Bladz.
De sage in den molen 4
Het kroost der Huldren 13
Een nacht in Nordmarken 24
De koning van den Egeberg 44
Van "Fjeld en Saeter" 53
De vertellingen van den doodgraver 65
Bertha Tuppenhaug's vertellingen 84
Een avond in de keuken van den landheer 97
De bewoners van Lunde 117
Een ouderwetsche kerstavond 123
Een zondagavond op een' saeter 137
Op de vogeljacht in Holleia 173
Eene tooverheks 196
Ter zee.
I. De aalscholvers van Udröst 210
II. De nikkers op het "Zand" 217
De Noren loopen zeer hoog met het boekske, waarvan hier de fraaiste
vertellingen den Nederlandschen lezer worden aangeboden. En ze hebben
reden te over voor die waardeering. Terwijl toch aan den eenen kant
de belangstelling gewekt wordt door den inhoud der sagen uit "het
schemerdonker des volkslevens", staat men aan den anderen verrukt
over "de warme teekening van land en volk", die den aantrekkelijken
achtergrond der vertellingen uitmaakt. Zou dit dus reeds in staat zijn,
de ingenomenheid te verklaren, waarmede Asbjörnsen's arbeid bij zijne
landgenooten werd ontvangen, de dienst, welken hij ook met dit product
der Noorweegsche litteratuur bewees, wettigt die genegenheid te meer.
De letterkunde van dit volk werd zich hare roeping eerst volkomen
bewust, toen zij zich aansloot bij het volk zelf; toen zij het
leven en streven van dat volk zich ten onderwerp koos. Had zij tot
nog toe aan den leiband harer Deensche zuster geloopen, zij leerde
op eigen beenen staan, toen hare dichters en prozaïsten een oog
begonnen te krijgen voor de schatten, welke voor hunne kunst uit
de natuur, de historie, het volksleven van hun eigen land konden
gedolven worden. In wat het Noorsche volk zelf gedicht, gedacht
en gedaan had, vond de litteratuur een' vasten gezonden bodem,
waaruit zij als nationale kunst kon opwassen. Zoo oordeelden ook
en daarnaar handelden twee mannen, die een' allerbelangrijksten
invloed op de letteren van hun vaderland hebben uitgeoefend: Jörgen
Moe en P. Chr. Asbjörnsen. De eerste verzamelde de volksdeuntjes,
hier en ginds in omloop; te zamen gaven zij een aanzienlijk getal
uitstekend vertelde--"Folke-eventyr"--volkssprookjes ten beste,
en nadat Moe zich geheel aan zijn kerkelijk ambt--hij is "praest" te
Drammen--en aan de geestelijke poëzie had gewijd, schreef de houtvester
Asbjörnsen eene nieuwe verzameling Huldersprookjes en Volkssagen,
schoon op gansch anderen trant, dan toen hij gemeenschappelijk met
Moe arbeidde. Terwijl toch de "Folke-eventyr" streng objectief zijn
gehouden en zoo getrouw mogelijk weergeven, wat de vrienden uit den
mond des volks hadden opgevangen, geeft Asbjörnsen hier, terwijl hij
zijne lezers deelgenoot maakt van de wijze, waarop hij aan de kennis
zijner vertellingen is gekomen, eene schildering van natuur en volk,
die, naar 't oordeel van een landgenoot, aan de dichterlijkste kleur
eene betooverende getrouwheid paart.
Of de vriendelijke lezer het gunstig oordeel van des auteurs
landgenooten zal deelen? Afgezien van het belang, dat de Noren als
zoodanig in dit voortbrengsel hunner letteren moeten stellen, heeft
de vertaler geen recht tot twijfel. Daar schuilt, meent hij, ook ten
onzent genoeg belangstelling voor 't volksgeloof eener stamverwante
natie; genoeg zin voor de poëzie van natuur en volksleven, om eene
goede ontvangst dezer vertellingen te waarborgen.--Ge hebt Gerard
Keller's Zomer in het Noorden gelezen en genoten? Welnu, hier wordt
u stoffe geboden ter aanvulling uwer kennis door iemand, wiens lust
het jarenlang was, te dwalen door de geurige dennebosschen, te zwerven
langs de oevers der bergstroomen, te kouten aan den haard der eenzame
saeters van zijn land. En zijn de voorstellingen, door Keller's boek
in u gewekt, verflauwd;--men leest in onzen tijd zooveel;--neem zijn
tweede deel nogmaals ter hand en gij vindt er beter opheldering van
wat u vreemd mocht dunken, dan eene enkele aanteekening 't zou kunnen.
Toch niet over den inhoud der volkssagen, zegt gij, en de vertaler
zal ronduit bekennen, dat het denkbeeld hem heeft toegelachen, elke
vertelling te doen volgen door eenige opmerkingen, die duidelijk in
't licht stelden, hoe groot de verwantschap is geweest of nog is
tusschen 't volksgeloof der Noren en Nederlanders. Maar hij heeft
begrepen, dat de identiteit op dit punt, behoudens karakteristieke
verschillen, tusschen de Germanen en Skandinaviërs door Grimm in
zijne Deutsche Mythologie te klaar is bewezen, dan dat men dit feit
nog als iets nieuws behoefde mede te deelen. En vervolgens duchtte hij
niet zonder reden, dat eene uitvoerige aanwijzing der verschijnselen,
die deze waarheid staven, kwalijk in overeenstemming mocht zijn met
den bescheiden vorm, waaronder dit boekje optreedt.
De lezer, die in dit onderwerp belang stelt, zal bij Grimm, bij
Simrock in zijn "Handbuch der Deutschen Mythologie", bij Van den
Bergh in zijne "Volksoverleveringen", maar vooral in zijn "Kritisch
Woordenboek der Ned. Mythologie", of uit J. W. Wolf's "Niederländische
Sagen" kunnen zien, welke treffende familietrekken de overleveringen
van beide volken vertoonen. Er is bijna geen enkele trek in de
vertellingen van Asbjörnsen, die men niet hier of daar in Nederland
terugvindt. Zelfs Holda--de vriendelijke--wier naam ons van de lippen
glijdt, wanneer wij "hou en trou" zweren aan onzen vriend of onze
"hulde" brengen aan de min, heeft ook ten onzent hare vereerders
gehad; al belette haar karakter van berg- en woudgeest natuurlijk,
dat zij in onze overleveringen eene rol zou spelen, zóó belangrijk,
als zij met hare volgelingen, de Huldren, in de Noorsche volkssprookjes
vervult. Schuilt er in onzen bodem geen schat van metalen, die in
't Noorden de volksfantazie kon doen ontvlammen, toch wist men ook
bij ons te verhalen van schatten, hier en daar verborgen, en wier
bestaan werd verraden door een geheimzinnig schijnsel. En droeg ook
bij ons de kwaal, die wij "engelsche ziekte" noemen, geen daemonisch
karakter, wij hadden toch even goed tooveressen, die lood smolten, dat
plotseling afgekoeld in zonderlinge figuren den aard van verschillende
krankheden openbaarde.
En zoo zouden wij kunnen voortgaan en doen opmerken, hoe
ook het Nederlandsche volk zijne vertellingen bezat omtrent de
gedaanteveranderingen van duivel of heksen in slangen, padden, hazen of
zwarte katten; hoe ook bij ons "de duivel en zijn grootje" van tijd tot
tijd feestvierden met hunne getrouwen; hoe ook hier de heksen de kunst
verstonden op geheimzinnige wijs de koeien van hare melk te berooven,
tot de beesten er het leven bij inschoten,--om toch ten slotte ons
"woord vooraf" tot een' onbetamelijken omvang te doen uitdijen.
Den lezer, die onze meening deelt, dat volksoverleveringen en
volkssprookjes niet bij voorkeur in de kinderkamer thuis behooren,
heil!
Amsterdam, 25 Augustus 1875. T.