Tegen het einde van Juli 1914 ging eenieder gedrukt onder de
hevige spanning die over heel Europa was gekomen. Men voelde
het naderen van de verschrikkelijke orkaan die ging losbarsten. Het
was ontstellend grootsch en tragisch die algemeen-europeesche
ontroering. De menschen wilden niet den oorlog maar gingen voort
naar het onvermijdelijke met den stijgenden angst in hun hart. Wij
wisten op ons machten wegen, zwaarder dan de blokken waaronder
de helden van Aischulos gebogen gingen. Die duister-werkende
machten zouden, fataal, den oorlog ontketenen waarin alle volken
dooreen gingen woelen als in een maalstroom.
's Vrijdags, in den nacht van 31 Juli, hadden de klokken van alle
torens in Belgie storm geluid, als in de tijden der oude Gemeenten.
De groote klok, Carolus, bromde een uur lang, hoog in den hemel,
boven het donkere Antwerpen en alle klokken van alle kerken, ver
en bij in de stad, beantwoordden de zware en sombere stem die nu
den nood verkondde. Tusschen twee fakkeldragers, in den rooden
gloed hunner brandende toortsen, had een politie-officier, op de pui
voor het stadhuis, het bevel tot de algemeene mobilisatie afgelezen.
De nachtelijke straten zagen zwart van 't krielende volk dat rondliep
in groote opgewondenheid. De politie-agenten gingen van deur tot
deur en riepen overal: "Met of zonder brief eenieder moet zijn depot
vervoegen"--Want er was haast bij en alle soldaten konnen niet
regelmatig aan huis verwittigd worden.
Maar die algemeene mobilisatie was toch maar om de grenzen te
bewaken, om, als in 't jaar 70, de overloopende vijandelijke
soldaten te ontwapenen en onze onzijdigheid te doen eerbiedigen
zoo dachten we toen nog... Het was wel hard in den vroegen morgen,
van zaterdag, al die reeds bejaarde mannen in hunne vaak-niet-meer-
passende militaire uniformen afscheid te zien nemen van vrouw
en kinders, maar gevaar zouden zij toch niet lijden. Het was een
drukte aan alle stations. Ik zag moeders weerkeeren met betraande
oogen als van een laatst en hopeloos vaarwel...
De angst der menschen uitte zich te Antwerpen, lijk overal, door het
loopen naar de winkels om hun noodrust, door het bestormen der
Banken voor hun geld. Honderden en honderden stonden te
wachten voor de gesloten poort der Nationale Bank en de opeen-
gepakte drom slingerde weldra, langs het voetpad, heel het gebouw
rond. Aan de deuren der kruideniers wachtten de koopers hunne
beurt af en stonden in lange rijen tot op de straat. Het was te zien
hoe vooral de rijken nu met zich zelf bekommerd waren; zij reden
huiswaarts in met eetwaren-volgestapelde koetsen en deftige stijve
burger-vrouwen waren niet verlegen om, met zijn tweeën, zware
pakken naar huis te dragen.
De oorlog was verklaard door Oostenrijk aan Serbië en achter-
eenvolgens ook door Duitschland aan Rusland en Frankrijk. Hoe
had die oude vermolmde Habsburger, Frans-Jozef, het aangedurfd,
met een voet in 't graf, nog te bevelen dat honderd-duizenden
jonge menschen voor hem zouden sterven! Ik hoor nog het
onheilspellende roepen "la guerre! la guerre!" van de gazetleurders
die langs mijn vensters draafden. Tegelijk kwam ons het nieuws toe
van den moord op Jaurès. Ging er misschien revolutie ontvlammen
in Frankrijk, na al wat er in de laatste dagen voorviel. Alle horizonten
waren vol verschrikking.
Ik voelde seffens die beklemdheid om het hart die de voorbode is
van alle geweldige dingen die met ons gebeuren.
Verantwoordelijkheden schoten wakker. Wat moest er gedaan
worden? Kommernissen kwamen op. Wat ging er met ons land, met
nabestaanden en vrienden niet gebeuren? Het was uit met de orde,
de rust, het schoone harmonische bewegen van het vredevolle
leven, het stille en zekere wentelen van de dagen.
En toch bleef er hoop dat wij in Belgie buiten het groot conflict
zouden zijn gebleven. Het was wel beangstigend de orkaan zoo
nabij te weten, maar wij voelden ons nog veilig in ons land. Waren
wij geen onzijdige staat, door de oorlogvoerenden plechtig erkend
en beschermd?
Ik herdenk nog altijd dien zondag, 2 Augustus. Wij genoten in Belgie
de laatste uren van den vrede... Ik was met mijn gezin in ons
zomerhuisje te Capellenbosch. Door de groote spiegelruit van het
lange lage raam der leefkamer, lag het schoone landschap van
onzen hof, open, in al zijne groene zomersche pracht. De
schildering der kamer in oranje-roze kleur, de antieke meubels, de
bloemen die de kamer versierden, alles rondom ons sprak
van geruste weelde. De groene muziekkamer lag zoo stemmig,
tusschen de opengeschoven, rood-gebloemde zijden gordijnen en,
in de kleur-ramen boven het klavier, droomden donkere populieren
bij spiegelend water. Door het kleine venstertje dat van mijn
werkplaats op de leefkamer uitzicht geeft, kwam een roze schijn van
de donker-rood geschilderde muren. Wonderbaar samentreffen, na
het middagmaal, bij de koffie, had ik voorgelezen uit het boek van
Léon Bloy, "Sueur de Sang," waarin de baldadigheid der Duitschers
beschreven staat in 't jaar '70. Wij dachten toen nog dat het maar
literatuur was. Hoe rap zouden wij leeren dat het slechts,
getemperd, de afschuwelijkste werkelijkheid weergaf.
Ik ging daarna in den gang zitten in een ligstoel met Oorlog en
Vrede van Tolstoj, open op mijn knieen. Maar ik las niet. Is het
noodig te lezen wanneer je eigen gedachten bewegen schooner
dan je ze in een boek kunt vinden? Ik zag alles in een wonderen
glans. Het was of ik het waarlijk met weemoed,--te veel angsten
waren reeds geboren,--voor het laatst zoo rustig zien zou. Ik
mijmerde op een tekst uit het evangelie van den dag: "Gij hebt
uwen vrede niet gekend..." De purper-blauwe muren van den hall
waren rondom mij, ginder hoog was een fries van oranje rooskens
en boven mijn hoofd de kleurige koepel met een roode bloem in 't
midden. Boven de groote openstaande huisdeur waren drie
engelen in geschilderd gebrand glas, met amethisten vleugels en
oranje bloemen aan hunne voeten. Achter mij wist ik het perspektief
van ronde bogen die den gang vormen en uitzicht geven op de
rosse stammen en het grijze groen van ons mastenbosch, waaruit
nu bij poozen een zacht gemurmel werd vernomen. In den grooten
boog der open poort, als in een kader, lag de hof en de blauwe
hemel daar boven, als een wonderschoon schilderij. Het had nu en
dan zoo wat geregend, van dien zilveren zachten zomerregen die
alles nog schooner maakt. Het regende nu niet meer. De witte en
gouden wolken dreven lijk schepen door de blauwe lucht. Soms
hoopten zij te samen achter en boven de boomen van het eilandje,
in den vijver voor het huis, tot hooge ontzaglijke bergen en reuzige
ijstoppen. Er kwam een windje door de witte berken, in de
grasvlakte, en er regenden blinkende druppeltjes van de fijne
trillende blaadjes. Het was of de boomen rilden van een heimelijken
wellust in de warme gulden zon...
Over den weg, van aan de verre hof-poort, kwamen toen buren
aangewandeld. Ik dacht aan een gewoon bezoek, maar zij stonden
daar voor mij met kommervolle gezichten.
--"Luxemburg is bezet! Weet ge 't al? ... Het lijdt geen twijfel of België
zal worden overrompeld."
Zij vroegen om raad wat ze doen moesten. Zij dorsten niet meer
buiten te blijven, zij waren bezorgd voor hun meisje. Ik ontwaakte uit
mijn droom en werd daar, opeens, gesteld voor een oorlogsvizioen:
overrompeling, brandstichting, moord, plundering, verkrachting...
Mijn huisgenooten kwamen toen ook buiten en er werd gesproken,
bekommerd en vertrouwend dooreen. Mijn oude vader lachte "met
al dien ongewettigden schrik" zooals hij 't noemde. Zijn hof was de
wereld en hij zag hoe rustig de blauwe hemel er boven stond, hoe
goed de perzikken rijpten op zijne fruitboomen, hoe weelderig de
erwten en de boonen oprankten langs de staken. Het kon niet zijn
dat de Duitschers onze onzijdigheid zouden schenden...
Maar van af dat oogenblik was alle rust uit mij heen en ik
voorvoelde, vaag en onduidelijk, al de ellenden die over ons
land en ons zelf gingen komen. Het is zoo altijd met groote
bekommernissen. Je weet niet juist wat het is of wat zal gebeuren
maar je hart wordt zwaar van drukkend en nijpend wee en het
harmonische bewegen van den geest verzwindt in een chaos van
duister-woelende gedachten en onbestemde angsten.
Dienzelfden avond, om 7 uur, overhandigde de duitsche gezant te
Brussel eene nota aan onze Regeering waarbij vrije doorgang
gevraagd werd voor het duitsche leger op ons grondgebied. Het
was de onvermijdelijke oorlog.
Maar dat wisten wij toen nog niet, dien zachten schoonen avond,
den laatsten avond van den vrede.