"Leicht an einander wohnen die Gedanken
Doch hart im Raume stoszen sich die Sachen."
(Schiller, "Wallenstein.")
Het eerste gevolg van de vernielende werking, die het kapitalistische
systeem, gekomen tot de volle middaghoogte zijner ontwikkeling, op
de menschheid in het algemeen, op de beschaving, de zedelijkheid,
de physieke ontwikkeling van de groote massa uitoefende, was, nevens
het verzet van een klein deel dier massa daartegen, het zoeken
naar middelen om aan deze vernieling als stelsel te ontkomen. Dit
geschiedde bovenal van de zijde van enkele hoogbegaafde, moedige
menschen, wier denken over de maatschappelijke verschijnselen juist
daardoor aangetrokken werd en die in de eerste plaats, idealisten
als zij waren, aanknoopten bij de ideeën, die de bourgeoisie zelve,
in haar meest revolutionairen tijd, als de algemeene grondslagen
eener menschelijke samenleving had verkondigd.
Uitgaande van de beschouwing die indertijd, toen de bourgeoisie
nog de samenleving geheel naar haar model moest reorganiseeren, de
heerschende was en die van het grondbeginsel uitging, dat het doel van
elke maatschappij en dus ook van elken maatschappelijken vorm moest
wezen, de bereiking van een zoo groot mogelijke hoeveelheid geluk
voor het grootst mogelijke getal, gingen zij de onder burgerlijke
heerschappij gevestigde maatschappij onderzoeken en aan deze door
haar zelf geleeraarde beginselen toetsen.
Dat was de eerste door de maatschappelijke ontwikkeling van het
kapitalistisch systeem gekweekte en door de ervaring gerijpte kritiek
van de maatschappij, getoetst aan het algemeen ideaal van de menschheid
dat eeuwen na eeuwen door de hoofden van de besten onder de menschen
had gespookt en als het ware onuitroeibaar daarin had geleefd.
Maar het was nog meer dan dit. Het was ook de eerste economische
kritiek op de doelmatigheid van de eigenlijk in den blinde gegroeide
kapitalistische samenleving, door de in de maatschappij van het
kapitalisme zelf gekweekte pogingen om de blind-werkende economische
krachten te leeren beheerschen.
Wie van het kapitalistische produktiesysteem spreekt, spreekt van
concurrentie, van vernietiging van sociale krachten elken dag terwille
van de subjectieve voortbrenging, van planloosheid en anarchie in
voortbrenging en verdeeling.
De kritiek op de doelmatigheid, d.w.z. op een in het belang van de
beschaving noodzakelijk voortbestaan van de bestaande kapitalistische
produktiewijze, moest dus tevens naar deze zijde, naar de zijde van
haar doelmatigheid, een niet minder vernietigende worden, dan zoo
zij beschouwd werd uit het oogpunt van het ideaal van het grootst
mogelijke sociale geluk voor het grootst mogelijke getal.
Uit deze bewustwording van de tegenstellingen tusschen de
kapitalistische werkelijkheid en het sociale ideaal, was reeds het
oudere utopisme geboren geworden. Maar uit het daarmede gepaard gaand
redelijk onderzoek naar de noodzakelijkheid van het bestaande stelsel,
getoetst aan de voortreffelijkheid zijner technische en produktieve
samenstelling, werd het utopische socialisme geboren, gelijk dat
in drie mannen voornamelijk zijn meest verheven en meest duidelijke
uitdrukking vond: in Saint-Simon, in Fourier en in Robert Owen.
Doch hoeveel schoons elk op zichzelf deze drie groote pioniers in
het afbreken van het heerschende stelsel ook te genieten gaven, hoe
scherp en hoe juist zij de geweldige euvelen van het stelsel en zijn
zwakke zijden wisten bloot te leggen, hun ontbrak nog in het algemeen
het duidelijk inzicht in de ontwikkeling van de maatschappij.
Idealisten als zij waren, gingen zij bij de beschouwing van de
praktische werkelijkheid uit van de idee en zochten zij, moesten
zij zoeken, niet de overwinning van het heerschende stelsel door de
eigenschappen van dat stelsel zelve, maar door een verandering van
denkbeelden onder de menschen. De menschen deden verkeerd omdat zij
verkeerd dachten, kon men hun evenwel maar eenmaal overtuigend genoeg
aantoonen dat zij verkeerd dachten, dan zouden zij hunne handelingen
en hunne gansche praktijk wel eveneens daarnaar weten in te richten.
De strijd in deze wereld is er een om de gerechtigheid op aarde en
deze zou zegevieren ondanks alles: "Fiat justitia pereat mundus"
[8], gelijk de koningsberger wijsgeer het in zijn tijd zeide.
Doordien de socialistische utopisten de werkelijkheid van het
kapitalisme niet klaar zagen, zagen zij ook het element van beweging
in de maatschappij zelve over het hoofd. De tegenstelling der
klassen zagen zij wel, maar zij zagen haar niet als de motor in de
ontwikkeling van de maatschappij. Derhalve geloofden zij niet alleen
niet aan de noodzakelijkheid van een klassenstrijd, zij achtten dezen
zelf juist zeer verderfelijk, omdat de gansche idee daarvan lijnrecht
inging tegen hunne opvatting, dat alleen een beter inzicht in eigen
belangen de bezittende klasse er toe brengen zou, hare produktie-
en toeëigeningswijze op te geven. Elke daadwerkelijke strijd van den
kant der arbeiders, de ergste dupen van dat systeem, zou die bekeering
verlangzamen of onmogelijk maken.
De groote kracht van het utopisme lag dan ook in het uitwerken
van systemen van toekomstige maatschappijen; hoe beter en hoe
voortreffelijker deze plannen er uit zagen en hoe meer kansen van
slagen zij boden, hoe dichter men bij het doel was: de bourgeoisie
een betere inrichting van de maatschappij te laten aanvaarden.
Hoe hooger het ideaal was, bij de eerste mannen die hun gansche
leven voor de verwerkelijking hunner plannen gaven, des te grooter de
ontgoocheling. De bourgeoisie kon haar eigen stelsel niet veranderen,
dat ging niet aan, de onverbiddelijke logika van de economische feiten
schreef haar den weg voor en niet de een of andere idee.
Dit nam niet weg, dat zoolang de arbeidersbeweging zelve klein en zwak
was, de overgroote massa nog te zeer gedemoraliseerd, de produktie
zelve nog te weinig ontwikkeld, de maatschappelijke verhoudingen nog
in den valschen schijn van den patriarchalen toestand waren gehuld,
deze utopische gedachten zijn blijven voortleven. Juist zij waren het,
die, toen het eerst de beweging zich begon te verheffen, de hoofden
van zoovelen nog bleven vervullen, voedsel als zij daar kregen door
de traditie van verouderde vormen en burgerlijke begrippen, bijbelsche
overleveringen dat het "kwade" over het "goede" zal zegevieren etc.
Zoo lang de arbeidersbeweging slechts uit een kleine hoop pioniers
bestond, die geen mogelijkheid zagen de groote massa wakker te maken of
zelfs maar een oogenblik te beroeren, tierde dit proletarisch utopisme
welig. Er ontstond zelfs een soort vijandschap van deze dikwerf koene
mannen, die hun leven en vrijheid waagden voor een idee zonder dat de
massa hen bijsprong, ja, die door deze mede verguisd werden soms,--een
vijandschap tegen die massa.
Anderzijds ontstond er het gevoel dat niet door de ontwikkeling van
de massa en hunne doordringing met de noodzakelijkheid van den strijd,
de maatschappij was te revolutioneeren, maar dat door eenige welgemikte
slagen aan die maatschappij toegebracht, men haar het best in elkander
kon doen vallen. Een goed gelukte opstand, in het geheim natuurlijk
goed voorbereid en door een handvol, een "gideonsbende" van getrouwen
ondernomen, kon in een nacht de revolutie doen uitbreken, die "als een
dief in den nacht" de bourgeoisie zou overvallen, aan haar macht plots
een einde zou weten te maken en het socialisme zou kunnen invoeren.
Want dat het een kwestie was van "invoeren" en niet een van
historischen groei dat het socialistische stelsel komen zou, was en
is een aan elk soort van utopisme gemeenzame overtuiging. Eveneens
de vijandschap tegen den burgerlijken staat in dien zin, dat zij
daarin de absolute macht zagen die aan de verwezenlijking van hunne
droombeelden in den weg stond. En door de theorieën der geleerden
van de burgerklasse uitgewerkt tot een "Rechtsstaat",--den schijn die
gevonden was, om de wanverhouding tusschen de macht die de bezittende
klasse uitoefende en het daarmede steeds meer in tegenspraak komende
algemeen belang ideologisch te omhullen,--kreeg de staat in hunne
oogen het aanzijn van een monster dat, in combinatie met de kerk,
louter en alleen de eeuwige verdrukking van het volk ten doel had.
Het is deze utopische denkwijze omtrent doel en ontwikkeling, hier
geenszins volledig maar zoo kort mogelijk uiteengezet, gepaard
aan burgerlijke denkwijzen en vooral aan de uitloopers en streng
doorgedreven konsekwenties daarvan, die hoofdzakelijk de grondslag
zijn geworden tot de ontwikkeling van ideeën in de arbeidersbeweging,
die bij hunne ontleding dan ook overal hunne specifiek-burgerlijke
en klein-burgerlijk-utopistische afkomst vertoonen. Wij bedoelen
het anarchisme. En niet zoozeer het anarchisme als stelsel van
enkele personen, dan wel het anarchisme als tegen-beweging, als
contra-strooming in de arbeidersbeweging, gericht tegen de in de
meeste moderne landen zich ontwikkelende sociaal-demokratische
arbeidersbeweging, gelijk wij haar aanvankelijk schetsten.