Het groote onbekende.
Voor Baree bestond, vele dagen nadat hij geboren was, de wereld uit
een groote, schemerige spelonk. Gedurende deze eerste dagen van zijn
leven was zijn tehuis in het hartje van een groep omgewaaide boomen,
waar Wolvin, zijn blinde moeder, een veilig nest gevonden had voor
zijn prille jeugd en waar Kazan, haar maat, slechts nu en dan kwam,
met oogen, die in de duisternis glommen als groenachtige ballen vuur.
Het waren Kazan's oogen, die Baree voor het eerst den indruk gaven,
dat er nog iets bestond buiten zijn moeder, en zij brachten hem ook de
ontdekking van het gezicht. Hij kon voelen, hij kon ruiken, hij kon
hooren—maar in dat donkere hol onder de omgewaaide boomen had hij
nooit _gezien_ voordat deze oogen kwamen. Eerst joegen zij hem schrik
aan, toen verbazing en daarna veranderde zijn vrees in ontzaglijke
nieuwsgierigheid. Hij placht ernaar te liggen kijken, tot zij
plotseling verdwenen waren. Dit gebeurde als Kazan zijn kop omdraaide.
En dan flikkerden zij hem opnieuw tegen met zulk een schrikaanjagende
onverwachtheid, dat hij onwillekeurig dichter tegen zijn moeder
aankroop, die altijd op een eigenaardige manier begon te trillen
en te huiveren, wanneer Kazan binnenkwam.
Baree zou natuurlijk nooit hun geschiedenis te weten komen. Hij zou
nooit weten, dat Wolvin, zijn moeder, een volbloed wolvin was en dat
Kazan, zijn vader, een hond was.
De natuur was bij hem al bezig haar wonderwerk te verrichten, maar zij
zou toch nooit buiten zekere grenzen gaan. Zij zou hem, op haar tijd,
de ervaring brengen, dat zijn mooie wolvinnemoeder blind was, maar hij
zou nooit iets vernemen van een zeker verschrikkelijk gevecht tusschen
Wolvin en een lynx, waarbij zijn moeder's gezicht verwoest was. De
natuur kon hem niets vertellen—zij kon hem alleen maken tot een zoon
van Kazan.
Maar in het begin, vele dagen lang, bestond voor hem alleen zijn
moeder. Zelfs nadat zijn oogen open waren gegaan en hij het gebruik
van zijn pootjes ontdekt had, zoodat hij wat rond kon strompelen in de
duisternis, bestond er voor Baree niets, buiten zijn moeder. Toen hij
oud genoeg was om met stokjes en stukken mos te spelen, buiten in den
zonneschijn, wist hij nog steeds niet, hoe zij er uitzag. Maar voor hem
was zij groot en zacht en warm en zij likte zijn snoetje met haar tong
en praatte tegen hem op een zachte, klagerige manier, wat eindelijk
de oorzaak werd, dat hij zijn eigen stem vond, met een klein, schril
blafje. En toen kwam die wonderbaarlijke dag, dat de groenachtige
ballen vuur, die Kazan's oogen waren, nader en nader kwamen, langzaam
aan en heel voorzichtig. Tot vóór dezen dag had Wolvin hem uit de buurt
gehouden. Alleen te zijn was de eerste wet van haar wild geslacht,
gedurende den eersten tijd van haar moederschap.
Zij behoefde maar even te snauwen en Kazan had zich altijd
teruggetrokken. Maar dezen dag kwam het niet tot een waarschuwenden
snauw in Wolvin's strot, het stierf weg in een zacht gejank. Er was een
klank in van eenzaamheid, van blijdschap, van groot verlangen. „Het is
in orde, nu,” zeide hij hiermee tot Kazan. En Kazan—nog even wachtend
om heelemaal zeker te zijn van zijn zaak—antwoordde met een zacht
gebrom, diep in zijn strot.
Nog steeds langzaam, alsof hij niet zeker was van wat hij ontdekken zou,
kwam Kazan naderbij en Baree nestelde zich dichter tegen zijn moeder
aan. Hij hoorde hoe Kazan zwaar op zijn buik neerviel, dicht naast
Wolvin. Hij was niet bang en vreeselijk nieuwsgierig. Hij snoof. En in
het duister spitste hij de ooren. Na een poosje begon Baree te bewegen.
Langzaam kroop hij van Wolvin's zijde weg. Wolvin lag heel stil, maar
elke spier in haar lenig lijf was strak gespannen, als staaldraad. Het
was weer haar wolvenbloed, dat haar waarschuwde. Er dreigde gevaar voor
Baree. Zonder geluid te geven trok zij haar lippen weg, zoodat haar
slagtanden bloot kwamen. Het begon te trillen in haar strot, maar het
geluid plantte zich niet voort. Uit de duisternis, twee meter van haar
af, kwam een zacht jongehondjesgejank en het liefkoozend geluid van
Kazan's tong.
Baree ondervond de siddering van zijn eerste groote avontuur. Hij had
zijn vader ontdekt.
* * * * *
Dit alles viel voor in de derde week van Baree's leven. Hij was juist
achttien dagen oud, toen Wolvin Kazan toestond, met zijn zoon kennis
te maken. Zonder Wolvin's blindheid en de herinnering aan dien dag op
de Zonnerots, toen de lynx haar voor altijd het licht in de oogen had
benomen, zou Baree in de open lucht geboren zijn en zijn pootjes zouden
dadelijk sterk geweest zijn. Hij zou de zon gekend hebben en de maan en
de sterren, hij zou het gerommel van den donder begrepen hebben en de
bliksemstralen gezien hebben aan den hemel.
Maar zooals de zaken nu stonden, viel er voor hem in dat donkere hol
onder de omgevallen boomen niets te doen dan wat rond te waggelen en
met zijn klein rood tongetje aan de afgekloven beenderen te likken, die
overal om hem heen verspreid lagen. Meermalen had hij alleen moeten
blijven. Hij had zijn moeder hooren komen en gaan en bijna altijd was
het geweest in antwoord op een blaf van Kazan, welk geluid tot hem kwam
als een verwijderde echo. Hij had nooit sterk het verlangen gevoeld,
haar te volgen tot op dien dag, waarop Kazan's groote, koele tong zijn
snoetje geliefkoosd had. Op deze oogenblikken was de natuur weer bij hem
aan het werk. Dit instinkt was nog niet geheel geboren vóór dien dag. En
wanneer Kazan wegging, hen alleen achterlatend in het duister, jankte
Baree voor zijn terugkomst, juist zooals hij gejankt had om zijn moeder,
wanneer deze hem zoo nu en dan verlaten had, de roepstem volgend van
haar maat.
De zon stond recht boven het bosch, toen, een paar uren na Kazan's
bezoek, Wolvin wegsloop. Tusschen Baree's nest en den hemel lag veertig
voet hout, boomstammen en takken, waardoor geen enkele lichtstraal heen
kon breken. Deze duisternis beangstte hem niet, want hij had nog niet
geleerd, wat het licht beteekende. De dag, en niet de nacht, zou hem
zijn eersten grooten schrik aanjagen. Dus begon hij, onbevreesd, maar
even jankend tegen zijn moeder, dat zij op hem wachten moest, te volgen.
Als Wolvin hem al hoorde, zij sloeg geen acht op hem en het kletteren
van haar klauwen op de dorre takken stierf spoedig weg.
Ditmaal bleef Baree niet staan voor den acht decimeterlangen boomstam,
die altijd op deze plek de wereld voor hem had afgesloten. Hij klom
er bovenop en liet zich toen aan den anderen kant er overheen rollen.
Hierachter begon het groote avontuur en hij wierp er zich moedig
middenin.
Hij had een heelen tijd noodig om de eerste twintig meter af te leggen.
Toen kwam hij over een gedeelte, dat heelemaal plat getrapt was door de
pooten van Wolvin en Kazan, en, telkens stilstaand om een jammerenden
kreet te uiten, voor zijn moeder bestemd, ging hij hoe langer hoe
verder. Terwijl hij voortliep kwam er langzamerhand een zonderlinge
verandering in dat wereldje van hem. Hij had nooit iets anders gekend
dan de duisternis. En nu scheen die duisternis te veranderen in vreemde
vormen en schaduwen. Eens zag hij een schelle streep vlak boven
zich—een zonnestraal—en daar schrikte hij zóó van, dat hij zich plat
uitstrekte en een halve minuut lang zich niet bewoog. Toen liep hij
weer door. Een hermelijn piepte, ergens beneden hem. Hij hoorde het
snelle geritsel van een eekhoorn en een vreemd whoet, whoet, whoet! dat
in het minst niet leek op één van de geluiden, die zijn moeder ooit
gemaakt had. Hij was het spoor bijster. Het hout was nu niet langer
plat getrapt en hij moest een helling beklimmen, die hoe langer hoe
steiler werd en zich gaandeweg vernauwde. Hij begon te janken. Zijn
zacht neusje zocht vergeefs naar den warmen reuk van zijn moeder. Het
einde kwam plotseling, toen hij zijn evenwicht verloor en viel. Hij
uitte een scherpen kreet van schrik, toen hij zich voelde uitglijden
en viel toen in de diepte. Hij moest wel nogal hoog geklommen zijn,
want het was voor Baree een geweldige val. Zijn teer lichaampje bonsde
van boomstam op boomstam en toen hij eindelijk liggen bleef, had hij
bijna geen adem meer over. Maar hij stond snel overeind op zijn vier
trillende pootjes—en knipte met de oogen. Een nieuwe angst hield hem
vastgeworteld. In een oogwenk was de heele wereld veranderd. Het was een
stroom van zonlicht. Overal waar hij heenkeek, zag hij vreemde dingen.
Maar de zon joeg hem de meeste vrees aan.
Het was de eerste maal, dat hij vuur zag en het stak hem in de oogen.
Hij stond op het punt, zich terug te trekken in het liefderijke duister
van het hol, maar juist kwam Wolvin opdagen, gevolgd door Kazan. Zij
besnuffelde Baree vroolijk en Kazan kwispelstaartte, zeer bepaald op
hondenmanier. Dit kenteeken van den hond zou voortaan Baree's deel zijn.
Hoewel hij voor de helft wolf was, zou hij toch kunnen kwispelstaarten.
Hij probeerde het maar vast eens. Misschien zag Kazan deze eerste
poging, want hij gaf een gesmoorden blaf van goedkeuring, terwijl hij
zitten ging.
Of misschien zeide hij tot Wolvin:
„Zoo, nu hebben wij toch eindelijk dien kleinen rakker buiten het hol
gekregen, niet?”
Voor Baree was het een groote dag geweest. Hij had zijn vader ontdekt
en—de wereld.