't Was een prachtige zomeravond.
Aan 't eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den
wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder
het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.
"Gij moet mij helpen," sprak hij met warmte.
Ik zag hem vragend aan.--Wij hadden over den toestand van het
ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers
zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.
"Zou ik u helpen? Ik?"
"Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de
werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten
uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme
wezens de handen inéén te slaan.
Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over
den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? 't Was mij alsof
ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond,
en men 't verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.
Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.
Hij begreep dat zwijgen.
"Je hebt kinderen, nietwaar?" hernam hij ernstig: "welnu, ga dan
de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug,
en--schrijf."
De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.--Ik
drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond
gesloten.
En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen
hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste--ach, hij
wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk--toen hij daar verhalen
moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen
noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een
enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer,
die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden
arbeid van 12-15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij 't wel
wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel
[22], van Le Poole [23] en anderen, en de uitkomst moest leeren of de
eenvoudige vertelling [24] inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen
in de schaal der menschelijkheid.
Landgenooten! 't Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.
In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast
werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende
in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm
had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der
commissie gekozen te zien.
Zeven jaren zijn voorbijgegaan. Zeven!
Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?
Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek,
omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke
taak?--Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien
slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie
mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier
maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig
onderzoek gunde.
Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken
klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd
heeft gebloed bij 't bedenken: En terwijl men nu past en meet en
weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort,
en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.
Nederlanders, 'k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren,
't zij uit onwetendheid, 't zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang,
te midden uwer verontwaardiging klonken, en den "novellendichter"
wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans
niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten, de commissie van
onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken,
heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.
Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in
't licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:
"Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij
andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat
die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te
langdurig voortgezetten arbeid."
Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen
bevestigd zien.
Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van
het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan
ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met
een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft
die uitspraak, terwijl ze mede 't bewijs is van oprechte trouw,
de grootste waarde.
"Wij zullen zien!" sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen
hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste
onderzoekingen klonk het reeds zachter: "'t Is erger dan ik dacht. Er
moet wat aan gedaan worden."
En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode
zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan
worden.
En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als "de beste
voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind", en om het
"de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te
verzekeren?" Hoort:
Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een
algemeen verplichtend schoolonderwijs.
Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen:
niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende
kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....
Stil! Weet gij 't niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het
schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde
commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken
brief heeft gevoegd?
"Mijn voorstel," zoo schrijft hij aan den Minister: "moet een geheel
ander zijn dan U door haar--de commissie--wordt aangeboden. Ik acht,"
zoo gaat hij wat verder voort: "dat een wet tot algemeen verplicht
schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande,
niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond,
het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden
slechten toestand te laten zooals hij is. Enz."
get. A. A. C. De Vries Robbé.
Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders,
landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ
dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze
hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener
zaak, die niet slechts een onderzoek vorderde, maar nu 't allereerst
beteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande
werd aan 't licht gebracht.
Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins
in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien
wenschelijk zou zijn?
Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6,
7, 8 en 9 Nov. 1869, der Nieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de
voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na
de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen
dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind,
inderdaad--maar zeker ter goeder trouw--een voorstel is geweest om
den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is.
Maar wat dan?--Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls
niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van
den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor
de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan
men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het
te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid
in ons eenig en dierbaar Nederland!?
Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die
bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden
om ook de vrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.
En spreken moet hij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld
van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem
der menschelijkheid te doen klinken?
Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin
te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regeling
vreest, zijn onbewezen mogelijkheden!
Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij
door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook
nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere,
het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?
Wat wij dan willen?
Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van
den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan
verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen
wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen
blijken te zijn. [25]
Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie--'t zij
dan moedwillig of uit gewoonte en sleur--menschenlevens verwoest,
en alzoo werkelijk "verrotting brengt in den Staat."
Wij willen dat er een wet kome:
omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer
noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het
kind en met straf bedreigt wie "zijn bestaan in gevaar brengt"; [26]
omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor
de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zij niet
te veel wil, doch wat ze gebiedt met gestrengheid zal handhaven.
Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil,
wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo
noodige handjes aanvullen, wie....!?
Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich de IJzeren-baan om
't verval langs den straatweg!--En immers, wanneer een machine naait
of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende
raderen kunnen vervangen.
En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun
niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen
stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de
zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er
van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd
houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in 't eind nog
beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in
't leven riep.
Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal,
heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer
Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op
de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen: Eerst
moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.
Nu zult gij 't weten waarom ik u schrijf.
Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, 't is omdat ik
wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne;
dat gij tot den Koning een adres zult richten 't zij in den volgenden
of in een beteren vorm:
Sire!
"Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is
gebleken slecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te
langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit
met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen
met Uwer Majesteits regeering een wet in 't leven te roepen,
die het arme fabriekskind tegen een onredelijke exploitatie
beschermen, en het zoo mogelijk de gelegenheid tot een
behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.
Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.
Ik weet het, Landgenooten, waar 't een werk der liefde geldt, en mede
in 't waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij
niet achterblijven.
En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen
zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk
voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen
die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de
sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche
industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien
wij te zamen mochten vlechten.
God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!
Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond,
toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende
graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het
woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderen zien die in de
fabrieken arbeiden. Ga ze zien!
En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote
machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze,
en roepen om hulp.
Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord: De openbare meening
moet zich krachtiger uitspreken.
Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind;
het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om
zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die
arme gemartelde natuurgenootjes.
OPENBARE BRIEF AAN ZIJNE EXCELLENTIE DEN
MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.
1870.
Ick bidde U Indien Gij heden geen
gelegenen Tijt hebt om desen Epistel
te lesen, doet het Morgen; maer by
Uwe veele drockten, vergeet denselven
niet.
Excellentie!
In de hoop dat dit schrijven in 't belang der arme fabriekskinderen
mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie,
Minister van Binnenlandsche Zaken!
Ik doe het met vertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter
harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester,
[27] tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige
Rapport der "Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen
arbeidende in de fabrieken".
Excellentie! 't Is U bekend: in 't jaar 1863 ontving de genoemde
Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.
Zij arbeidde zeven jaren.
Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.
En zij constateert dat.... zwart zwart is.
Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere
meening--volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit
haar ingediend Rapport--heeft zij een voorstel van wet gedaan, en
wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegen een onredelijke
exploitatie te beschermen, door eene wet tot Algemeen Verplicht
Schoolonderwijs.
De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven
hiertegen protest aan, met de woorden
"Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in
strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot
stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie,
zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten
zooals zij is."
Er verloopen vele dagen.--De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er
gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al
vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.
En toen?
Men wachtte op U, Excellentie.--Nietwaar: De arme kinderen hadden al
zooveel jaren gewacht.
Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de
Sombreff--de volksvertegenwoordiger--vraagt U in 's lands vergaderzaal:
"Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?"
En uw antwoord klinkt:
"De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken."
Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin
te verklaren:
Volgens mijne opvatting verstaat men door de openbare meening:
Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met
zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.--Neen, zij is
geen: "op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde,
overtuiging". En bovendien, zou dan Uwe Exc., na 't ontvangen van het
Rapport der Commissie, dat Rapport--inderdaad niet zonder cijfers--als
van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een
meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers
gestaafde overtuiging te vragen aan--de openbare meening!
Genoeg, Gij hebt de Volksstem willen hooren.--"Mannen van energie,"
zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: "zijn de Staatslieden,
die acht weten te geven op de publieke opinie".
Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers
zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen,
na het "hooren en wederhooren" der Commissie en haren president; maar
tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten
toegeroepen:
"Nederlanders, hoort ge 't wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger
spreken zult."
En de openbare meening heeft zich verklaard.
En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme
Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen
geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en--die
kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.
Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig
vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?
't Is zeer waarschijnlijk!--Maar ik herinner U, dat men met het
bedoelde kwaad, over 't algemeen slechts in fabriekplaatsen, en
dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U,
dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt;
maar tevens en vooral:
Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit
andere streken van ons Vaderland--die zelfs met hunne firma's op de
adressen aan den Koning prijken--een overwegende beteekenis hebben;
dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de
geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans
voor deze namen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen,
die--wel zeker gaarne in 't belang van arme kindertjes dat stuk aan
den Koning zouden teekenen, wanneer men 't hun maar voorleggen wilde,
doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: "En wat is nu
eigenlijk de zaak?" of, tastende in den zak: "En, hoeveel kost dat nu?"
Excellentie, de volksgeest wil verbetering van 't lot der
fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er
is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de
vraag: Vindt gij 't waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven
hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?
Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die 't feit dulden, ze
zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen
gaarne,--misschien meer dan goed is--maar spreekt men van de
ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een
werkkracht. Van een werkkracht. 't Is niet anders.--Wij hebben 't
vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.
Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.
Men heeft van vele zijden gesproken:
Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen,
arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen
een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen
verplicht schoolonderwijs.
Ten 2de. Reeds voorlang teekenden dertig Leidsche fabrikanten een
adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.
Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.
Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen kon in 't einde
niet zwijgen.
Ten 5de. Een adres der Twentsche Vereeniging van Handel en Industrie
kwam U in handen.
Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, 't welk artikels
wijdde in 't belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine
getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad
volmondig erkent, terwijl het zich daarna in vrome wenschen voor de
toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: "O mochten
eerlang....!" of: "Wij hopen van harte...!!"
Maar Exc., niet alle Nederlanders--al erkennen allen dat de toestand
van het fabriekskind verbetering behoeft--wenschen, zooals wij,
dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.
Ten 1ste. In 't vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der
regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid
moeten zich vrij ontwikkelen en bewegen.
Ten 2de. Het middel--zoo vreest men--zal erger zijn dan de kwaal:
Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid
worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten
aan 't werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien
wel verdubbeld, en--zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.
Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen
nog grooter worden.
Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door
onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder
arbeid worden genoodzaakt.
Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou
willen volgen, werkt--zoo beweert men--òf slecht òf gebrekkig.
Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zonder
groote en voor den Staat zeer drukkende lasten, die wet naar behooren
gestreng kunnen handhaven?
Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden
voorbijgezien.
Mag ik--zoo kort mogelijk--een antwoord geven?
Ten 1ste. Geen inmenging der regeering.--De grootste voorstander van
den vrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld
klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan, [28] dat
juist in 't belang van Volk en Nijverheid, de wetgever moet ingrijpen,
waar men 't kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze
exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.
Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik
vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dan toch voorzeker
niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de
Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch
weder van het "aan banden leggen der vrije Industrie" mocht sprake
zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheid
hier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.
Ten 2de. Gesteld dat het getal fabriekskinderen inderdaad werd
verdubbeld--'t geen niet het geval behoefde te worden--dan nog zou dat
dubbel getal een minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen
cijfer uitmaken.
Ten 3de. Men zegt: Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter
worden. Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste
fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in
plaats van 12-16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren
onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten
nagegaan, en bevonden heeft: dat de kinderen in 8 uren tijds juist
hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer
de uitkomsten elders--zoomede in Engeland--dit eveneens aantoonen,
dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad
met schouderophalen begroeten. Immers 't is een gezonde redeneering:
Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde
rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het
ergste geval--aangenomen dat de loonsvermindering plaats had--waarin
men toch zou kunnen voorzien--dan zal ze slechts tijdelijk en een
gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste
onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu
reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen,
meedoogenloos op te offeren voor de mogelijke, maar stellig ras
voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!
Ten 4de. Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgen is alweder
een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8-13 jaren, voortaan
bijvoorbeeld zeven uren per dag zouden werken, en drie uren schoolgaan,
wanneer ze zóó, tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers
wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de
ouders, 't zij in hunne woningen 't zij er buiten, nog een geschikte
gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen
geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den
Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-,
kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.
Ten 5de. De Engelsche wet--zoo beweert men--werkt slecht of
gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk
zijn. Maar wie beweren durft dat ze slecht werkt, ik vraag het Uwe
Excellentie: Zou een Engelsch Minister van Binnenlandsche Zaken,
zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid
der kinderen die in de mijnen arbeiden--eene wet in den geest van die
op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde
bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.
Of is die man krankzinnig misschien!
Ten 6de. De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd
worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende
lastpost zijn.
Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd
worden.
En de middelen...? Excellentie! indien het geld dan werkelijk een
bezwaar--ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste
bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent
voor 't geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten,
UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van een andere kinderwet
er tegenover.
Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eene belastingwet op de vóór-
of doopnamen in 't leven riep.
Mijne bedoeling is deze:
De eerste vóórnaam zal vrij zijn; doch de tweede met vijf gulden
belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men
voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de
geboorte-aangifte zou moeten voldoen.
Deze belasting--UExc. zal 't gereedelijk toestemmen--ware er eene die
niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag
van f 200,000 aan 's Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk
veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen
er zeker niet op verminderen zou. 't Ware een luxe-belasting in
't belang der armen.
"In 't belang der armen?" vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil
van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft
dat de armoede der fabrieksgezinnen--althans in den aanvang bij het
in werking treden eener wet--grooter zal worden dan zij reeds was.
"In 't belang der armen!?"--UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:
Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken,
die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen,
dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.--Men
roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen
philanthropie uitoefenen.
Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer
men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan
werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan
zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat
onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de
Staat zijn onderdanen in 't belang van Volk en Nijverheid--gesteld
dan!--verdiensten ontneemt, dáár moet hij tegemoetkomen. Ja
zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door 't begeeren van eene
schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den
aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van
't aantal kinderen, 't welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien
de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde
gevolgen der eerste--volgens die sombere beschouwingen--hielp
verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit,
dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor
diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.
Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,--ofschoon het
m. i. uitvoerbaar is--niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De
mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige
zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze
Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.--Wat den eisch
van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling
van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de
Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien;
het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo
dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven,
of desgevorderd het lancet in 't zieke vleesch te zetten.... dát is
de roeping en taak der Nederlandsche Regeering.
Excellentie, de zaak "der gemartelde natuurgenootjes", is er eene van
het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen
vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de
wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde
beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten,
en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan 't werk
te slaan!?
"Vrijheid, vrijheid in Nederland!" roept men ons toe: "Vrijheid
in ALLES!"--Welzeker! in alles! Loopt dan met revolvers gewapend,
gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat
de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander
instormen als 't u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit
in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en
dondert in 't rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!
Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.
Immers, 't geldt de vrijheid, de rechten dier arme kinderen.--Ik
weet dat UExc. het gevoelt: 't Geldt hier het leven van aankomende
Nederlanders, van toekomstige burgers, 't welk in de fabrieken physiek
en moreel wordt verwoest.
Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren,
maar bestrijden--ook in 't belang der Nederlandsche Industrie. De
volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij
hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de
handen aan 't werk slaat, ik bid U, vergeet dan toch de vele stemmen
onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral
niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens,
spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige
kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.
Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.
Met de meeste hoogachting teeken ik mij,
Uwer Excellentie's Dw. Dienaar:
J. J. Cremer.
En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren
later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de
fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.