I.

Het groote onbekende.

Voor Baree bestond, vele dagen nadat hij geboren was, de wereld uit

een groote, schemerige spelonk. Gedurende deze eerste dagen van zijn

leven was zijn tehuis in het hartje van een groep omgewaaide boomen,

waar Wolvin, zijn blinde moeder, een veilig nest gevonden had voor

zijn prille jeugd en waar Kazan, haar maat, slechts nu en dan kwam,

met oogen, die in de duisternis glommen als groenachtige ballen vuur.

Het waren Kazan's oogen, die Baree voor het eerst den indruk gaven,

dat er nog iets bestond buiten zijn moeder, en zij brachten hem ook de

ontdekking van het gezicht. Hij kon voelen, hij kon ruiken, hij kon

hooren—maar in dat donkere hol onder de omgewaaide boomen had hij

nooit _gezien_ voordat deze oogen kwamen. Eerst joegen zij hem schrik

aan, toen verbazing en daarna veranderde zijn vrees in ontzaglijke

nieuwsgierigheid. Hij placht ernaar te liggen kijken, tot zij

plotseling verdwenen waren. Dit gebeurde als Kazan zijn kop omdraaide.

En dan flikkerden zij hem opnieuw tegen met zulk een schrikaanjagende

onverwachtheid, dat hij onwillekeurig dichter tegen zijn moeder

aankroop, die altijd op een eigenaardige manier begon te trillen

en te huiveren, wanneer Kazan binnenkwam.

Baree zou natuurlijk nooit hun geschiedenis te weten komen. Hij zou

nooit weten, dat Wolvin, zijn moeder, een volbloed wolvin was en dat

Kazan, zijn vader, een hond was.

De natuur was bij hem al bezig haar wonderwerk te verrichten, maar zij

zou toch nooit buiten zekere grenzen gaan. Zij zou hem, op haar tijd,

de ervaring brengen, dat zijn mooie wolvinnemoeder blind was, maar hij

zou nooit iets vernemen van een zeker verschrikkelijk gevecht tusschen

Wolvin en een lynx, waarbij zijn moeder's gezicht verwoest was. De

natuur kon hem niets vertellen—zij kon hem alleen maken tot een zoon

van Kazan.

Maar in het begin, vele dagen lang, bestond voor hem alleen zijn

moeder. Zelfs nadat zijn oogen open waren gegaan en hij het gebruik

van zijn pootjes ontdekt had, zoodat hij wat rond kon strompelen in de

duisternis, bestond er voor Baree niets, buiten zijn moeder. Toen hij

oud genoeg was om met stokjes en stukken mos te spelen, buiten in den

zonneschijn, wist hij nog steeds niet, hoe zij er uitzag. Maar voor hem

was zij groot en zacht en warm en zij likte zijn snoetje met haar tong

en praatte tegen hem op een zachte, klagerige manier, wat eindelijk

de oorzaak werd, dat hij zijn eigen stem vond, met een klein, schril

blafje. En toen kwam die wonderbaarlijke dag, dat de groenachtige

ballen vuur, die Kazan's oogen waren, nader en nader kwamen, langzaam

aan en heel voorzichtig. Tot vóór dezen dag had Wolvin hem uit de buurt

gehouden. Alleen te zijn was de eerste wet van haar wild geslacht,

gedurende den eersten tijd van haar moederschap.

Zij behoefde maar even te snauwen en Kazan had zich altijd

teruggetrokken. Maar dezen dag kwam het niet tot een waarschuwenden

snauw in Wolvin's strot, het stierf weg in een zacht gejank. Er was een

klank in van eenzaamheid, van blijdschap, van groot verlangen. „Het is

in orde, nu,” zeide hij hiermee tot Kazan. En Kazan—nog even wachtend

om heelemaal zeker te zijn van zijn zaak—antwoordde met een zacht

gebrom, diep in zijn strot.

Nog steeds langzaam, alsof hij niet zeker was van wat hij ontdekken zou,

kwam Kazan naderbij en Baree nestelde zich dichter tegen zijn moeder

aan. Hij hoorde hoe Kazan zwaar op zijn buik neerviel, dicht naast

Wolvin. Hij was niet bang en vreeselijk nieuwsgierig. Hij snoof. En in

het duister spitste hij de ooren. Na een poosje begon Baree te bewegen.

Langzaam kroop hij van Wolvin's zijde weg. Wolvin lag heel stil, maar

elke spier in haar lenig lijf was strak gespannen, als staaldraad. Het

was weer haar wolvenbloed, dat haar waarschuwde. Er dreigde gevaar voor

Baree. Zonder geluid te geven trok zij haar lippen weg, zoodat haar

slagtanden bloot kwamen. Het begon te trillen in haar strot, maar het

geluid plantte zich niet voort. Uit de duisternis, twee meter van haar

af, kwam een zacht jongehondjesgejank en het liefkoozend geluid van

Kazan's tong.

Baree ondervond de siddering van zijn eerste groote avontuur. Hij had

zijn vader ontdekt.

* * * * *

Dit alles viel voor in de derde week van Baree's leven. Hij was juist

achttien dagen oud, toen Wolvin Kazan toestond, met zijn zoon kennis

te maken. Zonder Wolvin's blindheid en de herinnering aan dien dag op

de Zonnerots, toen de lynx haar voor altijd het licht in de oogen had

benomen, zou Baree in de open lucht geboren zijn en zijn pootjes zouden

dadelijk sterk geweest zijn. Hij zou de zon gekend hebben en de maan en

de sterren, hij zou het gerommel van den donder begrepen hebben en de

bliksemstralen gezien hebben aan den hemel.

Maar zooals de zaken nu stonden, viel er voor hem in dat donkere hol

onder de omgevallen boomen niets te doen dan wat rond te waggelen en

met zijn klein rood tongetje aan de afgekloven beenderen te likken, die

overal om hem heen verspreid lagen. Meermalen had hij alleen moeten

blijven. Hij had zijn moeder hooren komen en gaan en bijna altijd was

het geweest in antwoord op een blaf van Kazan, welk geluid tot hem kwam

als een verwijderde echo. Hij had nooit sterk het verlangen gevoeld,

haar te volgen tot op dien dag, waarop Kazan's groote, koele tong zijn

snoetje geliefkoosd had. Op deze oogenblikken was de natuur weer bij hem

aan het werk. Dit instinkt was nog niet geheel geboren vóór dien dag. En

wanneer Kazan wegging, hen alleen achterlatend in het duister, jankte

Baree voor zijn terugkomst, juist zooals hij gejankt had om zijn moeder,

wanneer deze hem zoo nu en dan verlaten had, de roepstem volgend van

haar maat.

De zon stond recht boven het bosch, toen, een paar uren na Kazan's

bezoek, Wolvin wegsloop. Tusschen Baree's nest en den hemel lag veertig

voet hout, boomstammen en takken, waardoor geen enkele lichtstraal heen

kon breken. Deze duisternis beangstte hem niet, want hij had nog niet

geleerd, wat het licht beteekende. De dag, en niet de nacht, zou hem

zijn eersten grooten schrik aanjagen. Dus begon hij, onbevreesd, maar

even jankend tegen zijn moeder, dat zij op hem wachten moest, te volgen.

Als Wolvin hem al hoorde, zij sloeg geen acht op hem en het kletteren

van haar klauwen op de dorre takken stierf spoedig weg.

Ditmaal bleef Baree niet staan voor den acht decimeterlangen boomstam,

die altijd op deze plek de wereld voor hem had afgesloten. Hij klom

er bovenop en liet zich toen aan den anderen kant er overheen rollen.

Hierachter begon het groote avontuur en hij wierp er zich moedig

middenin.

Hij had een heelen tijd noodig om de eerste twintig meter af te leggen.

Toen kwam hij over een gedeelte, dat heelemaal plat getrapt was door de

pooten van Wolvin en Kazan, en, telkens stilstaand om een jammerenden

kreet te uiten, voor zijn moeder bestemd, ging hij hoe langer hoe

verder. Terwijl hij voortliep kwam er langzamerhand een zonderlinge

verandering in dat wereldje van hem. Hij had nooit iets anders gekend

dan de duisternis. En nu scheen die duisternis te veranderen in vreemde

vormen en schaduwen. Eens zag hij een schelle streep vlak boven

zich—een zonnestraal—en daar schrikte hij zóó van, dat hij zich plat

uitstrekte en een halve minuut lang zich niet bewoog. Toen liep hij

weer door. Een hermelijn piepte, ergens beneden hem. Hij hoorde het

snelle geritsel van een eekhoorn en een vreemd whoet, whoet, whoet! dat

in het minst niet leek op één van de geluiden, die zijn moeder ooit

gemaakt had. Hij was het spoor bijster. Het hout was nu niet langer

plat getrapt en hij moest een helling beklimmen, die hoe langer hoe

steiler werd en zich gaandeweg vernauwde. Hij begon te janken. Zijn

zacht neusje zocht vergeefs naar den warmen reuk van zijn moeder. Het

einde kwam plotseling, toen hij zijn evenwicht verloor en viel. Hij

uitte een scherpen kreet van schrik, toen hij zich voelde uitglijden

en viel toen in de diepte. Hij moest wel nogal hoog geklommen zijn,

want het was voor Baree een geweldige val. Zijn teer lichaampje bonsde

van boomstam op boomstam en toen hij eindelijk liggen bleef, had hij

bijna geen adem meer over. Maar hij stond snel overeind op zijn vier

trillende pootjes—en knipte met de oogen. Een nieuwe angst hield hem

vastgeworteld. In een oogwenk was de heele wereld veranderd. Het was een

stroom van zonlicht. Overal waar hij heenkeek, zag hij vreemde dingen.

Maar de zon joeg hem de meeste vrees aan.

Het was de eerste maal, dat hij vuur zag en het stak hem in de oogen.

Hij stond op het punt, zich terug te trekken in het liefderijke duister

van het hol, maar juist kwam Wolvin opdagen, gevolgd door Kazan. Zij

besnuffelde Baree vroolijk en Kazan kwispelstaartte, zeer bepaald op

hondenmanier. Dit kenteeken van den hond zou voortaan Baree's deel zijn.

Hoewel hij voor de helft wolf was, zou hij toch kunnen kwispelstaarten.

Hij probeerde het maar vast eens. Misschien zag Kazan deze eerste

poging, want hij gaf een gesmoorden blaf van goedkeuring, terwijl hij

zitten ging.

Of misschien zeide hij tot Wolvin:

„Zoo, nu hebben wij toch eindelijk dien kleinen rakker buiten het hol

gekregen, niet?”

Voor Baree was het een groote dag geweest. Hij had zijn vader ontdekt

en—de wereld.

De zoon van Kazan · 第 5 / 34 题