MONTE-CARLO.

"Cet enfer de Monaco!" dat waren de woorden, die ik van een

teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen

van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger

wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een "hel"

gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij--volgens dat

geloof--wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.

Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol

geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van

licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook,

sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk

kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen,

in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet

zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.

Men noemt oneigenlijk den naam van het stadje Monaco, als men van de

plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een

kwartier verder westwaarts is gelegen.

Monte-Carlo! Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!

Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der

rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede

glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado

voeren.

Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.

In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht

der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in 't groen,

Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk

schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden

golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.

Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die

groote--die "blauwe zee!" blauw tot den horizon toe.

En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas'

boorden hier 't allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oud

Grieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon,

hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door

de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus

Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van

de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins

lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan--schrikt ge, want

ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!

"Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons."

"Ei, is dat de Tir aux pigeons!" Uit zekeren hemel was ik alreeds in

een soort van hel gevallen.

Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, 't welk ooit werd

uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas

door zoovelen zonder zelfverachting genoten.

Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, 't symbool der

zoetste liefde? Welnu, tweemaal 's weeks worden een aantal van die

bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit

hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke

gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.

De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar

uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te

ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan

dat knellende en martelende dak.

Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn

krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen,

en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De

arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen,

vallen! welk een voldoening!

Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of

ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi

terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen

later nogmaals aan dat "vermakelijke spel" te kunnen overleveren. In

het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer

te zien fladderen,--telkens weer zich verheffende, om het allengskens

afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee--die zich straks

over de arme ontfermen zal.

Men zegt dat ook vrouwen....

"Kom mee; we moeten verder!"

Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras

den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan

de zeezijde--met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch

de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras,

met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig

begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste

plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.

Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussen

met haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een

menschenhoofd, reusachtige aloë's, hier en ginder bloeiende met een

stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in 't rond,

purperroode camelia's, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen,

die hier voor geen wintermaand wijken.--En dan, langs die bosschages,

zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk

ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van

ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen,

tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het

witte zeil van een schip in de verte.

O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang

verloor haar lokstem nog niet.

Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte,

grootendeels kunstmatig, in 't aanzijn riep, toen heeft men wel

degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer

toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs

niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.--Reeds bevindt

ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.

Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te

Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.--Recht

voor u uit--over de geheele breedte van het gebouw--bevindt zich de

bal- en concertzaal, waar des middags en 's avonds een uitmuntend en

sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het

plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier

reusachtige, vergulde vrouwenbeelden--de priesteressen van een "gouden"

vrede--wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst

verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven

de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal,

die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op 't kwistigst

is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers,

zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer

gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.

Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden

zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal

nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.

Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te

zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis

aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal

ter linkerzijde der vestibule.

Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij

betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest

dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den

mensch ten minste nog vrij staat zijn geluk te beproeven!

Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote

speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op

Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.

Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij,

in 't midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan

twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere

stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide

uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan

de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets

minder sterk. Die "ambtenaren" worden van tijd tot tijd door versche

confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11

uren staat de affaire geen oogenblik stil.

En--tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen

en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers,

tusschen die dienaren van "la veuve Blanc", zitten mannen en vrouwen

van allerlei stand en leeftijd,--men zou zeggen "op 't eendrachtigst

saamverbonden" neer.

De Prince de X zit er naast den nommé Pyr, die als garçon de café

in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend,

na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.

Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde

matrone met elf ringen aan vijf vingers.

Inzonderheid om de tafels waaraan een speler--bij uitzondering--zeer

"en veine" is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden

verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een

onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan

gene tafel beproeft.

Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven

slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang

van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: "Tiens,

comme ce grand est en veine!" mijn oor.

't Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte,

met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde

boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden

mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren

zegelring.--Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder

der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs [19] werden

door hem op "rood" gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd

franc fladderden er naast.

Het balletje der roulette vloog in 't rond.

Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!

"Treize; noir, impaire; passe!" riep de croupier, terwijl hij schier

terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud

en zilver van zoovelen, die den man "en veine" op "rood" waren gevolgd.

Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst

eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blanke wimpers naar

omlaag,--prikkende in het speelkaartje--zijn kans te berekenen zat. Als

hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!

Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje

goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad,

blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en

gedurig schuw in 't rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna

zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje,

dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd

oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot

bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe

das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen;

Yes darling twenty-four, and black!"

Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde

bedoelt.... dat weet ik niet.

Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven

in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich

van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.

Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu

mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; 't is geen landgenoot, maar te Nice

heeft hij zijne kamer naast de onze.

Ja, 't is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam

beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had

fortuin; maar--het bekoorlijke vrouwtje--la gentille Alice B....--die

hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen

op den corridor ontmoet met oogen van 't schreien rood.

"Ah c'est lui qui l'a fait!" had men ons gezegd: "Il perd tout son

argent! la pauvre belle femme!"

En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met

de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem

van de haren dropen--ofschoon zijn uiterlijk voor 't overige zeer kalm

schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene

portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.--Hij opent een

portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik

het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk

wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.

Hij zet op 20--l'age d'Alice!

Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd

francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere

gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in

't einde het straks teruggehouden goudstuk op "rood" zet.

"Vingt; noir, pair, passe!" roept de croupier.

Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij

ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de

stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.--'t Wordt er hem te

benauwd.--"Permettez!" zegt hij opstaande, en als hij achter de massa

verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht

en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert,

den verlaten stoel reeds in bezit genomen.

Een zonderling gedruisch wordt op 't onverwachts in de zaal gehoord. De

menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt

eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt

alras luider.

Wat is er gebeurd? Men weet het niet.

De bankdirectie wil het niet weten. Een schandaal moet á tout prix

vermeden worden.--'t Is hier alles digne, hoogst fatsoenlijk!--La

banque, c'est la paix!

De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand

van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk

gesteld. 't Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt

zal zich vergist hebben.

"Messieurs faites votre jeu!"

Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt,

en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van

een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief,

die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich

al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen

"vriend"--een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, is

le nommé Pyr, garçon de café van Florence, en--'t werd reeds vroeger

gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien

om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de

lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.

Maar de man met den gevierden naam?

Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds

vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna

armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van

Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen

wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van

lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds

scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd,

dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.

De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de

jukbeenderen heeft, zegt kuchende: "Ich spiele im Nachtdunkel."

De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die

uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge

zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.

De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas

boven die speeltafels brandt, maar--le maître d'hôtel connait son

monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de

vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen

gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar

schatten plotseling in 't duister te zien gehuld.

En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen

plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlo

stroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de

richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van

Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men

in de speelzaal een goudstroom verwachten.

Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft

zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.

Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt

dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf

uren twaalf minuten vertrekt.

Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man

zich naar buiten. 't Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares

van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.--Ja, die oude

vrouw zal helpen;--Nu zijn vermogen het hare is geworden, nu zal zij

den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!

Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen

zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een

bergstroom doorwaadt.

Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.

De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal

hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....

Wie is zij? Wie was haar man!?

Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal

te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van

daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige

jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig

millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking

van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.

Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en

godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die

millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!

Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote

zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen

en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende

storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en

cypressen de schrille kreten wekt:

"Wij lieten ons goud ook in uwe zalen en stortten ons bloed ook naast

uwe bloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!"

En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?--Neen, duizendwerf

neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten,

dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.

Maar hij zelf, hij heeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote

God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst

van zijne jonge vrouw, en--van hun kind, nog ongeboren!

Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht.

Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten

van de reizigers der eerste klasse gezien.

Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis

in den morgen in 't Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de

terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden

kastanjes gebruikt--naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van

het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft

getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt

en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment

"un vrai Paillon" gelijkt.

Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man

getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt

het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in

woeste vaart.

Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel

van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem,

of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten

en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.

En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de

lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den

stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg,

heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat

een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.

Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein

van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfer van zijn Alice zou

hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!

En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en

storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren--waarmee hij

gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.--Misschien is er

een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij

Villefranche is men met herstellingen bezig en 't gebeurt wel eens, dat

de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard

"en veine" en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.--O! indien

hij eens alles had teruggewonnen!

--Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft

hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want,

ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles, ALLES verliezen

zou.--O God,.... als die tunnel eens ingestort was!

Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der

arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet

naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht

en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.

O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de

veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water,

neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de

kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier

overluid, sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard!

In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule,

't Is bij halftwaalf.--O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen,

ze moet kalm zijn.--Die laatste dagen van spanning hebben haar

angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht

den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die

vrees voor tunnels en levensgevaar, 't was overdreven.--'t Is immers

nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks

kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten,

en dan,--wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar

met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze

hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het

hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en

hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben

elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die

ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en

werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling

schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen,

en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel

droevig heeft geschreid.

--Ja, ja, zoo zal ze spreken,--of neen, aan dat schreien zal ze

hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten,

een gansch afgesloten verleden worden. Van de toekomst alleen zal ze

hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart;

van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.

--Hoor! daar klinkt een voetstap.--O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou

ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.

--Maar, hij is het niet.--De laatste trein kan ook nauwelijks

aanwezen.--Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.--Indien het

niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.--In den

nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den

portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te

zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als

het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als

zij wat onrustig wordt.

--Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar

lieven man ontmoeten, om hem een zoen--zoo'n innigen zoen te geven en

hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij "het beste" nog niet verloor.

Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en

luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van

den regen tegen de ruiten.

--O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,--zij wil zich

verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, 't welk ze in den namiddag

begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan

't eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden

gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze

Gérard. Ze hoort een schot....

En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante

kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw,

turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk

visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of

de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.

Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting

naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men

haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven;

immers wat deert het haar; zij wacht haar man!

En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een

leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt

de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht

van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang--zijn figuur. Ja,

hij draagt een lagen hoed.--Zie hij nadert.--Ondanks den plassenden

regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk:

een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: "Trop tard

petite; ma femme m'attend."

"O, Sainte Vierge!" krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar

donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop

nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel

zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort

en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig,

geheel en al ledig is.

Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo,

die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds

allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een

der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk

plantsoen, 't welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een

wijle in 't verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden

stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht

op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad

aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.--Maar

dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. 't Was immers zijn doel,

zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en

het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen

heeft zij hem gesmeekt--gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.

Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig

het bloed door de aderen gejaagd. "Terugwinnen!" is de lokstem geworden

van den satan--die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst

bleef toonen.

O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen

in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van

wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!--Ja zonder hem zal

zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken;

en--verlost van den "speler" zullen bloedverwanten en vrienden haar

met liefde omringen!

De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken

nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der

hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van

den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken,

wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade,

aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar

zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk

de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl

nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de

onderste treden klotst.

Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen

muur.--Dat is de doodskou!--Hij huivert. De klokken van Nice

verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van

dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.

Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen,

toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in 't wit satijn

en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde

zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de

reinste diamant........

--Haar diamanten!--Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de

kleinoodien, die Alice bezit.--O God, dat was de duivel!--De vonken

en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in

't bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het

goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!--rijk worden,

't is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde--een onmogelijkheid!

Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een

vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem

benauwen de borst. En de klokken van "Nizza la bella" brommen in dien

donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd

giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem

weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.

In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen

van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar

rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens

gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere

bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar

men vermoedde--zoo schreef men--moest de ongelukkige een nieuw

slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas

voorgoed naar 't scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche

Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht

achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van

zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van

het vorige jaar een twaalftal [20] te vermelden had, constateerde men

den volgenden dag niet slechts het droevige feit, dat de speeltafel

een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat,

de ongelukkige zijn zeer aanzienlijk vermogen tot den laatsten franc

toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid,

maar ook in bitteren nood had achtergelaten.

En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het

trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de

arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige

tranen heeft geschreid.

"O God!" roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze

zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man

werpt. "O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat,

mijn leven!"

En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.

Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar

getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar

teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en

arm. Maar zij--"Neen, neen" vleit ze op den zoetsten toon der liefde;

"Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen

in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven

voor mij!--O God! die arme vrouw!" en met een blik naar het vallende

nieuwsblad herhaalde zij: "Die arme, arme vrouw!"

En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die,

ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze

traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man

zich schaamde omdat--ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de

terugreis naar 't Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de

diamanten zijner Alice hadden opgebracht.

Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij

zeggen: "wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn

vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen

arbeiden en keeren voor eeuwig den rug----à cet enfer de Monaco!"

De lelie van 's-Gravenhage · 第 63 / 82 题