GEDACHTE OP DEN LAATSTEN AVOND VAN EEN DROEVIG JAAR.

De Bestuurder van den Spoortrein, waarmede wij allen reizen, schijnt

jaarlijks al meer en meer snelheid en vooruitgang te beoogen.

Wat halen de Engelsche en Duitsche Spoorweg-Maatschappijen bij de

onverpoosde snelheid, waarmee de Tijd ons met zich voert.

't Was een droeve landstreek, die wij voorbijgingen sedert het vorige

Station; ja, 't was wel het droevigste en somberste gedeelte der

geheele reize.

De lucht was zwart; 't verschiet lag in een donkeren nevel; het

liefelijk gekweel der vogelen deed zich niet hooren, hunne reine

zangen waren door den stormwind weggeloeid.

Maar bovenal zagen wij droevig voor ons neer, toen een lieve reisgenoot

ons had verlaten; toen hij de plaats zijner bestemming had bereikt,

en wij voorwaarts moesten--voorwaarts zonder ophouden.

Ja, het valt hard den beminden reisgezel te moeten achterlaten. Nog

zit men gezellig bijeen; nog verlustigt men zich in zijn opbeurende

gesprekken; nog beschouwt men dat vriendelijk gelaat, en drukt hem met

teederheid de hand;--hij verlaat ons, en voordat wij nog recht kunnen

beseffen, dat hij niet meer bij ons is, staat hij reeds zoo heel heel

ver van ons verwijderd. Wij zien nog eens om; en ja--wij ontdekken hem,

maar het is slechts flauw--dat telkens omzien valt ook moeielijk--nog

eens--doch nu worden zijne trekken al onduidelijker; zijne stem kunnen

wij niet meer hooren--de groote krachtige sleepmachine vliegt steeds

voorwaarts, en--wij zien.... niets dan den zwarten nevel, die hem

aan onze oogen onttrekt.

En nu: de bengel van een volgend station klinkt ons weder in

de ooren. Wij zullen met een ander nommer doorstoomen--alweder

sneller. Schijnbaar gaat het een oogenblik langzamer, doch neen,

wij houden niet stil: Voorwaarts gaat het, voorwaarts zonder ophouden!

Heeft men het kwade gehad, dan volgt meestal het goede.

Na zware schokken en groote vermoeienis volgt eene zoete rust.

Wanneer de donkere wolken zijn weggedreven, dan zal het zacht azuur

ons weer vriendelijk in de oogen stralen, en zullen wij met een helder

zonnetje vroolijk mogen doorstoomen.

Tevredenheid moet bovenal onze onafscheidelijke reisgenoote zijn;

de groote sleepmachine toch schenkt ons geen oogenblik tot verademing.

Of gij de reize moede wordt of niet, daar stoort zij zich niet

aan. Voordat gij aan de plaats uwer bestemming zijt, kunt gij niet

rusten; al hebt ge 't nog zoo hard op die houten banken der derde

klasse,--al vermoeit gij u nog zoo in die stootende wagons der

middelklasse,--al glijdt gij nog zoo dikwijls van die roodlederen

zittingen,--ja! al geeuwt gij ook en al verveelt gij u ook in die

mollige kussens der eerste klasse--'t baat u niet of gij klaagt,--gij

moet mede.

Doch, mort niet, gij, die met weinige stuivers uwe reize moet

vervolgen.

Wordt niet moedeloos, brave reizigers van den middelrang.

En gij--gij vooral--geeuwt niet, die daar makkelijk in het dons wordt

gewiegd. Ziet--gij hebt niets dat u hindert; ziet, ú juist valt het

zooveel lichter uw geest te verheffen. Waarom verveelt gij u? Hebben

de reisgenooten op de harde banken en roede zittingen niet denzelfden

droeven tocht te maken, dien gij te volgen hebt?

Maar nog ééne bedenking: Wij zijn vreemdelingen in deze streken;

wij weten niet hoe lang de sterke machine ons nog zal medevoeren; wij

kennen de plaats niet, waar wij moeten afstappen, en kunnen evenmin

den juisten tijd bepalen, waarin wij met een ander voertuig naar ons

eeuwig verblijf zullen worden overgebracht.

Daarom is de Waakzaamheid nuttig en noodzakelijk.

Laat ons niet insluimeren op de donzige kussens; indien wij sliepen

zouden wij het doel onzer reis, onze ware bestemming lichtelijk

missen. Hoe nuttig zijn de schokken,--hoe goed is het, dat nu en dan

zelfs een lieve tochtgenoot ons verlaat!

Ziet, dáárdoor blijven wij wakker; dáárdoor worden wij tot waakzaamheid

gewekt.

Moet men niet met verlangen het onbekende Land te gemoet gaan? Wilt

gij liever slapen dan het schoone aanschouwen?

Zijt dan te vreden, en waakt!

Verlaat den wagen niet voordat gij geroepen wordt.

Vrij vermoeie u de reize.--Na uwe aankomst vindt gij rust--rust

en vrede!

De lelie van 's-Gravenhage · 第 35 / 82 题