2. DE SOCIALISTISCH-UTOPISTISCHE GEDACHTENGANG.

"Leicht an einander wohnen die Gedanken

Doch hart im Raume stoszen sich die Sachen."

(Schiller, "Wallenstein.")

Het eerste gevolg van de vernielende werking, die het kapitalistische

systeem, gekomen tot de volle middaghoogte zijner ontwikkeling, op

de menschheid in het algemeen, op de beschaving, de zedelijkheid,

de physieke ontwikkeling van de groote massa uitoefende, was, nevens

het verzet van een klein deel dier massa daartegen, het zoeken

naar middelen om aan deze vernieling als stelsel te ontkomen. Dit

geschiedde bovenal van de zijde van enkele hoogbegaafde, moedige

menschen, wier denken over de maatschappelijke verschijnselen juist

daardoor aangetrokken werd en die in de eerste plaats, idealisten

als zij waren, aanknoopten bij de ideeën, die de bourgeoisie zelve,

in haar meest revolutionairen tijd, als de algemeene grondslagen

eener menschelijke samenleving had verkondigd.

Uitgaande van de beschouwing die indertijd, toen de bourgeoisie

nog de samenleving geheel naar haar model moest reorganiseeren, de

heerschende was en die van het grondbeginsel uitging, dat het doel van

elke maatschappij en dus ook van elken maatschappelijken vorm moest

wezen, de bereiking van een zoo groot mogelijke hoeveelheid geluk

voor het grootst mogelijke getal, gingen zij de onder burgerlijke

heerschappij gevestigde maatschappij onderzoeken en aan deze door

haar zelf geleeraarde beginselen toetsen.

Dat was de eerste door de maatschappelijke ontwikkeling van het

kapitalistisch systeem gekweekte en door de ervaring gerijpte kritiek

van de maatschappij, getoetst aan het algemeen ideaal van de menschheid

dat eeuwen na eeuwen door de hoofden van de besten onder de menschen

had gespookt en als het ware onuitroeibaar daarin had geleefd.

Maar het was nog meer dan dit. Het was ook de eerste economische

kritiek op de doelmatigheid van de eigenlijk in den blinde gegroeide

kapitalistische samenleving, door de in de maatschappij van het

kapitalisme zelf gekweekte pogingen om de blind-werkende economische

krachten te leeren beheerschen.

Wie van het kapitalistische produktiesysteem spreekt, spreekt van

concurrentie, van vernietiging van sociale krachten elken dag terwille

van de subjectieve voortbrenging, van planloosheid en anarchie in

voortbrenging en verdeeling.

De kritiek op de doelmatigheid, d.w.z. op een in het belang van de

beschaving noodzakelijk voortbestaan van de bestaande kapitalistische

produktiewijze, moest dus tevens naar deze zijde, naar de zijde van

haar doelmatigheid, een niet minder vernietigende worden, dan zoo

zij beschouwd werd uit het oogpunt van het ideaal van het grootst

mogelijke sociale geluk voor het grootst mogelijke getal.

Uit deze bewustwording van de tegenstellingen tusschen de

kapitalistische werkelijkheid en het sociale ideaal, was reeds het

oudere utopisme geboren geworden. Maar uit het daarmede gepaard gaand

redelijk onderzoek naar de noodzakelijkheid van het bestaande stelsel,

getoetst aan de voortreffelijkheid zijner technische en produktieve

samenstelling, werd het utopische socialisme geboren, gelijk dat

in drie mannen voornamelijk zijn meest verheven en meest duidelijke

uitdrukking vond: in Saint-Simon, in Fourier en in Robert Owen.

Doch hoeveel schoons elk op zichzelf deze drie groote pioniers in

het afbreken van het heerschende stelsel ook te genieten gaven, hoe

scherp en hoe juist zij de geweldige euvelen van het stelsel en zijn

zwakke zijden wisten bloot te leggen, hun ontbrak nog in het algemeen

het duidelijk inzicht in de ontwikkeling van de maatschappij.

Idealisten als zij waren, gingen zij bij de beschouwing van de

praktische werkelijkheid uit van de idee en zochten zij, moesten

zij zoeken, niet de overwinning van het heerschende stelsel door de

eigenschappen van dat stelsel zelve, maar door een verandering van

denkbeelden onder de menschen. De menschen deden verkeerd omdat zij

verkeerd dachten, kon men hun evenwel maar eenmaal overtuigend genoeg

aantoonen dat zij verkeerd dachten, dan zouden zij hunne handelingen

en hunne gansche praktijk wel eveneens daarnaar weten in te richten.

De strijd in deze wereld is er een om de gerechtigheid op aarde en

deze zou zegevieren ondanks alles: "Fiat justitia pereat mundus"

[8], gelijk de koningsberger wijsgeer het in zijn tijd zeide.

Doordien de socialistische utopisten de werkelijkheid van het

kapitalisme niet klaar zagen, zagen zij ook het element van beweging

in de maatschappij zelve over het hoofd. De tegenstelling der

klassen zagen zij wel, maar zij zagen haar niet als de motor in de

ontwikkeling van de maatschappij. Derhalve geloofden zij niet alleen

niet aan de noodzakelijkheid van een klassenstrijd, zij achtten dezen

zelf juist zeer verderfelijk, omdat de gansche idee daarvan lijnrecht

inging tegen hunne opvatting, dat alleen een beter inzicht in eigen

belangen de bezittende klasse er toe brengen zou, hare produktie-

en toeëigeningswijze op te geven. Elke daadwerkelijke strijd van den

kant der arbeiders, de ergste dupen van dat systeem, zou die bekeering

verlangzamen of onmogelijk maken.

De groote kracht van het utopisme lag dan ook in het uitwerken

van systemen van toekomstige maatschappijen; hoe beter en hoe

voortreffelijker deze plannen er uit zagen en hoe meer kansen van

slagen zij boden, hoe dichter men bij het doel was: de bourgeoisie

een betere inrichting van de maatschappij te laten aanvaarden.

Hoe hooger het ideaal was, bij de eerste mannen die hun gansche

leven voor de verwerkelijking hunner plannen gaven, des te grooter de

ontgoocheling. De bourgeoisie kon haar eigen stelsel niet veranderen,

dat ging niet aan, de onverbiddelijke logika van de economische feiten

schreef haar den weg voor en niet de een of andere idee.

Dit nam niet weg, dat zoolang de arbeidersbeweging zelve klein en zwak

was, de overgroote massa nog te zeer gedemoraliseerd, de produktie

zelve nog te weinig ontwikkeld, de maatschappelijke verhoudingen nog

in den valschen schijn van den patriarchalen toestand waren gehuld,

deze utopische gedachten zijn blijven voortleven. Juist zij waren het,

die, toen het eerst de beweging zich begon te verheffen, de hoofden

van zoovelen nog bleven vervullen, voedsel als zij daar kregen door

de traditie van verouderde vormen en burgerlijke begrippen, bijbelsche

overleveringen dat het "kwade" over het "goede" zal zegevieren etc.

Zoo lang de arbeidersbeweging slechts uit een kleine hoop pioniers

bestond, die geen mogelijkheid zagen de groote massa wakker te maken of

zelfs maar een oogenblik te beroeren, tierde dit proletarisch utopisme

welig. Er ontstond zelfs een soort vijandschap van deze dikwerf koene

mannen, die hun leven en vrijheid waagden voor een idee zonder dat de

massa hen bijsprong, ja, die door deze mede verguisd werden soms,--een

vijandschap tegen die massa.

Anderzijds ontstond er het gevoel dat niet door de ontwikkeling van

de massa en hunne doordringing met de noodzakelijkheid van den strijd,

de maatschappij was te revolutioneeren, maar dat door eenige welgemikte

slagen aan die maatschappij toegebracht, men haar het best in elkander

kon doen vallen. Een goed gelukte opstand, in het geheim natuurlijk

goed voorbereid en door een handvol, een "gideonsbende" van getrouwen

ondernomen, kon in een nacht de revolutie doen uitbreken, die "als een

dief in den nacht" de bourgeoisie zou overvallen, aan haar macht plots

een einde zou weten te maken en het socialisme zou kunnen invoeren.

Want dat het een kwestie was van "invoeren" en niet een van

historischen groei dat het socialistische stelsel komen zou, was en

is een aan elk soort van utopisme gemeenzame overtuiging. Eveneens

de vijandschap tegen den burgerlijken staat in dien zin, dat zij

daarin de absolute macht zagen die aan de verwezenlijking van hunne

droombeelden in den weg stond. En door de theorieën der geleerden

van de burgerklasse uitgewerkt tot een "Rechtsstaat",--den schijn die

gevonden was, om de wanverhouding tusschen de macht die de bezittende

klasse uitoefende en het daarmede steeds meer in tegenspraak komende

algemeen belang ideologisch te omhullen,--kreeg de staat in hunne

oogen het aanzijn van een monster dat, in combinatie met de kerk,

louter en alleen de eeuwige verdrukking van het volk ten doel had.

Het is deze utopische denkwijze omtrent doel en ontwikkeling, hier

geenszins volledig maar zoo kort mogelijk uiteengezet, gepaard

aan burgerlijke denkwijzen en vooral aan de uitloopers en streng

doorgedreven konsekwenties daarvan, die hoofdzakelijk de grondslag

zijn geworden tot de ontwikkeling van ideeën in de arbeidersbeweging,

die bij hunne ontleding dan ook overal hunne specifiek-burgerlijke

en klein-burgerlijk-utopistische afkomst vertoonen. Wij bedoelen

het anarchisme. En niet zoozeer het anarchisme als stelsel van

enkele personen, dan wel het anarchisme als tegen-beweging, als

contra-strooming in de arbeidersbeweging, gericht tegen de in de

meeste moderne landen zich ontwikkelende sociaal-demokratische

arbeidersbeweging, gelijk wij haar aanvankelijk schetsten.

Het Anarchisme in de Arbeidersbeweging · 第 8 / 50 题