Mijnheer de courantier of uitgever, of hoe gij heeten moogt, ik,
ben zoo om en bij de zestig jaren oud, mijn vader heette Mispel en
was in zijn tijd schoolmeester te Dinges, mijne moeder was juffrouw
Mispel zijne vrouw.
Toen ik de school ontleerd was en geen slag had om als mijn oudere
zuster met de kleinen--wij waren met z'n dertienen--om te gaan,
zei vader: "Grietje kan 't wolle- en linnen-naaien, strijken en al
die aardigheden meer, ze moet dus maar 'n dienst zoeken en de deur
uit." 't Was koorn op mijn molen, want dat kinderdragen, daar wier
ik ijselijk moe van en toen zocht ik 'n dienst en ik kreeg er een,
en een bovenste beste ook als linnenmeid. Nu zult u zeggen: "Wat gaat
mij dit aan," maar wacht, ik ben er nog niet. 'k Hield veel meer
van mijn ouders en ook van mijn zusters en broers--tot de ergste
schreeuwers toe--toen ik in den vreemde was. 'k Stuurde dikwijls,
vooral met Sinterklaas lekkers en aardigheden naar Dinges, voor
vader en moeder en de kleuters, want ik verdiende een aardig duitje,
en verval was er, dat zou je niet gelooven. We waren in dien dienst
met z'n zevene booien: 'n gezelschapsjuffrouw die ook het huishouden
deed, 'n keuken- en werkmeid, ikke, 'n koetsier, 'n huisknecht die
ook palfrenier was en 'en tuinman. Dat doet er nu ook wel niet toe,
maar 't was zoo en daarom zeg ik het. 'k Zal me zelve niet prijzen,
daar hou ik niet van, maar vast is het waar dat ik eerlijk en trouw
was--al heb ik het nooit op schrift gekregen--en 't bewijs zal ik
leveren, want, net precies dertig jaren bleef ik bij m'n eerste lui
en als God ze niet twee maanden na elkaar had geroepen,--na vier jaar
geleden--dan was ik er nog.
Dat ik verschrikkelijk triest was toen mevrouw op d'r sterfbed me nog
goejen dag zei en prees dat ik altijd zoo ijvrig en trouw was geweest,
waar God me voor loonen zou, dat kan je begrijpen. Zij gaf mij de
hand en zei nog ten slotte: "Grietje in den hemel hoop ik je weer
te zien, dan zijn we allen gelijk." Ik zei: "Ja mevrouw," zei ik,
"dat benne we ook" en toen schoot mij 't gemoed vol en ik ging.
Nu, toen ze begraven was--mijnheer was haar voorgegaan--kwamen de
neefjes en nichtjes omdat er geen kinders waren, en hoezeerden in
huis, en alles van den vloer dat het een schand was. Maar weet je,
daar spreek ik misschien wel eens later van; voor 't oogenblik wou ik
maar zeggen dat Grietje Mispel, zoogoed als de beste in het testament
vermeld stond. Ja mijnheer de courantier of redacteur, ze hadden
er niet veel plezier in, die azers, dat aan Grietje de linnenmeid,
Aaltje de keukenmeid en Koendert den huisknecht--wij met z'n drieën
waren blijvers geweest, de andere booien trekvogels--een lijfrente
van vijfhonderd gulden vermaakt was. Nu het was zoo en ik dankte er
God voor, maar vooral ook de goede mevrouw, die ons een onbezorgden
ouden dag had verzekerd.
Koendert, die altijd vriendelijk was geweest, en 'en goed kameraad,
vroeg me, een maand of twee later, of we botje bij botje zouden leggen,
maar zie je, daar kon ik zoo dadelijk geen antwoord op geven. Zes
en vijftig, en dan nog trouwen! maar eindelijk.... Koendert vroeg
er zoo vriendelijk om en, ik gaf hem de hand en ja, we trouwden vijf
maanden later.
Zie je mijnheer, nu wonen we in een paar nette kamers, heel kneuterig
en we leven zoo stilletjes en hebben 't meisje van m'n jongste zuster,
die ook al rondom in de kleuters zit, bij ons ingenomen. "Wat kan
mij dat schelen," zegt u alweer, maar hoor, ik kom tot de zaak:
'k Heb altijd van lezen gehouden. De werkjes van 't Nut kregen
we altijd in de keuken; de kranten, als mijnheer ze uit had, ook,
en Koendert en ik we lazen 's avonds als we tijd hadden om beurten
voor en soms waren er kameraads die er plezier in hadden, maar de
meesten hielden er niet van en dommelden in. Zoo lezen wij ook nu
nog--behalve den Bijbel, dat spreekt toch vanzelf--de Haarlemmer en
't Handelsblad, wel vijf dagen later dan ze uitkomen, maar dat is
ons precies hetzelfde, en zie, nu las ik voor eenigen tijd in een
van die beide dat er een Dames-Courant bestaat, en dadelijk werd ik
nieuwsgierig om dat blad eens te zien.
't Jongentje uit den boekwinkel, die ons de oude kranten bezorgt, vroeg
ik er naar, maar weet je mijnheer, wat die ten bescheid gaf....? "'t Is
geen krant voor jou, juffrouw, 't is een dames-krant." Zie mijnheer,
met dat antwoord ben ik dagen doende geweest, en heb me honderd
malen afgevraagd, wie nu eigenlijk tot de dames en wie er niet toe
behooren. De weduwe van den sergeant-majoor Teleskoop, die wel eens
met haar breikous komt buren, spreekt altijd over de regiments-dames
en ze bedoelt er de onderofficiers-vrouwen mede, daar ze mee "op
en neer ging". Maar juffrouw Teleskoop draagt ook precies 'n muts,
zooals vroeger mijn goede mevrouw droeg, maar met veel meer linten
dan HEdl....!
Ja, mijnheer, ik was, al meer en meer over het damesschap en
de krant denkende, nog nieuwsgieriger naar uw blad geworden en
juffrouw Teleskoop, die mij gaarne plezier doet en zooals ik zeide,
een damesmuts draagt, haalde op een morgen toen ze toch winkelde,
voor mij bij den boekverkooper het eerste No. op bezien en kreeg er
een briefje bij dat een programma was.
Maar mijnheer, hoe zal ik u mijne verwondering beschrijven, toen
ik daar boven het eerste opstel al dadelijk las: "een woord tot
de vrouwen." De vrouwen! ik had er den krantenjongen wel met zijn
neus op willen drukken. De Krant voor Dames, maar het woord tot de
Vrouwen! Dat ik, mijnheer! geen dame ben, dat weet ik maar al te goed,
doch dat ik een vrouw, en meer bepaald Koenderts vrouw ben, dat zegt
hij wel honderdmaal daags.
Dat eerste stuk althans mocht ik, als ook tot mij gericht, wel degelijk
lezen, en dat ik het mooi vond, dat verzeker ik u. Zeg mijnheer,
wat meen je nu eigenlijk; is het een krant alleen voor dames en
stond er bij vergissing: Een woord tot de Vrouwen, dan pas ik er
voor; Koendert zegt: "Vlieg niet hooger dan je met eere kunt," en,
nu mijn nieuwsgierigheid om die krant eens te zien voldaan is, wil ik,
zoo zij niet voor mij en 's-gelijken wordt gedrukt, er niets van weten
ook. Maar, is het wel degelijk een blad voor alle vrouwen die smaak in
't lezen hebben, en had het eigenlijk: Een vrouwen-courant, of: Een
courant voor vrouwen en jonge dochters, moeten heeten--al klinkt zulks
ook minder voornaam--dan wil ik haar evenals de Haarlemmer geregeld
lezen, en zelfs nu en dan iets van de verschillende dames opstellen,
die ik alzoo in mijn leven ontmoette, gij kunt dan daarvan het een
of ander in gedachten houden om er misschien in een uwer stukken,
als 't u goeddunkt, partij van te trekken.
Zoo ik niets van u verneem houde ik de zaak voor afgedaan, anders
een regel antwoord aan haar, die zich hoogachtend noemt, Mijnheer de
Courantier of Redacteur,
Uw Dw. Dienaresse,
GRIETJE SLUIMER,
geb. MISPEL.
Arnhem,
30 April 1856.
P. S. We wonen bij Sliedrecht op de Varkesmarkt.
[Door juffrouw Sluimers brief in zijn geheel in dit No. op te nemen,
alsmede door HEdl. een present-exemplaar van ons weekblad aan te
bieden, toonen wij dat het ons eene eer is HEdl. onder de lezeressen
en inzonderheid onder de medewerksters aan de Dames-Courant te
mogen rangschikken, terwijl wij, met de verzekering, dat wij met
dien titel niets anders dan eene Courant voor beschaafde lezeressen
bedoelden, haar vriendelijk uitnoodigen om spoedig aan hare belofte
te voldoen. Wij zullen de stukken gaarne plaatsen en ons maar zooveel
noodig, in taal of spelling, kleine veranderingen veroorloven.]