen van visch bleven liggen. De jongelingen van Udröst haalden slag
op slag een net vol op; maar Izaak, schoon hij zijn handwerk verstond
als de beste, kreeg geen graatje; telkens als hij zijne netten--'t was
zijn eigen tuig--ophaalde, waren de visschen verdwenen. Toen ze de boot
vol hadden, keerden ze naar Udröst terug; de jongelingen hingen hun'
buit in 't drooghuis op, maar Izaak beklaagde zich bij den ouden man,
dat het zoo slecht met zijne vangst was gegaan.
De oude verzekerde hem, dat het eene volgende maal beter zou lukken en
gaf hem een paar netten, en toen ze weer uit visschen gingen haalde
Izaak evenveel op als de anderen, en bij het verdeelen der visch
kreeg hij wel drie droogschuren vol visch.
Nu begon Izaak naar huis te verlangen, en toen hij zou vertrekken,
schonk hem de oude man eene nieuwe visschersboot met tuig en klaverdoek
en andere nuttige dingen. Izaak dankte hem voor zijne goede gaven,
en de oude zeide, dat hij maar terug moest komen, als het jacht onder
zeil ging; het zou een reisje maken naar Bergen, en dan kon Izaak
meegaan en zelf zijne visch verkoopen. Nu, dat wou Izaak graag doen;
daarom vroeg hij, welken koers hij moest houden, als hij weer naar
Udröst wilde komen. "Volg den aalscholver, wanneer hij zeewaarts
vliegt, dan zeilt ge vlak op Udröst aan," zei de oude. "Goede reis!"
Maar toen Izaak in de boot was geklommen en eens omkeek, zag hij
niets meer van Udröst; wijd en zijd was niets te bespeuren dan de zee.
Toen de bepaalde tijd om was, voer Izaak op nieuw naar Udröst, om
met het jacht naar Bergen te gaan. Maar zulk een jacht had men nooit
gezien: 't was zoo lang, dat de stuurman, die op den uitkijk stond aan
den voorsteven, onmogelijk den kerel te roer kon beroepen; daarom had
men midden op 't vaartuig nog een' man gezet, vlak bij de mast, die
de bevelen van den stuurman naar den achtersteven overbracht, en nog
moesten beiden uit alle macht schreeuwen, wilden ze zich doen verstaan.
De visch van Izaak was voorin gelegd; zelf haalde hij ze van de speten,
maar,--hoe 't kwam, daar begreep hij niets van,--zoo snel kon hij
ze er niet aftrekken, of telkens kwamen er weer andere visschen voor
in de plaats, en toen hij ophield, waren de speten even vol als toen
hij begon. Te Bergen aangekomen, verkocht hij zijne visch en zooveel
geld kreeg hij er voor, dat hij zich een nieuw jacht kocht met zeil
en treil en lading en al; zoo had de oude man hem geraden. Eer hij
onder zeil ging, 's avonds laat, kwam de oude bij hem aan boord en
drukte hem op 't hart, dat hij de kinderen van zijn' buurman niet
zou vergeten, want de buurman zelf was gestorven, naar hij zeide,
en hij spelde Izaak zegen en voorspoed met het jacht.
"Al wat in den wind staat, is goed en zal 't wel uithouden," zeide hij,
en daarmede bedoelde hij, dat er één aan boord was, dien niemand zag,
maar die met den rug de mast steunde in storm en noodweer. Sinds dien
tijd was 't geluk altijd met Izaak. Hij wist wel waar dit vandaan kwam
en vergat nimmer wat af te zonderen voor hem, die de wacht hield, als
hij in 't najaar met het jacht was thuis gekomen. En elken kerstavond
zag men licht in het schip, en werd er de veêl gestreken en gedanst
en hoorde men gelach en gescherts in het ruim van het jacht.