XXV.

Baree maakt het Mc Taggart lastig.

Tegen het midden van Januari was de strijd tusschen Baree en Bush

Mc Taggart meer dan een voorval geworden—meer dan een voorbijgaand

avontuur voor het dier en meer dan een ergerniswekkende gebeurtenis

voor den man. Hij maakte voorloopig eenvoudig de reden van hun bestaan

uit. Baree bleef steeds in den omtrek van de vallenlijn. Hij bezocht

haar steeds alsof hij een ronddwalende geest was en iederen keer, dat

hij opnieuw den reuk van den agent van Lac Bain opsnoof, voelde hij

te sterker, dat hij zich op zijn doodsvijand wreekte. Telkens opnieuw

verschalkte hij Mc Taggart; hij ging er mee voort, de klemmen en vallen

van hun lokaas te berooven; de stemming om te verwoesten verergerde,

telkens als hij bij een pelsdier kwam; zijn grootste genoegen lag niet

in het verslinden van het aas, maar in het verwoesten er van. Het

vuur van zijn haat vlamde steeds hooger op, tot hij ten laatste tegen

de sneeuw begon te grauwen en er in te bijten, wanneer Mc Taggart er

overheen geloopen had. En al dien tijd had hij, onafhankelijk van deze

razernij, een visioen van Nepeese, dat hoe langer hoe duidelijker scheen

te worden.

Die groote eenzaamheid—die eenzaamheid gedurende de lange dagen en

nog langere nachten, toen hij wachtte en zocht in den omtrek van den

Grijzen Fuut, drukte hem weer, zooals zij hem gedrukt had in de eerste

dagen na haar verlies. In sterren- en maannachten zond hij opnieuw zijn

jammerkreten voor haar de lucht in en er liep Bush Mc Taggart, wanneer

hij deze hoorde, een vreemde huivering over den rug.

De haat van den man verschilde van dien van het dier, maar was misschien

nog onverzoenlijker. Bij Mc Taggart was het niet alleen haat. Er was een

onbeschrijfelijke en bijgeloovige vrees in gemengd, waarom hij lachte

en waarover hij vloekte, maar die hem bijbleef, even zeker als de reuk

van zijn eigen voetspoor in Baree's neusgaten drong. Het was Baree niet

alleen, waarmee hij te maken had, maar _Baree nam het voor Nepeese op

bovendien_. Deze gedachte zette zich steeds meer bij Mc Taggart vast.

Er ging nooit een dag voorbij, waarin hij niet aan de Wilg dacht, nooit

kwam en verstreek er een nacht, waarin hij haar gelaat niet duidelijk

voor zich zag. Hij verbeeldde zich zelfs, op een stormachtigen nacht,

dat hij haar stem hoorde in het geweeklaag van den wind—nauwelijks een

minuut later hoorde hij flauwtjes een gehuil in het bosch. Dien nacht

was zijn hart vervuld met een loodzware vrees. Hij trachtte haar van

zich af te zetten. Hij rookte pijpen, totdat de kamer in zijn hut in

een blauwen nevel gehuld was. Hij schold op Baree en den storm, maar

hij bezat den overbluffenden moed van vroeger niet meer. Hij had niet

opgehouden Baree te haten—hij haatte hem nog steeds, heviger dan hij

ooit een mensch gehaat had—maar hij had nu een nog grooter reden, hem

dood te wenschen. Eerst kwam zij tot hem in den slaap, in een onrustigen

droom en daarna leefde de gedachte voor hem, leefde de gedachte, _dat

Nepeese's geest Baree geleidde bij het verwoesten van zijn vallenlijn_!

Na een poosje praatte hij niet meer op den Post over den zwarten

wolf, die zijn gebied plunderde. Het pelswerk, door Baree's tanden

beschadigd, hield hij apart en hij bewaarde zijn geheim. Hij leerde

elke list en uitvinding, die de jagers gebruikten om vossen en wolven

te dooden in het Onvruchtbare Land. Hij probeerde drie verschillende

vergiften, waarvan er één, zoo sterk was, dat een droppel er van den

dood bracht; hij bracht strychnine aan in capsules van gelatine, in

hertenvet, in kariboevet, in elandslever en zelfs in het vleesch van

het stekelvarken. Ten laatste doopte hij bij het bereiden der vergiften

en vóór het aanraken van het vleesch zijn handen in beverolie, zoodat

er geen menschenreuk bij kon komen. Vossen, wolven, ja zelfs wezels

en hermelijnen stierven er aan, maar Baree kwam er altijd dichtbij,

maar toch nooit dicht genoeg. In Januari vergiftigde Mc Taggart het

aas van al zijn vallen. Dit had tenminste één goed resultaat voor

hem. Van dien dag af raakte Baree nooit meer aan het lokaas, maar at

alleen de konijnen op, die hij doodde in de klemmen. In Januari kreeg

Mc Taggart voor het eerst Baree te zien. Hij had zijn geweer tegen een

boom geplaatst en was er juist een paar meter vandaan. Het leek wel of

Baree dit wist en speciaal kwam om hem te tarten, want toen de agent

onverwacht opkeek, stond Baree nog geen twintig meter van hem af, een

eind buiten de dwergsparretjes; zijn witte tanden glinsterden en zijn

oogen brandden als kolen vuur. Even bleef Mc Taggart naar hem staren of

hij versteend was. Het was Baree wel degelijk. Hij herkende de witte

ster, het witgevlekte oor en zijn hart bonsde in zijn borst als een

hamer. Heel langzaam begon hij naar zijn geweer toe te kruipen. Hij

strekte er de hand naar uit, toen Baree verdween, snel als het weerlicht.

Dit bracht Mc Taggart op een nieuw denkbeeld. Hij baande zich een

anderen weg door het bosch, die evenwijdig liep met zijn vallenlijn,

maar op ten minste vijfhonderd meter afstand. Maar overal waar hij

een klem of val had uitgezet maakte dit tweede pad een scherpen hoek,

zooals de punt van een V, zoodat hij de oude vallenlijn onopgemerkt kon

bereiken. Door deze list geloofde hij, dat hij den een of anderen dag

den hond onder schot zou kunnen krijgen. Het was de man, die redeneerde,

en de man, die verslagen werd. Den eersten dag dat Mc Taggart dit nieuwe

pad volgde, deed Baree het eveneens. Eerst begreep hij niet, wat dit te

beteekenen had. Driemaal maakte hij een verbindingspad tusschen de oude

en de nieuwe lijn. Daarna weifelde hij niet langer. Het nieuwe pad was

het laatst beloopen en hij volgde de voetstappen van den agent van Lac

Bain. Mc Taggart vermoedde niet wat er gebeurde voor hij terugkeerde

en het in de sneeuw aangetoond zag. Baree had een bezoek gebracht aan

elke klem en zonder uitzondering was hij elken keer genaderd langs de

omgekeerde V. Na een week van nutteloos achternajagen, van op wacht

liggen, van besluipen uit iedere richting—gedurende welk tijdsverloop

Mc Taggart zich bijna razend gevloekt had, kreeg hij weer een ander

plan. Het was een ingeving, dit laatste plan, en zóó eenvoudig, dat het

onbegrijpelijk was, dat hij er niet vroeger aan gedacht had.

Twee dagen later was Mc Taggart weer terug, bij het aanbreken van

den dag. Ditmaal droeg hij een pak, waarin een half dozijn stevige

wolfsklemmen zaten, pas in beverolie gedoopt, en een konijn, dat hij den

vorigen nacht gestrikt had. Nu en dan keek hij angstig naar de lucht.

Deze bleef helder tot in den laten namiddag, toen donkere wolkenbanken

uit het oosten kwamen aandrijven. Een half uur later begonnen er een

paar sneeuwvlokken te vallen. Mc Taggart liet er een op zijn want vallen

en bekeek haar nauwkeurig. Zij was zacht en donzig en hij gaf uiting aan

zijn voldoening. Het was juist wat hij verlangde. Vóór den volgenden

morgen zou er een decimeter sneeuw liggen en alles bedekken. Hij bleef

staan bij de eerste val en ging snel aan het werk. Eerst wierp hij het

vergiftigde lokaas weg en verving het door het konijn. Toen begon hij

zijn wolfsklemmen uit te zetten. Drie er van plaatste hij vlak bij het

deurtje van de val, waardoor Baree zijn kop zou moeten steken om het aas

te bereiken. De overblijvende negen verspreidde hij op afstanden van een

voet ongeveer, zoodat, toen hij klaar was, een heele linie van klemmen

de val omringde. Hij maakte de kettingen niet vast, maar liet ze los in

de sneeuw liggen. Als Baree in de eene klem kwam, raakte hij vanzelf

in de volgende en hij behoefde haar dus niet eens vast te leggen.

Nadat hij zijn werk afgedaan had, haastte Mc Taggart zich door de zich

verdichtende schemering naar zijn hutje terug. Hij was buitengewoon in

zijn schik. Ditmaal kon er geen sprake zijn van een mislukking. Hij had

elke klem over zijn heelen weg naar Lac Bain dicht laten springen en

Baree zou nergens iets vinden om te eten voordat hij den „kring” der

wolfsklemmen bereikte.

Dien nacht vier er veel sneeuw en de heele wereld scheen in een

prachtig wit gewaad gehuld. De sneeuw hing als golven van veeren aan

de boomen en struiken; zij gaf hooge witte mutsen aan de rotsen en zij

was zoo week onder de voeten, dat een patroon, die men uit de hand

liet vallen, er in wegzonk tot op den grond. Baree was al vroeg op de

vallenlijn. Hij was voorzichtiger, dezen morgen, want de reuk van Mc

Taggart's sneeuwschoenspoor was er niet, om hem den weg te wijzen. Hij

bereikte de eerste klem ongeveer halfweg Lac Bain en het hutje, waarin

de agent in afwachting gebleven was. Zij was dichtgesprongen en er

zat niets in. Klem na klem zocht hij op en alle zaten dicht en waren

zonder lokaas. Hij snoof argwanend de lucht in, te vergeefs trachtend

rook of menschenlucht te ontdekken. Tegen den middag naderde hij den

„klemmenkring”—de twaalf verraderlijke klemmen, die met gapende kaken

op hem wachtten, een halven voet diep onder de sneeuw. Een volle minuut

lang bleef hij staan, buiten het gevaarlijke terrein, snuivend en

luisterend. Hij zag het konijn en zijn kaken klapten hongerig dicht. Hij

kwam een stap dichterbij. Nog steeds was hij achterdochtig—om de een

of andere onverklaarbare reden vermoedde hij gevaar. Gretig zocht hij

er naar, met oogen, neus en ooren. En rondom heerschte groote stilte

en vredigheid. Zijn kaken klapten opnieuw op elkaar. Hij jankte zacht.

Wat verontrustte hem toch? Waar was dan het gevaar, dat hij zien noch

ruiken kon? Langzaam cirkelde hij om de val heen, driemaal, en bij elken

cirkel, dien hij beschreef, kwam hij wat dichterbij—totdat zijn pooten

bijna de uiterste klemmenlinie aanraakten. Nog even bleef hij stilstaan,

ondanks den heerlijken geur van het konijn in zijn neusgaten, trok er

hem iets vandaan. Bijna was hij er vandoor gegaan, maar plotseling

kwam er vlak van achter de val een heftig rat-achtig gepiep en het

volgende oogenblik zag Baree een hermelijn, nog witter dan de sneeuw,

dat hongerig aan het konijnevleesch rukte. Hij vergat dat zonderlinge

voorgevoel van gevaar. Hij gromde woedend, maar zijn moedige kleine

mededinger liet zijn buit niet los.

En toen sprong hij middenin den vallenkring, dien Bush Mc Taggart voor

hem aangelegd had.

De zoon van Kazan · 第 29 / 34 题