Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade
was een reuzin.
En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich
Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot
en hoog.
En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan
had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon
op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners
er boven uitspringen, en glanzen in 't zonnelicht; maar ook, als de
wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers
met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan
de Schelde was!
En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster
zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg
den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderend
halt door de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en
greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er
kraakte en schokte.
En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd,
dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.
En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of
anders--anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting
aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!
Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige
burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want--deden zij
't niet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met
zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van 't lijf, en wierp ze,
och arme! ten aas voor de visschen in 't diep van den stroom.
En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef
rustig zijn tol en schatting heffen--of wel, hij greep de schepen
bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel
een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en--het kappen van
der weerspannigen handen, en het Handwerpen in de Schelde bleef zijn
geliefkoosd vermaak.
Maar Brabo nadert.
Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht
om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen,
om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.
En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat
Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht
de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo
zal ze houwen in eeuwentartend graniet.
En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun
beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de
oogleen des geweldigen toe,--en de schippers varen ongehinderd voorbij.
En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de
sterke in 't einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen
van een tweede als hij--het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus
zelf--gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit
gehoorde zilveren tonen van Brabo's stemme en lier, rukt hij zich,
bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te
verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.
Maar ziet, Brabo's stalen beitel snort door de lucht, en treft er den
kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter
aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren;
en die beiden--zijn de laatsten van hun geslacht.
Leve de Verwinnaar!
En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was,
toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met
blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held,
een schoone stad op den oever der Schelde--waarvan de reuzenburg de
hoeksteen bleef--en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:
Antwerpen.
En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne
kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo
den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne
liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!
Maar toch--toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds
rondwaart door Antwerpens straten; dat hij--ofschoon de held der
beschaving hem versloeg--nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken
in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon
nog immer meewerkt tot den roem van Brabo's nakroost.
Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe
wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen,
en er de achtkante tafel--Antigoons steenen disch--ter zwaarte van
tweemaal zesduizend kilo's, nog hooger dan viermaal honderd voeten
optillen dorst....?
Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw
veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot
klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op
't midden der "groene plaetse"?
En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den
kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en
gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De
meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte [3] van Noord en van
Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom
griffelen deed in 't eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen,
die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld
genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester--door verspreiding
van licht en beschaving, in beeld en in schrift?
Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet,
zij lacht vroolijk.
Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte
uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van 't genie te zaam aan
uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders
van éénen stam met warmte aan 't harte drukten; dat de zonen van
't machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun
aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders
één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van
Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle
strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle
zonen der Kunst....?
En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens
straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u van de gevels
der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....
Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij
langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige
banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den
weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve
Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.
Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden
God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?
Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God,
als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen,
die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd
opnieuw miskenden en heiligen God.
Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele
vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige
waarheid is:
Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich
zelven!
Liefde voor God en de menschen!
Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel
der Kunst.
En in dien tempel--Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één,
dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij
gebrekkige vormen in beeld of in schrift.
En ziet--nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van 't
genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij 't aanschouwen van
dien slavenroof aan Afrika's kuste. Uw harte bloedt bij het angstig
bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel
ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt. [4]
Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook, hoe zij haar God zocht te
dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet,
die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks
haar ten vure zal doemen? [5] Neen, neen! gij hoort haar angstkreet,
haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de
aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des
verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf
der Kunst--zij wekt ons tot liefde.
Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe
arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen
kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van
uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de
truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat
paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen. [6]
Arme vrouwe, wij weten 't wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd
op het doek, doch--aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen
van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft
gefluisterd van broederliefde, en,--broederliefde en christenzin,
zijn die beide niet één.
En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst
maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke
schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen,
woelende zeeën, tintelende luchten! En--als gij dan den maker prijst
van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem
der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat
alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!
Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door
de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij 't ook hoe gij
daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;--hoe gij daar vrijheid
eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven-
den broedermoord;--hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat
en voor godsdienstkrijg;--hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de
armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen
zooveel;--hoe ge daar leeraart en predikt: 't is er zoo goed aan den
huiselijken haard, 't is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?
O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt
ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij
die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!
Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare
niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is
er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal
in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau's lied in den
Feërieken lusthof ook allen het harte getroffen.
O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als
in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de
woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee
van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan,
de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in
heur diep diepe blauw.