De rekening wordt vereffend.
Dien nacht brandde er een nieuw kampvuur op de open plek. Het was geen
klein vuur, opgebouwd in de vrees dat anderen het zouden zien, maar een
vuur, dat zijn vlammen hoog de lucht inzond. In den gloed er van stond
Carvel. En zooals het vuur deze verandering had ondergaan van een kleine
vlammenmassa, waarboven de Wilg haar middagmaal gekookt had, zoo was ook
Carvel, de officieel dood verklaarde balling, veranderd. Hij droeg geen
baard meer; hij had zijn kariboeleeren jas afgeworpen; zijn mouwen waren
tot aan de ellebogen opgestroopt en er lag een gloed op zijn gelaat,
een blos, die niet alleen aan de inwerking van weer en wind moest
toegeschreven worden en een glans in zijn oogen, die er in vijf jaren
niet in geweest was en misschien wel nooit tevoren. Zijn oogen waren
op Nepeese gevestigd. Zij zat dicht bij het vuur, een weinig voorover
leunend, haar prachtig haar glanzend in den gloed. Carvel bewoog zich
niet, zoolang zij in deze houding bleef. Hij scheen nauwelijks te
ademen. De glans in zijn oogen werd dieper—de vereering van een man
voor een vrouw. Plotseling keerde Nepeese zich om en zag hem aan, voor
hij den blik af kon wenden. In haar eigen oogen lag evenmin iets om
te verbergen. Er sprak, gelijk uit haar gezicht, hoop en hernieuwde
blijdschap uit. Carvel ging naast haar zitten op den berkestam en nam
een der dikke vlechten in zijn hand en liefkoosde die onder het praten.
Aan hun voeten lag Baree en keek naar hen.
„Morgen of overmorgen ga ik terug naar Lac Bain,” zeide hij, met een
ondertoon van bitterheid in zijn stem van halve vereering. „En ik kom
niet terug voor ik hem gedood heb.”
De Wilg keek strak in het vuur. Een tijdlang werd de stilte alleen
verbroken door het knapperen van de vlammen en in die stilte weefden
Carvel's vingers de zijden haarstrengen van de Wilg dooreen. Zijn
gedachten gingen terug. Wat een prachtige kans was hij misgeloopen,
dien dag op Mc Taggart's vallenlijn—als hij het toen maar geweten had!
Zijn kaken werden op elkander geklemd, toen hij, in het roodgloeiende
hart van het vuur turend, zich de gebeurtenissen van den dag te binnen
bracht, waarop de agent van Lac Bain Pierrot gedood had. Zij had hem de
heele geschiedenis verteld. Haar vlucht. Haar sprong in het ijskoude
water van den afgrond, waarin zij zoo zeker gedacht had, den dood
te zullen vinden. Hoe zij zich, wonderbaarlijk genoeg, had weten te
redden—en hoe zij gevonden was, bijna dood, door Tuboa, den tandeloozen
ouden Cree, wien Pierrot uit medelijden toegestaan had, in een gedeelte
van zijn gebied te jagen.
Hij voelde scherp de wanhoop en schrik van dit ééne uur, waarin de zon
voorgoed was ondergegaan in de wereld van de Wilg, en in de vlammen
kon hij den trouwen ouden Tuboa zien, die zijn laatste krachten had
ingespannen om Nepeese te dragen, al die lange mijlen, die tusschen den
afgrond en zijn hut lagen; hij zag de weken van honger en nijpende koude
voor zich, die hierop gevolgd waren, waarin het leven van de Wilg aan
een zijden draad gehangen had. En ten laatste, toen de sneeuw het hoogst
lag, was Tuboa gestorven. Carvel's vingers klemden Nepeese's vlecht
steviger. Een diepe zucht rees uit zijn borst en hij zeide, nog steeds
in het vuur starend:
„Ik ga morgen naar Lac Bain.”
Een oogenblik bleef Nepeese nog zwijgen. Zij keek eveneens in de
vlammen. Toen zeide zij:
„Tuboa was van plan, hem te dooden, zoodra de lente kwam en hij zou
kunnen reizen. Toen Tuboa stierf wist ik, dat ik hem nu zelf zou moeten
dooden. Daarom ben ik hier gekomen, met Tuboa's geweer. Het is opnieuw
geladen, gisteren. En—M'sieu Jeem.—Zij keek naar hem op, een glans van
triomf in de oogen, terwijl zij er bij voegde, bijna fluisterend: „Je
moet niet naar Lac Bain gaan. _Ik heb een boodschapper gestuurd._””
„Een boodschapper.”
„Ja, Ookimow Jeem—een boodschapper. Twee dagen geleden. Ik heb laten
weten, dat ik niet dood was, maar hier—en op hem wachtte—en dat ik
_iskwao_ wilde zijn, zijn vrouw. O—o—hij zal komen, Ookimow Jeem—zoo
gauw hij kan. En je moet hem niet vermoorden. _Non!_” Zij glimlachte
tegen hem en Carvel's hart klopte als met hamerslagen. „Het geweer is
geladen,” zeide zij zacht. „_Ik_ zal schieten.”
„Twee dagen geleden,” zeide Carvel. „En van Lac Bain is het—”
„Hij zal morgen hier zijn,” antwoordde Nepeese hem. „Morgen, als de zon
ondergaat, zal hij de vlakte oversteken, daarginds. Ik weet het. Mijn
bloed heeft het den heelen dag gezongen. Morgen—morgen—want hij zal
zich haasten, Ookimow Jeem. Ja, hij zal spoedig komen.”
Carvel had het hoofd gebogen. De zachte vlechten tusschen zijn vingers
werden aan zijn lippen gebracht. De Wilg, die weer in het vuur staarde,
zag dit niet. Maar zij _voelde_ het—en haar ziel fladderde, als door
vogelwieken bewogen.
„Ookimow Jeem,” fluisterde zij—het was een zuchtje, een beweging der
lippen, zoo zacht, dat Carvel geen geluid hoorde.
* * * * *
Als de oude Tuboa er dien nacht geweest was, had hij misschien vreemde
waarschuwingen gehoord in den wind, die nu en dan in de boomtoppen
fluisterde. Want het was zulk een nacht; een nacht, waarin de Roode
Goden zacht onder elkander fluisteren, een carnaval van heerlijkheid,
waarin zelfs de schaduwen en de hooge sterren schijnen te huiveren
van leven in hun machtige taal. Het is heel waarschijnlijk, dat de
oude Tuboa, met zijn negentig jaren achter zich, iets zou begrepen
hebben, of ten minste vermoed, van hetgeen Carvel in zijn jeugd en
goed vertrouwen niet zag. Morgen—hij zal morgen komen! De Wilg in
haar blijdschap, had dit gezegd. Maar aan ouden Tuboa zouden de boomen
toegefluisterd hebben, _waarom niet vannacht_?
Het was middernacht toen de volle maan boven de open plek in het bosch
stond. In het hutje sliep de Wilg. In de schaduw van balsemstruiken
achter het vuur sliep Baree en nog verder weg, bij een sparrenboschje,
lag Carvel. Hond en man waren vermoeid. Zij hadden dien dag veel en hard
geloopen en geen geluid drong tot hen door.
Maar zij hadden niet zooveel, noch zoo hard geloopen als Mc Taggart.
Tusschen zonsopgang en middernacht had hij veertig mijlen afgelegd,
toen hij de kleine vlakte naderde, waar Pierrot's hutje gestaan had.
Aan den zoom van het bosch had hij tweemaal geroepen en nu, daar
hij geen antwoord kreeg, bleef hij stilstaan en luisterde, in het
maanlicht. Nepeese had gezegd, hier op hem te zullen wachten. Hij was
vermoeid, maar de uitputting vermocht niet het vuur te dooven, dat in
zijn bloed brandde. Den heelen dag had het opgevlamd en nu—zoo dicht
bij de verwezenlijking van zijn wensch en zijn triomf—golfde de oude
hartstocht als bedwelmende wijn in zijn aderen. Op de een of andere
plek, dicht in de buurt waar hij nu stond, _wachtte Nepeese op hem_.
Opnieuw riep hij en zijn hart klopte van heftige verwachting terwijl hij
luisterde. Er volgde geen antwoord. Hij hield een oogenblik den adem in.
Hij snoof de lucht op—en flauwtjes kwam de rook van een vuur in zijn
neusgaten.
Met het instinkt van den man, die in de wildernis leeft, zocht hij de
windrichting op. Hij riep niet meer, maar haastte zich de open plek
over. Nepeese moest daarginds zijn—slapend naast haar vuur en een
zachte kreet rees er bij hem op, vol blijdschap. Hij bereikte den zoom
van het bosch; het toeval deed hem zijn schreden richten naar het
begroeide pad, hij volgde het en de rooklucht drong sterker tot hem door.
Het was weer het instinkt van den man der wildernis, dat hem
behoedzaam deed naderen. Voorzichtig, in de doodsche stilte van den
nacht. Er knapten geen takken onder zijn voeten. Hij werkte zich zoo
handig door het struikgewas, dat geen geluid hem verraadde. Toen hij
eindelijk de open plek bereikte, waar Carvel's vuur nog steeds een
spiraal, naar sparren geurenden, rook de lucht inzond, deed hij dit zoo
zacht sluipend, dat zelfs Baree er niet door gewekt werd. Misschien
sluimerde er nog iets van den ouden achterdocht in hem; misschien deed
hij het, omdat hij haar wilde naderen terwijl zij sliep. Het gezicht
van het hutje deed zijn hart sneller kloppen. Het was bijna zoo licht
als overdag, toen hij daar in het maanlicht stond en hij zag eenige
vrouwenkleeren buiten hangen. Hij naderde, zachtvoetig als een vos en
stond een oogenblik later aan den ingang der hut, met gebogen hoofd
luisterend of hij ook maar het geringste geluidje op kon vangen. Hij kon
haar ademhaling hooren. Even wendde hij zijn gelaat zóó, dat het door
het maanlicht beschenen werd. Er blonk een vuur van razernij in zijn
oogen. Toen, heel zacht, sloeg hij den voorhang bij de deur weg.
Het kon geen gerucht geweest zijn, dat Baree wekte, zooals hij verborgen
lag in de schaduw der struiken, een twaalftal passen van de deur der
hut. Misschien was het de reuk. Zijn neusgaten bewogen zich eerst,
toen ontwaakte hij. Een paar sekonden bleven zijn oogen rusten op de
gebogen figuur aan den ingang der hut. Hij wist, dat het Carvel niet
was. De oude reuk—de reuk van het _mensch-beest_ vulde zijn neusgaten
als een gehaat vergif. Hij sprong op en bleef staan, zijn vier pooten
stevig geplant en zijn lippen langzaam wegtrekkend van zijn lange
slagtanden. Mc Taggart was verdwenen. Maar binnen in de hut klonk een
geluid; een plotseling bewegen van lichamen; de verschrikte uitroep
van iemand, die uit den slaap ontwaakte—en daarna een kreet, een half
gesmoorde verschrikte kreet, en in antwoord hierop schoot Baree onder
de balsemstruiken uit, met een geluid in zijn strot, dat den dood
voorspelde.
Aan den rand van het sparrenbosch rolde Carvel zich onrustig in zijn
slaap heen en weer. Vreemde geluiden deden hem ontwaken, die in zijn
oververmoeidheid tot hem kwamen als in een droom. Ten slotte ging hij
overeind zitten en in plotselinge ontzetting sprong hij op en rende naar
het huisje toe. Nepeese stond buiten en riep den naam, dien zij hem
gegeven had—„_Ookimow Jeem—Ookimow Jeem—Ookimow Jeem!_” Zij stond
daar, blank en tenger, haar oogen hadden den glans der sterren en toen
zij Carvel zag, strekte zij de armen uit, nog steeds roepend:
„Ookimow Jeem—O—o,—Ookimow Jeem—”
In het hutje hoorde hij het razen van een dier en gekreun van een
mensch. Hij vergat, dat hij pas den avond te voren gekomen was en met
een kreet trok hij de Wilg aan zijn borst en de armen van de Wilg
klemden zich om zijn hals, terwijl zij kreunde:
„Ookimow Jeem—het is het mensch-beest, daarbinnen! Het mensch-beest van
Lac Bain—en Baree—”
De waarheid schoot door Carvel's brein en hij nam Nepeese in zijn armen
op en liep met haar buiten het gehoor van de geluiden, die afschuwelijk
werden. In het sparrenboschje zette hij haar neer. Haar armen waren
nog stijf om zijn hals geklemd; hij voelde de ontzetting rillen in
haar lichaam, haar adem kwam snikkend en haar oogen hingen aan zijn
gelaat, en plotseling drukte hij haar gelaat tegen het zijne en voelde
een oogenblik haar warme lippen tegen de zijne. En hij hoorde haar
fluisteren met zachte, trillende stem:
„O—o, _Ookimow Jeem—_”
* * * * *
Toen Carvel naar de hut terugkeerde, alleen, met zijn revolver in de
hand, stond Baree er voor en wachtte hem op. Carvel raapte een stuk
brandend hout op en trad het hutje binnen. Toen hij weer buiten kwam,
was zijn gezicht wit als een doek. Hij wierp het stuk hout in het vuur
en ging naar Nepeese terug. Hij had haar in zijn dekens gewikkeld, en nu
knielde hij naast haar neer en sloeg zijn armen om haar heen.
„Hij is dood, Nepeese.”
„Dood, Ookimow Jeem?”
„Ja, Baree heeft hem gedood.”
Hij voelde haar adem bijna niet meer gaan. Zachtjes, met zijn lippen in
heur haar, fluisterde Carvel haar zijn plannen in voor hun toekomstig
paradijs.
„Niemand zal het weten, mijn lieveling. Vannacht zal ik hem begraven
en het hutje verbranden. Morgen gaan wij naar Nelson House, waar een
zendeling is. En daarna—zullen wij terugkomen—en ik zal een nieuwe
hut bouwen, op de plek waar de oude is afgebrand. _Heb je me lief, Ka
Sakahet?_”
„_Oui_—ja—Ookimow Jeem—ik heb je lief—”
Plotseling werden zij gestoord. Baree slaakte eindelijk en ten laatste
zijn triomfkreet. Die kreet rees naar de sterren; galmde over het
bladerdak uit en den stillen nachthemel in—een wolfachtig gehuil van
uitbundige blijdschap, van triomf, van wraak, die volbracht was. De echo
er van stierf langzaam weg en er heerschte opnieuw stilte. Een groote
vredigheid fluisterde in den zachten adem van de kruinen der boomen. In
het noorden klonk de paringskreet van een fuut. De armen van de Wilg
klemden zich vaster om Carvel's hals. En Carvel dankte God uit den grond
van zijn hart.
+--------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden |
| aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| Voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de alinea |
| met de verwijzing. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel |
| zijn gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn |
| behouden: met/zonder koppelteken, met/zonder extra |
| spatie. |
| |
| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |
| |
| Bron (B:) -- Correctie (C:) |
| |
| B: deed kloppen als een |
| C: deden kloppen als een |
| B: vol konijnebout. Toen hij tot |
| C: vol konijnebonut. Toen hij tot |
| B: „Het jonge hondje! Gauw!— |
| C: „Het jonge hondje! Gauw!—” |
| B: niet meer ontsnappen!— |
| C: niet meer ontsnappen!—” |
| B: was de reuk. dien hij in den |
| C: was de reuk, dien hij in den |
| B: hij ontstuimig „Neen! Nooit!” |
| C: hij ontstuimig. „Neen! Nooit!” |
| B: woningen af en vedween. Vijf |
| C: woningen af en verdween. Vijf |
| B: zijn rug tegen een boom, zij |
| C: zijn rug tegen een boom, zijn |
| B: verhit, onredeijk brein kwam |
| C: verhit, onredelijk brein kwam |
| B: eind aan den hemell, toen Pierrot, |
| C: eind aan den hemel, toen Pierrot, |
| B: zij zachtjes. Baree, Baree!—” |
| C: zij zachtjes. „Baree, Baree!—” |
| B: oogen bliksemden den agent tegen |
| C: oogen bliksemden den agent tegen. |
| B: Baree!” fluisterde zij, zijn |
| C: „Baree!” fluisterde zij, zijn |
| B: de controleur, Bush Mc. Taggart's |
| C: de controleur, Bush Mc Taggart's |
| B: van het ranke Cree-meisje, en Mc. |
| C: van het ranke Cree-meisje, en Mc |
| B: Als hij mij haat, zal hij |
| C: „Als hij mij haat, zal hij |
| B: eigenaardigen lach. dien zij plotseling |
| C: eigenaardigen lach, dien zij plotseling |
| B: gedood door Pierrots' giftaas. De lynx |
| C: gedood door Pierrot's giftaas. De lynx |
| B: Marie en bleef steken |
| C: Marie en bleef steken. |
| B: besnuffelend en de geschiednis van zijn |
| C: besnuffelend en de geschiedenis van zijn |
| B: zoodra de zachte sneeuw valt!_” |
| C: zoodra de zachte sneeuw valt!_”” |
| B: Mc. Taggart zich bijna |
| C: Mc Taggart zich bijna |
| B: Carvel op en zete hem aan |
| C: Carvel op en zette hem aan |
| B: heb een boodschapper gestuurd._” |
| C: heb een boodschapper gestuurd._”” |
| |
+--------------------------------------------------------+