Aan den lezer.
Jan Stukadoor heeft een antwoord aan Piet Schaver geschreven, [29] en
ik ben hem gaarne behulpzaam om het onder de oogen van zijn kameraden
te brengen.
Dat de man het beter met hen meent dan Schaver uit zijn brief heeft
willen opmaken, daarvoor kan ik instaan.
Was zijn hoofddoel, om den werkman allereerst te waarschuwen tegen
een onmogelijk communisme, waarmee men, in navolging van elders,
ook ten onzent de hoofden op hol zoekt te brengen, hij wenscht niet
minder van harte dat er spoedig verbetering zal komen in het lot van
zijne standgenooten, indien zij werkelijk reden hebben tot klagen in
deze dure tijden.
Jan Stukadoor is een eenvoudig man, die de groote sociale quaestie
evenmin zal oplossen als Pieter Schaver, al meenen zij beiden er iets
op gevonden te hebben; maar ik meen toch dat èn Stukadoor èn Schaver
wenken geven die der overweging wel waardig zijn. De philanthropie kan
slechts den arme te hulp komen. De werkman moet door eigen krachten
tot een beteren toestand geraken. Doch de standen die boven hem
zijn, dienen hem daartoe de hand te reiken en allerminst in den
weg te staan. De rijken, zegt Jan in zijn eersten brief, kunnen
best betalen. Welzeker! Maar de rijken--en ook allen die zich, 't
zij meer of minder tot den gegoeden stand mogen rekenen, zij willen
niet genieten ten koste van den nijveren werkman, wien dikwerf het
noodigste voor zijn gezin ontbreekt, en die zijn kinderen moet laten
arbeiden in stee van ze te doen onderwijzen. De rijken in ons vrije
Nederland willen niet rijk zijn ten koste van den armen werkman,
die in 't zweet van zijn aanschijn of met verkleumde handen hunne
kostelijke huizen bouwt of de weelde van hun salons helpt verhoogen.
En de Nederlandsche fabrikanten en werkbazen, ook zij begeeren hun
winsten niet ten koste van hen, die voor hen den arbeid verrichten. Hun
hart zal hen dringen om steeds vaster de handen ineen te slaan tot
het beramen van de middelen, die den werkman zullen opheffen uit
zijn veelal beklagenswaardigen staat. Maar ook, Jan Stukadoor heeft
het reeds gezegd: van het onredelijk opdrijven der loonen kan de
werkman geen duurzame verbetering van zijn lot verwachten. De loonen
moeten--naar gelang van den arbeid--in billijke evenredigheid staan
tot de prijzen der eerste levensbehoeften.--Mijns inziens heeft Jan
zijn beste woord aan het eind van dezen brief gesproken. Men leze en
oordeele of zijn denkbeeld voor verwezenlijking vatbaar is.
Dat dan door vereeniging van alle krachten de tijd spoedig moge komen,
waarin tevredene werklieden als Jan Stukadoor--indien 't beweren
van Schaver in dit opzicht waar moest wezen--niet langer tot de
uitzonderingen zullen behooren, is de oprechte wensch van