"Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed, die
haar den dood brengen; zij heeft ook de mannen geteeld, die deze
wapens voeren zullen--de moderne arbeiders, de proletariërs."
("Communistisch Manifest", Hoofdstuk I, p. 14.)
De bezittende klasse heeft langs een reeks van revoluties zich den
weg gebaand tot de heerschappij in maatschappij en staat. Zij heeft
den strijd tegen het absolutisme tot in al de konsekwenties die
daaruit voortvloeiden zegerijk gevoerd en zich naast de leiding van
de produktie ook die van den politieken staat weten te veroveren.
Zij moest de politieke instellingen zoodanig wijzigen dat deze
geheel in overeenstemming kwamen met hare produktieverhoudingen,
zoodat de gansche structuur van de samenleving tot in den grond
gewijzigd werd. Politieke en eigendomsverhoudingen moeten in
een gegeven maatschappij in overeenstemming zijn met de in den
schoot der maatschappij ontwikkelde produktiekrachten; anders is
een vóórtontwikkeling van de maatschappij onmogelijk geworden. Dit
ondervond ook de bourgeoisie in die landen waar zij onder den druk
van het feodale stelsel en de absolute monarchie groot geworden was,
maar door politieke hinderpalen in hare economische en industriëele
ontwikkeling belemmerd werd. Vandaar de revoluties der bourgeoisie,
waarover zij zich later weliswaar is gaan schamen, maar die haar al
het water van de zee, of liever al de inkt harer geschiedschrijvers,
die getracht hebben hare historische gewelddaden te verbloemen of
verkeerd voor te stellen, niet kan afwasschen.
De zegepraal van de bourgeoisie over de geheele linie heeft evenwel,
historisch, zéér buitengewone gevolgen gehad. De bourgeoisie heeft door
de volle ontplooiing der maatschappelijke krachten door middel van de
groot-produktie het proletariaat op groote schaal voortgebracht; zij
heeft dit tot de voorwaarde van haar eigen stelsel gemaakt. Was reeds,
zoo lang er maatschappelijke produktie bestond, deze niet mogelijk
zonder een categorie van menschen, die arbeidden en een zeker kwantum
van hunnen arbeid aan de maatschappij hadden af te staan, de moderne
kapitalistische produktiewijze is veel verder moeten gaan: zij moest
eene bepaalde klasse scheppen van menschen, die arbeidden om loon;
niet alleen tot instandhouding van zichzelf en hun gezin, maar ook
om den groei van het kapitalisme zelf mogelijk te maken.
En in nog een ander opzicht moest het kapitalistische systeem op
modernen voet veel verder gaan.
Gedurende een lange periode onder het kapitalisme had de loonarbeider,
als gezel bij den patroon werkende, dikwerf een kommervol bestaan,
maar toch nog altijd een gegrond uitzicht op een betere toekomst,
die hem zelfstandigheid beloofde, de groote kans om zelf meester te
worden en, op zijn beurt dus, de exploitant van anderer arbeidskracht.
Het kapitalisme in de groote nijverheid echter heeft de scheiding
tusschen de arbeidsmiddelen en den menschelijken arbeid zoo konsekwent
doorgetrokken, dat die arbeidsmiddelen mede het bepaalde monopolie
van de kapitaalkrachtige klasse geworden zijn. Zijn produktiewijze,
die alles zooveel mogelijk massaal, zooveel mogelijk snel en zooveel
mogelijk goedkoop moest voortbrengen, had de groote, dure machines
met stoom en later met electriciteit tot grondslag, die niet alleen de
koopkracht van den kleinen voortbrenger te boven gingen, maar hem ook
hoe langer hoe meer de gelegenheid benamen om op de open markten mede
te kunnen concurreeren. Het schiep dit monopolie echter niet alleen op
het gebied der arbeidsmiddelen, maar het breidde zich ook uit tot dat
van de grondstoffen. Ook deze monopoliseerde het hoe langer hoe meer,
doordien het de prijzen daarvan dermate opdreef, dat voor de kleine
voortbrengers de gelegenheid tot concurreeren, hun nog open gelaten
aan de eene zijde, hoe langer hoe meer onmogelijk werd gemaakt.
Deze voorname oorzaken hebben er toe medegewerkt, de kans van den
arbeider om eenmaal zelf baas te worden, vooral voor het terrein
waarop de groot-produktie heerschende werd, geheel en al te doen
verdwijnen. De arbeider werd daardoor de loonslaaf, die niet alleen om
loon werken moest, ter vermeerdering van de winsten die het kapitalisme
versterkten, maar die, als behoorende tot een gansche klasse van
loonarbeiders in gelijke positie, niet alleen zelf loonarbeider was,
maar een bepaald soort menschen ging voortbrengen, gedoemd om te
arbeiden voor anderen van de wieg tot aan het graf. Hierbij komt
nog dat door de, tot in het minutieuze doorgevoerde verdeeling van
den arbeid, mede een verschijnsel van de groot-industrie, met de
ten top gevoerde mechanische voortbrenging, de arbeider niet alleen
deel-arbeider, maar, voorzoover de groot-industrie in het spel komt,
niets dan een "aanhangsel van de machine" werd; zoodat het feitelijke
bewustzijn, dat de arbeidersklasse van vroeger nog doortrok, dat
men zijn vak geleerd had in dikwijls vrij ruime leertijden en dus
als arbeider nog iets waard was, mede door de ontwikkeling van de
groot-industrie hoe langer hoe meer werd uitgewischt.
Door de monopolisatie van het gansche bedrijfsleven eenerzijds en
de knechting van de loonarbeidersklasse anderzijds, kreeg nu het
kapitaal hoe langer hoe meer het aanzien van een maatschappelijke
macht; het werden hoe langer hoe minder de personen, maar des te meer
het kapitaal, dat de groote macht in de samenleving was.
De groot-industrie, men verlieze het mede niet uit het oog,
volbracht nog een scheiding: zij scheidde niet enkel den bezitter
van de arbeidskracht zoo volkomen mogelijk van het bezit der
arbeidsmiddelen, maar zij scheidde ook den vroegeren voortbrenger,
den direkten ondernemer, van de arbeiders. De groote fabriek kon
niet meer het eigendom zijn van één man, zij werd het eigendom van
de maatschappij op aandeelen, aan wier hoofd de direkteur kwam;
het fabriekssysteem werd een tot het toppunt van volmaaktheid
doorgevoerde hiërarchie van ambtenaren en klerken, meesterknechts en
onderbazen, die allen langzamerhand als even zoovele drijvers, beter
slavendrijvers, het vijandig gevoel, dat den modernen fabrieksarbeider
bezielde tegenover die reuzenmacht die hem beheerschte, kwamen
versterken en bij hem steeds dieper het gevoel vestigden, dat onder
het maatschappelijk systeem van voortbrenging, dat zulke toestanden
schiep en voortontwikkelde, voor hem de hoop om ooit iets anders te
worden dan een stuk van de machine, wel voor goed verloren was. De
oude, z.g.n. "patriarchale" samenwerking van knecht en baas ging
geheel verloren; de onderwerping van het eene deel van de menschheid
aan het andere was door de groot-industrie en het groot-kapitaal zoo
volkomen mogelijk geworden.
Zoo hebben het omwentelen van de voortbrengingsmacht van het kapitaal
en de daaruit natuurlijk voortvloeiende verdere overmacht in het
sociale leven, het kapitaal gemaakt tot een sociale macht, die in
de maatschappij zelve, economisch gesproken, de opperheerschappij
voerde. De personen der bezittende klasse losten zich op in de
fabrieksbezitters, aandeelhouders, grondbezitters, geldschieters, dus
in even zoovele maatschappelijke armen van de groote kapitalistische
opslurpmachine, die ten doel had steeds meer meerwaarde uit de
arbeiders, meer winsten uit de consumptie en meer bezit van den kleinen
man in zich op te zuigen. Die aldus het bloed van elke natie telkens
meer naar één kant opdrong, zoodat één deel, niet alleen industrieel
en finantieel, maar ook letterlijk in ieder opzicht: in wetenschap,
in beschaving, in kunst en in genot, de alles monopoliseerende klasse
werd. De bourgeoisie alleen kreeg het monopolie van de studie. Zij werd
machtig op het gebied van het rechtswezen en de wetenschap van staat
en maatschappij; hare vertegenwoordigers maakten de wetten en waren de
aangewezenen om recht te spreken; hare vertegenwoordigers maakten als
het ware de staathuishoudkunde tot een tak van burgerlijke wetenschap,
d.w.z. van een wetenschap, die bij haar onderzoek niet in de eerste
plaats ten doel had, objectief, het bestaande en door de private
produktiewijze gevestigde systeem van voortbrenging en verdeeling te
toetsen aan het nut dat voor de menschheid in het algemeen daaruit
voortvloeide, maar die steeds uitging van dat bestaand systeem, welks
eeuwigheid en noodzakelijkheid reeds a priori verstond. Zoodoende
werd de wetenschap van de staathuishoudkunde, oorspronkelijk als
wetenschap der maatschappij bedoeld, een wetenschap van en voor de
bezittende klasse en daardoor ook tevens een geestelijk wapen in de
handen der kapitaalkrachtige, het proletariaat uitbuitende klasse, om
de knechting der arbeidersklasse wetenschappelijk, d.i. onomstootelijk
en als ten eeuwigen dage geldend te helpen bewijzen.
De bourgeoisie werd ook de meesteresse van de kerk, wier dienaren zich
uit hare rijen recruteerden en die door middel van den kansel mede de
arbeiders beheerschten; zoodat hetgeen dezen elken dag van de week op
de fabriek werd voorgepraat: gehoorzaamheid en onderworpenheid, des
Zondags, theologisch, nog eens werd herhaald. Dat de arbeidersklasse
hier op aarde geknecht, onderworpen en van alle genot en kennis
verstoken was, dat was alleen om hen voor den hemel en het hiernamaals
geschikter te maken. Het officieele, kerkelijke christendom scheen
zich bij uitstek tot een zoodanig onderdrukkingsmiddel te leenen.
Zoo was de bourgeoisie op het maatschappelijk terrein almachtig
geworden. Zij had de klassetegenstellingen op elk gebied van
maatschappelijk leven zoo konsekwent op de spits gedreven, dat het wel
niet anders kon, of hun bestaan moest zich langzamerhand voelbaar en
zichtbaar maken in de rijen der arbeidersklasse, wier zelfbewustzijn
zij gedurende de heerschappij van een paar eeuwen hoe langer hoe meer
uitgedoofd had.
Zij maakte, door de konsekwenties van haar maatschappelijk stelsel
tot op het laatst toe door te trekken, den klassenstrijd tot een
akuut feit, tot een sociaal verschijnsel bij uitnemendheid.
Maar de bourgeoisie deed nog meer dan het gansche maatschappelijke
terrein voor zich in te palmen en zich de alleenheerschappij hierop
te verzekeren. Zij nam ook het politieke terrein voor hare klasse in
beslag. Toen zij de staatsmacht veroverd had om hare maatschappij voor
goed te kunnen vestigen, herschiep zij de feodale, absolute staatsmacht
in den modernen staat, die van nu af geschikt werd gemaakt om het
kapitalistische systeem in al zijn vertakkingen te verdedigen en te
beschermen. De kapitalistisch-burgerlijke staat werd tot een moderne
Dwing-Burcht van het kapitalistische systeem, dat voor alles eischte:
gehoorzame onderworpenheid van den arbeider en zijn klasse aan den
wil en de despotie van de bezittende klasse, gewillige uitbuiting
van den arbeider, zijn vrouw en zijn kinderen door den kapitalist.
Onderworpenheid niet enkel op de fabriek en in de werkplaats,
maar ook aan de wetten der bourgeoisie, aan de burgerlijke
rechtspraak; onderworpenheid aan de regeering van de bourgeoisie,
aan de door hare agenten in staat en gemeente gemaakte wetten en
verordeningen. Onderworpenheid ook aan het stelsel van belastingheffing
door den burgerlijken staat, waarbij de lasten, tot instandhouding van
dien staat, voor een zeer groot deel afgewenteld werden op de schouders
der arbeidende klasse; onderworpenheid niet minder op het gebied der
verdediging van het land, waarbij de zonen der arbeidersklasse, omdat
zij de talrijkste klasse is, gedwongen werden gedurende een gedeelte
van hun leven geschikt te worden gemaakt om de heerschappij van de
bezittende klasse te helpen bestendigen en te verdedigen, en om te
vechten, als het moest, voor een land, waarin hunne klasse niets dan
een slavenklasse is.