Baree maakt het Mc Taggart lastig.
Tegen het midden van Januari was de strijd tusschen Baree en Bush
Mc Taggart meer dan een voorval geworden—meer dan een voorbijgaand
avontuur voor het dier en meer dan een ergerniswekkende gebeurtenis
voor den man. Hij maakte voorloopig eenvoudig de reden van hun bestaan
uit. Baree bleef steeds in den omtrek van de vallenlijn. Hij bezocht
haar steeds alsof hij een ronddwalende geest was en iederen keer, dat
hij opnieuw den reuk van den agent van Lac Bain opsnoof, voelde hij
te sterker, dat hij zich op zijn doodsvijand wreekte. Telkens opnieuw
verschalkte hij Mc Taggart; hij ging er mee voort, de klemmen en vallen
van hun lokaas te berooven; de stemming om te verwoesten verergerde,
telkens als hij bij een pelsdier kwam; zijn grootste genoegen lag niet
in het verslinden van het aas, maar in het verwoesten er van. Het
vuur van zijn haat vlamde steeds hooger op, tot hij ten laatste tegen
de sneeuw begon te grauwen en er in te bijten, wanneer Mc Taggart er
overheen geloopen had. En al dien tijd had hij, onafhankelijk van deze
razernij, een visioen van Nepeese, dat hoe langer hoe duidelijker scheen
te worden.
Die groote eenzaamheid—die eenzaamheid gedurende de lange dagen en
nog langere nachten, toen hij wachtte en zocht in den omtrek van den
Grijzen Fuut, drukte hem weer, zooals zij hem gedrukt had in de eerste
dagen na haar verlies. In sterren- en maannachten zond hij opnieuw zijn
jammerkreten voor haar de lucht in en er liep Bush Mc Taggart, wanneer
hij deze hoorde, een vreemde huivering over den rug.
De haat van den man verschilde van dien van het dier, maar was misschien
nog onverzoenlijker. Bij Mc Taggart was het niet alleen haat. Er was een
onbeschrijfelijke en bijgeloovige vrees in gemengd, waarom hij lachte
en waarover hij vloekte, maar die hem bijbleef, even zeker als de reuk
van zijn eigen voetspoor in Baree's neusgaten drong. Het was Baree niet
alleen, waarmee hij te maken had, maar _Baree nam het voor Nepeese op
bovendien_. Deze gedachte zette zich steeds meer bij Mc Taggart vast.
Er ging nooit een dag voorbij, waarin hij niet aan de Wilg dacht, nooit
kwam en verstreek er een nacht, waarin hij haar gelaat niet duidelijk
voor zich zag. Hij verbeeldde zich zelfs, op een stormachtigen nacht,
dat hij haar stem hoorde in het geweeklaag van den wind—nauwelijks een
minuut later hoorde hij flauwtjes een gehuil in het bosch. Dien nacht
was zijn hart vervuld met een loodzware vrees. Hij trachtte haar van
zich af te zetten. Hij rookte pijpen, totdat de kamer in zijn hut in
een blauwen nevel gehuld was. Hij schold op Baree en den storm, maar
hij bezat den overbluffenden moed van vroeger niet meer. Hij had niet
opgehouden Baree te haten—hij haatte hem nog steeds, heviger dan hij
ooit een mensch gehaat had—maar hij had nu een nog grooter reden, hem
dood te wenschen. Eerst kwam zij tot hem in den slaap, in een onrustigen
droom en daarna leefde de gedachte voor hem, leefde de gedachte, _dat
Nepeese's geest Baree geleidde bij het verwoesten van zijn vallenlijn_!
Na een poosje praatte hij niet meer op den Post over den zwarten
wolf, die zijn gebied plunderde. Het pelswerk, door Baree's tanden
beschadigd, hield hij apart en hij bewaarde zijn geheim. Hij leerde
elke list en uitvinding, die de jagers gebruikten om vossen en wolven
te dooden in het Onvruchtbare Land. Hij probeerde drie verschillende
vergiften, waarvan er één, zoo sterk was, dat een droppel er van den
dood bracht; hij bracht strychnine aan in capsules van gelatine, in
hertenvet, in kariboevet, in elandslever en zelfs in het vleesch van
het stekelvarken. Ten laatste doopte hij bij het bereiden der vergiften
en vóór het aanraken van het vleesch zijn handen in beverolie, zoodat
er geen menschenreuk bij kon komen. Vossen, wolven, ja zelfs wezels
en hermelijnen stierven er aan, maar Baree kwam er altijd dichtbij,
maar toch nooit dicht genoeg. In Januari vergiftigde Mc Taggart het
aas van al zijn vallen. Dit had tenminste één goed resultaat voor
hem. Van dien dag af raakte Baree nooit meer aan het lokaas, maar at
alleen de konijnen op, die hij doodde in de klemmen. In Januari kreeg
Mc Taggart voor het eerst Baree te zien. Hij had zijn geweer tegen een
boom geplaatst en was er juist een paar meter vandaan. Het leek wel of
Baree dit wist en speciaal kwam om hem te tarten, want toen de agent
onverwacht opkeek, stond Baree nog geen twintig meter van hem af, een
eind buiten de dwergsparretjes; zijn witte tanden glinsterden en zijn
oogen brandden als kolen vuur. Even bleef Mc Taggart naar hem staren of
hij versteend was. Het was Baree wel degelijk. Hij herkende de witte
ster, het witgevlekte oor en zijn hart bonsde in zijn borst als een
hamer. Heel langzaam begon hij naar zijn geweer toe te kruipen. Hij
strekte er de hand naar uit, toen Baree verdween, snel als het weerlicht.
Dit bracht Mc Taggart op een nieuw denkbeeld. Hij baande zich een
anderen weg door het bosch, die evenwijdig liep met zijn vallenlijn,
maar op ten minste vijfhonderd meter afstand. Maar overal waar hij
een klem of val had uitgezet maakte dit tweede pad een scherpen hoek,
zooals de punt van een V, zoodat hij de oude vallenlijn onopgemerkt kon
bereiken. Door deze list geloofde hij, dat hij den een of anderen dag
den hond onder schot zou kunnen krijgen. Het was de man, die redeneerde,
en de man, die verslagen werd. Den eersten dag dat Mc Taggart dit nieuwe
pad volgde, deed Baree het eveneens. Eerst begreep hij niet, wat dit te
beteekenen had. Driemaal maakte hij een verbindingspad tusschen de oude
en de nieuwe lijn. Daarna weifelde hij niet langer. Het nieuwe pad was
het laatst beloopen en hij volgde de voetstappen van den agent van Lac
Bain. Mc Taggart vermoedde niet wat er gebeurde voor hij terugkeerde
en het in de sneeuw aangetoond zag. Baree had een bezoek gebracht aan
elke klem en zonder uitzondering was hij elken keer genaderd langs de
omgekeerde V. Na een week van nutteloos achternajagen, van op wacht
liggen, van besluipen uit iedere richting—gedurende welk tijdsverloop
Mc Taggart zich bijna razend gevloekt had, kreeg hij weer een ander
plan. Het was een ingeving, dit laatste plan, en zóó eenvoudig, dat het
onbegrijpelijk was, dat hij er niet vroeger aan gedacht had.
Twee dagen later was Mc Taggart weer terug, bij het aanbreken van
den dag. Ditmaal droeg hij een pak, waarin een half dozijn stevige
wolfsklemmen zaten, pas in beverolie gedoopt, en een konijn, dat hij den
vorigen nacht gestrikt had. Nu en dan keek hij angstig naar de lucht.
Deze bleef helder tot in den laten namiddag, toen donkere wolkenbanken
uit het oosten kwamen aandrijven. Een half uur later begonnen er een
paar sneeuwvlokken te vallen. Mc Taggart liet er een op zijn want vallen
en bekeek haar nauwkeurig. Zij was zacht en donzig en hij gaf uiting aan
zijn voldoening. Het was juist wat hij verlangde. Vóór den volgenden
morgen zou er een decimeter sneeuw liggen en alles bedekken. Hij bleef
staan bij de eerste val en ging snel aan het werk. Eerst wierp hij het
vergiftigde lokaas weg en verving het door het konijn. Toen begon hij
zijn wolfsklemmen uit te zetten. Drie er van plaatste hij vlak bij het
deurtje van de val, waardoor Baree zijn kop zou moeten steken om het aas
te bereiken. De overblijvende negen verspreidde hij op afstanden van een
voet ongeveer, zoodat, toen hij klaar was, een heele linie van klemmen
de val omringde. Hij maakte de kettingen niet vast, maar liet ze los in
de sneeuw liggen. Als Baree in de eene klem kwam, raakte hij vanzelf
in de volgende en hij behoefde haar dus niet eens vast te leggen.
Nadat hij zijn werk afgedaan had, haastte Mc Taggart zich door de zich
verdichtende schemering naar zijn hutje terug. Hij was buitengewoon in
zijn schik. Ditmaal kon er geen sprake zijn van een mislukking. Hij had
elke klem over zijn heelen weg naar Lac Bain dicht laten springen en
Baree zou nergens iets vinden om te eten voordat hij den „kring” der
wolfsklemmen bereikte.
Dien nacht vier er veel sneeuw en de heele wereld scheen in een
prachtig wit gewaad gehuld. De sneeuw hing als golven van veeren aan
de boomen en struiken; zij gaf hooge witte mutsen aan de rotsen en zij
was zoo week onder de voeten, dat een patroon, die men uit de hand
liet vallen, er in wegzonk tot op den grond. Baree was al vroeg op de
vallenlijn. Hij was voorzichtiger, dezen morgen, want de reuk van Mc
Taggart's sneeuwschoenspoor was er niet, om hem den weg te wijzen. Hij
bereikte de eerste klem ongeveer halfweg Lac Bain en het hutje, waarin
de agent in afwachting gebleven was. Zij was dichtgesprongen en er
zat niets in. Klem na klem zocht hij op en alle zaten dicht en waren
zonder lokaas. Hij snoof argwanend de lucht in, te vergeefs trachtend
rook of menschenlucht te ontdekken. Tegen den middag naderde hij den
„klemmenkring”—de twaalf verraderlijke klemmen, die met gapende kaken
op hem wachtten, een halven voet diep onder de sneeuw. Een volle minuut
lang bleef hij staan, buiten het gevaarlijke terrein, snuivend en
luisterend. Hij zag het konijn en zijn kaken klapten hongerig dicht. Hij
kwam een stap dichterbij. Nog steeds was hij achterdochtig—om de een
of andere onverklaarbare reden vermoedde hij gevaar. Gretig zocht hij
er naar, met oogen, neus en ooren. En rondom heerschte groote stilte
en vredigheid. Zijn kaken klapten opnieuw op elkaar. Hij jankte zacht.
Wat verontrustte hem toch? Waar was dan het gevaar, dat hij zien noch
ruiken kon? Langzaam cirkelde hij om de val heen, driemaal, en bij elken
cirkel, dien hij beschreef, kwam hij wat dichterbij—totdat zijn pooten
bijna de uiterste klemmenlinie aanraakten. Nog even bleef hij stilstaan,
ondanks den heerlijken geur van het konijn in zijn neusgaten, trok er
hem iets vandaan. Bijna was hij er vandoor gegaan, maar plotseling
kwam er vlak van achter de val een heftig rat-achtig gepiep en het
volgende oogenblik zag Baree een hermelijn, nog witter dan de sneeuw,
dat hongerig aan het konijnevleesch rukte. Hij vergat dat zonderlinge
voorgevoel van gevaar. Hij gromde woedend, maar zijn moedige kleine
mededinger liet zijn buit niet los.
En toen sprong hij middenin den vallenkring, dien Bush Mc Taggart voor
hem aangelegd had.