CHARLOTTE EN HET GEHEIM.

Mademoiselle Rochefort neeg voor de binnentredende jonge dame en zegde

met aangename stem:

—Charlotte! Zoo heette mijn mama ook. ’k Behoef dus niet te zeggen dat

het mij aangenaam is u aan mijn hoede te zien toevertrouwd.

Charlotte La Rougière keek haar nieuwe gouvernante eenigszins uitdagend

aan en antwoordde bits:

—Ik hoop dat wij gedurende de lesuren, en ook op de zèldzaam

mooie—hierbij drukte zij kolossaal op ieder woord!—wandelingen, het met

elkander kunnen vinden. Ik heb vroeger weleens gedacht dat meisjes met

hun gouvernantes vriendin konden wezen, doch mij is het niet mogelijk.

Ik haat alle gouvernantes.

—Afgezien van uw meening—antwoordde Mademoiselle Rochefort—moet ik u

allereerst verbieden mij op een dergelijken toon toe te spreken. Al ben

ik hier gekomen om u te dienen met mijn kennis, daarom ben ik nog geen

slaaf! Onthoud dat voor eens en voor altijd. Gij wilt geen vriendin in

mij zien. Dat heeft uw papa mij daareven al gezegd. Ik ben dus

uitsluitend je gouvernante! Goed. Maar dan hebt ge mij ook als zoodanig

te gehoorzamen.

—Charlotte, Mademoiselle—zeide nu La Rougière—heeft, zooals ik u

daareven al opmerkte, een te hoogen wil. Ik wil dien met u wat minder

sterk maken. Het verheugt mij dat u dermate optreedt en twijfel er niet

aan of het zal best gaan. Thans moeten wij weer tot ons gewone werk

weerkeeren. Mag ik rekenen dat u hedenavond uw eerste muziekles geeft

aan Charlotte?

—Muziekles?—Een moment blikte er een vuur uit Mademoiselle’s oog. Doch

ziende dat dit La Rougière onaangenaam was, zeide zij veel kalmer:

—Met genoegen, Monsieur. Ik zal de eerste les geven, in uw bijzijn.

—Prachtig. Charlotte—vervolgde hij tegen zijn dochter—wijs Mademoiselle

de kamers, welke de hare zijn. Deze hier is de zitkamer.

Geruischloos ging La Rougière weg en Charlotte noodigde haar nieuwe

gouvernante uit haar te volgen.

Zwijgend gingen de twee vrouwen de duistere gangen door en kwamen aan

Mademoiselle’s slaapkamer.

Toen deze de gordijnen weer had opengemaakt, en zij naar buiten blikte

waar de zon zonk achter de grillige rotsen, zeide zij:

—Hier wil ik mijn zitkamer hebben.

—Dat wil papa niet.

—Ik zal ’t hem vragen.

—’t Helpt niet.

—Kindje, waarom zoo verbitterd?

—U behoeft nu zoo lief niet te doen. Ik word hier gesard, bespionneerd!

O God! ’t is vreeselijk.

—Vertel mij dan wat je deert. Luister eens.

—Doe geen moeite. U hebt met Papa gesproken. Ik weet dit. U moet mij in

toom houden. U moet mij drillen!

—Althans als ik wil—viel Mademoiselle in.

—U hebt het papa beloofd.

—Niet zooals gij dat bedoelt of denkt.

—Ik vertrouw u toch niet.

—Dat vertrouwen komt nooit, als ge zoo blijft voortgaan. Ik zal

probeeren het te winnen.

—Doe geen moeite.

—Gij zijt bitter. Als ge wat langer met mij omgaat zult ge wel zien dat

ik geen rancunemaatregelen nemen zal over de manier waarop gij mij

verwelkomde.

Peinzend stond Charlotte daar.

Het blanke, door zwarte lokken omgeven hoofd geleund tegen den

middeleeuwschen schoorsteenmantel, was zij een penseel waardig en al

Mademoiselle’s kunstgevoel kwam er door naar boven.

Wat moest er in dat hoofdje omgaan.

—Hoor!—zeide Charlotte—ik wil erkennen dat ik zeer onhebbelijk was toen

ik kennis met u maakte, maar Papa zorgt er ook voor dat ik met niemand

in aanraking kom. Ik kan voor Papa’s gouvernantes géén achting

gevoelen, omdat zij medewerken aan een onhoudbaren toestand. Vergeet

dat niet. Ik ben jong en van mijn tijd. Opgesloten ben ik. Opgesloten

als dier-mensch. Ik wil niemand mijn vertrouwen schenken. Eens deed ik

dit de vorige gouvernante, doch deze verraadde mij, laf genoeg, aan

Papa! Met u zal ’t zelfde wel gebeuren.

—Ge vergist je, Charlotte.

—Geef me ’t bewijs!

—Welk?

—Dat ge Papa weerstaan durft.

—Waarin?

—Bijvoorbeeld in uw eisch hier uw zitkamer te willen hebben.

—Goed. Ik zal het doen.

In een der zalen van „Bartram-Haugh” stond een vleugel, en daarom werd

deze zaal muziekzaal genoemd.

Karig, evenals al de andere vertrekken, was ook deze zaal gemeubileerd

en ware het niet dat de vleugel een prachtstuk was geweest, de zaal had

een erbarmelijken indruk gemaakt.

Het was hier dat Mademoiselle binnenkwam na een waarschuwing van den

stommen huisknecht, die door middel van een leitje mededeelde dat

Rougière en Charlotte wachtende waren.

Mademoiselle trad direct op La Rougière toe en vroeg:

—Monsieur, hebt u ook een bepaald uur, dagelijks, waarop wij elkander

kunnen spreken?

—Waarom vraagt u dat?

—Omdat ik bijvoorbeeld nu iets te vragen heb.

—Ga uw gang.

—Zie, ik heb mijn kamers gezien en wenschte uw goedkeuring te vragen

over een verandering, die ik maken wil.

—Een verandering?

—Ja. Mijn zitkamer moet slaapkamer worden en mijn slaapkamer moet

zitkamer worden.

—Dat kàn niet.

—Waarom niet?

—Dat is tegen mijn wensch.

—Maar tegen mijn wil—antwoordde Mademoiselle.

—Toch kan het niet.

—’t Spijt mij, maar dan zullen wij doen alsof ik slechts dezen dag bij

u op bezoek ben geweest.

—Hoe bedoelt u?

—Morgen vertrek ik.

—Best. Wanneer gaat u?—vroeg La Rougière.

—Zoo vroeg mogelijk. Als u die idiote poort opendoet en de brug

neerlaat, wil ik thans nog wel gaan.

La Rougière fronste het voorhoofd.

’t Was dus meenens. De nieuwe gouvernante zou weggaan!

—Heden gaat niet meer—zeide La Rougière.—Morgen vroeg kunt u heengaan.

U hebt gelukkig nog geen kennis opgedaan van de gewoonte hier en zult

dus gemakkelijker scheiden dan wanneer u geruimen tijd hier waart

geweest.

—Lang ben ik niet bij u geweest, maar toch lang voldoende om te

begrijpen wat hier gebeurt,

—U zegt?

—Dat ik maatregelen nemen zal.

Als geëlectriseerd sprong La Rougière op. Hij beheerschte zich evenwel

op een meesterlijke manier en met een glimlach om de lippen zeide hij:

—Wij waren niet verstandig, Ik stelde u op proef en gij begreept mij

niet. Uw wil is dus ernst? Dit wilde ik alleen maar beproeven., Anders

niets. U kunt mijnentwege de kamers verwisselen.

Mademoiselle Rochefort zeide niets anders dan eenvoudig:

—Dank u vriendelijk.

Toen wendde Charlotte zich om. Haar oog bleef even gevestigd op haar

gouvernante, doch zij bemerkte aanstonds dat haar vader glurend het

tweetal vrouwen zat te bespionneeren.

Geen minuut viel Mademoiselle uit haar rol.

Zij gevoelde dat zij tegenover dien man een rol, een comedie spelen

moest, want zij vermoedde iets raadselachtigs. Iets vreeselijks. En

Charlotte was het middel misschien om achter die geheimen te komen.

Dat was evenwel van later zorg. Eerst geprobeerd het vertrouwen te

winnen van Charlotte, misschien was deze ook wel zeer ongelukkig.

Charlotte speelde niet slecht, maar zonder begrip.

Met gestrengheid wees Mademoiselle Rochefort Charlotte op de fouten. En

dit deed zij op zulk een manier, dat La Rougière in de meening

verkeerde dat tusschen deze twee dames nog absoluut, geen vertrouwen

bestond en dat, mits hij daar zèlf maar zorg voor droeg, dit ook nooit

komen zou.

Het muziekuur liep ten einde en Charlotte keek al met smachtende

blikken naar Mademoiselle, doch deze voelde voortdurend zich bespied,

door La Rougière.

Zij kon dus onmogelijk iets zeggen of eenig teeken aan haar leerling

geven.

—Het is mijne gewoonte—zeide Mademoiselle, toen de les geëindigd

was,—dat ik altijd een stukje naspeel. Ik wil van die goede gewoonte

niet afwijken.

Zonder antwoord af te wachten, ging zijn voor den vleugel zitten en na

eenige accoorden te hebben aan geslagen, speelde zij een machtig stuk

van Bach, dat door haar vòl gloed en temperament werd voorgedragen.

Toen, ineens opende zij haar mond en het teedere lied:

Es ist bestimmt in Gottes Rath,

Das man vom Liebsten, was man hat, Muss scheiden. [1]

weerklonk, gezongen met haar zilveren sopraanstem.

Toen Mademoiselle hier was genaderd, sprong La Rougière op en riep zeer

luid:

—Het is al een geweldige toegevendheid dat ik in mijn huis laat

musiceeren, doch zingen verbied ik ten eenenmale voor goed. U hebt mijn

toestemming afgeperst in zake de verwisseling van kamers, nu moet u mij

beloven, dat eisch ik, dat u nooit zingen zult.

Mademoiselle, alsook Charlotte, waren geschrokken van dezen ruwen

uitval.

Zij hief ’t hoofd op, zag met haar eigenaardig „lichtende” oogen hem

strak aan en zeide op kalmen toon:

—Indien u ’t mij verbiedt... voilà! ’t Zal niet meer gebeuren. Doch u

begrijpt wel dat ik mij steeds meer verbazen moet dat u zóó optreedt.

Er is een spreekwoord dat zegt: „Booze menschen hebben geen

liederen”... en ik beschouw u toch niet als een boos mensch!

La Rougière bromde iets met zijn krakende stem en zeide enkele minuten

later:

—Daarover zullen wij nog wel eens spreken.

Het was inmiddels laat geworden en een gong kondigde met doffe slagen

het uur aan waarop alles in volkomen rust moest gaan op

„Bartram-Haugh”.

Ieder zocht de kamer op, welke tot slaapvertrek moest dienen en een

half uur later scheen alles in diepe rust.

Doch beneden in een kamer, die er uitzag als een schamele bibliotheek,

zat La Rougière, gebogen over brieven, geschreven met wonderlijke

teekens, en een wreede lach lag op zijn onaangenaam gelaat.

En boven?

Het was slechts een schijnrust, die er heerschte, want èn Charlotte èn

Mademoiselle zaten, ieder in hun kamer, in spanning te wachten.

Geen woord hadden de beide vrouwen kunnen wisselen. En toch, zij waren

beslist van plan, elkander dien avond of nacht nog te spreken.

Hun handdruk, die blikken hunner oogen, waren te welsprekend geweest.

Langzaam verliepen de minuten.

Eindeloos scheen de tijd te duren.

Niemand bemerkte hoe een donkere gedaante langs de trappen gleed en

stil bleef staan voor de deur van Charlotte.

Toen werd een zacht kloppen gehoord....

Van binnen, uit de kamer, klonk een gedruisch alsof iemand te bed lag

en wakker geworden zich omkeerde.

Daarna verdween de gestalte weer naar beneden....

Niet lang daarna werd Charlotte’s deur zeer langzaam en onhoorbaar

geopend en kwam het schoone hoofd van Charlotte te voorschijn.

Voorzichtig, angstig luisterende, liep zij, na enkele minuten gewacht

te hebben, de gang over en klopte aan de deur waar Mademoiselle was.

De deur werd geopend.

—Vlug, st.! zacht,... volg mij... Sluit uw deur goed!

Mademoiselle vroeg niet verder, doch handelde geheel naar het zoo zacht

doch gebiedend uitgestooten bevel.

Snel liepen de beide gestalten naar Charlotte’s kamer, die door deze

zorgvuldig, onhoorbaar, werd afgesloten.

Rillend, als had zij koude, noodigde zij Mademoiselle uit naast haar te

komen zitten.

Doch waar?

Groote Goden, het geleek hier een armoedige hut, met niets dan één

stoel, een houten tafel, een smal rustbed, met enkele dekens.

’t Was afschuwelijk.

Mademoiselle nam plaats op den rand van het bed en sloeg beschermend de

armen om de bevende gestalte van Charlotte.

—Vertel maar, kindje! Ik vermoed iets vreeselijks. Vertrouw mij alsof

ik uwe moeder ware.

—Mademoiselle, ik dank u. Ik heb mij bij onze kennismaking onhebbelijk

gedragen. Wilt u mij vergeven?

—Gaarne. Doe nu alsof ge mij al jaren kendet. Ik ben uw vriendin.

—Hoe lang zal ’t duren?

—Waarom dat gevraagd?

—Omdat vader ’t niet wil!

—Waarom niet?

—Dat is een lange geschiedenis.

—Vertel ze mij.

—Indien u ’t weet zult ge misschien ook heengaan...

—Om het uw vader te zeggen?—viel Mademoiselle plotseling in.

—Neen, dat zult gij niet doen—antwoordde Charlotte—maar u zult niet

hier willen, niet kunnen blijven.

—Is ’t zóó erg?

—Vreeselijk.

—Maar waarom dan toch?

—Luister! Schrik niet wanneer er straks aan de deur geklopt wordt. Dat

is vader. Hij controleert mij elk uur van den nacht. ’t Zal u duidelijk

worden waarom!

Mijn vader is, zooals reeds zijn naam uitwijst, een Franschman. Hij

woont hier nu al gedurende bijna drie en twintig jaren. Voor dien tijd

woonde hij in Parijs en was hij president van een geheim genootschap.

Ik werd geboren in den tijd dat vader voor allerlei zaken, zooals ik

later hoorde, politieke, naar Rusland ging. Toen hij terugkwam van zijn

reis was ik ter wereld gekomen, doch mijn lieve moeder was gestorven.

Ik heb haar nooit gekend. Direct werd ik ter opvoeding gegeven aan een

brave vrouw, die te Beaucamp, twee uren van Parijs af, woonde, en die

tot aan haren dood toe mij uitmuntend heeft verzorgd.

Van vader, hoorde of zag ik nooit iets.

Ik wist hij was in het buitenland. Meer kwam ik nooit te weten. Mijn

pleegmoeder schudde altijd het hoofd wanneer zij met mij op mijn

voortdurend vragen, over hem spreken moest. Elke week kwam monsieur

L’Eglai mij bezoeken, om namens mijn vader naar mij te komen

informeeren. Alles was even geheimzinnig... alles even vreemd. Ik

begreep er niets vanen pijnigde mijn hoofd gek.

Toen op een dag werd mijn pleegmoeder ziek en ik moest, toen L’Eglai

weer kwam, met hem mede. Hij vervoerde mij naar Parijs, waar ik werd

toevertrouwd aan een gouvernante, Mademoiselle Megg’.

Deze ging met mij naar hier.

Het was voor mij zeer vreemd dat tijdens de reis ook de

geheimzinnigheid bij bleef.

Bijvoorbeeld, reeds in Parijs begon het. Een vreemde dame trad op ons

toe, en overhandigde ons de reisbiljetten. Mademoiselle Megg’ scheen

alles te begrijpen, doch gaf mij, zelfs niet na herhaald aandringen,

niet de minste verklaring.

In Calais ’t zelfde. Een mijnheer zorgde voor de bagage, en bracht ons

op de boot. Daarna vertrok hij weer. In Dover weer een heer die onze

belangen behartigde, en die ons aan den trein naar Londen bracht.

Ook in Londen hetzelfde. Er was daar een gesloten auto, en ik werd naar

hier vervoerd naar mijn vader, dien ik nooit gezien had en dus niet

kende.

Ik had den vreemden man—zoo noemde ik hem bij mezelf—niet lief. Ik kon

dit niet, ook al omdat de eerste begroeting koud en vormelijk was.

Dit werd nog erger toen ik de behandeling van een gevangene kreeg en ik

mijn jonge idealen zag verwoest door den man die beweerde dat ik een

trouwe helpster moest wezen van hem.

Ik ben geen kind meer. En al was ik niet zoo geleerd als de meisjes van

mijn leeftijd die scholen bezocht hebben, toch wist ik voldoende.

Met „stoom en vliegwerk” moest ik Russisch, Poolsch, Noorsch, Engelsch

en nog andere talen leeren.

Ik werd doodmoe, want het was te veel.

Vader werd heftig als ik niet deed, wat ik volgens hem noodig had om

hem goed te kunnen helpen.

Het werd een scène.

Toen op een dag werd ik bij vader geroepen en deelde hij mij het

volgende mede: Hij was uit Frankrijk gegaan omdat hij gezocht werd door

de gerechtsdienaren, want—bijna fluisterend zeide Charlotte het—hij was

voorzitter van een genootschap moordenaars, onder den naam van...

—Nihilisten!—riep Mademoiselle Rochefort.

—Stil! niet zoo luid!

Even wachtte Charlotte, en vertelde toen weer toonloos verder:

—U zeide het goede woord. Het zou te veel tijd in beslag nemen u alle

details te vertellen. Dit is zeker... Vader... heeft... tal... van...

moorden... op... zijn... geweten...

Even was er doodsche stilte in de kamer. Toen vervolgde zij weer:

—Ik gruwde er van en vroeg of hij—vader—nog meer deed aan dit gruwzame

werk, waarop hij antwoordde dat het zijn gansche leven beheerschte. Hij

zou met behulp van anderen alle gekroonde hoofden, alle

regeeringspersonen, doodden. Daartoe moest ik leeren, want ook ik zou

een werktuig moeten worden. Ik weigerde. Ik maakte tumult, doch van

dien dag af werd mijn leven nog ondragelijker. Mademoiselle Megg’, die

een dankbare trawant was van vader, is thans op weg naar een land—waar

weet ik niet—doch met het doel bommen te gooien naar koninklijke

personen.

—Afschuwelijk,—zeide Mademoiselle Rochefort.

—Dit heb ik ook gezegd. Vader meende dat ik dit niet wist. Hij geeft

voordat ik ruzie had met Mademoiselle Megg’ doch hoofdzakelijk is dat

gekomen door dit feit. Toen ik u voor ’t eerst zag, dacht ik dat u ook

tot die geheime vereeniging behoorde, maar doordat u vader zóó durfde

weerstaan bracht u mij tot andere gedachten. Ik weet—zoo besloot

zij—niet of u met uw vertrouwelijken omgang iets goeds bedoelt. Verraad

mij! Misschien doodt hij mij dan. Ik wil, ik kan niet anders.

—Wij zullen samen vluchten!

Een zacht rood van blijdschap toog over Charlotte’s gelaat.

—Wanneer?

—Dat zullen wij samen beramen.

—We zullen niet kunnen.

—Nooit den moed opgeven. Zoo donker kan de wolk niet wezen, of toch

heeft zij een zilveren rand. Vrouwen kunnen soms zeer vernuftig wezen.

We zullen samen probeeren die middelen te vinden welke noodig zijn tot

een vlucht. Doet nu precies tegenover uw vader alsof gij mij haat.

Belaster mij. Spreek kwaad. Dan houdt uw vader mij zeker.

—Moet ik dus comedie spelen?

—Onvoorwaardelijk.

—Als ik maar kan.

—’t Moet.

—Ik ben zoo dankbaar u te hebben.

—Laat dit een reden te meer zijn dat u mij helpt. Uw vader is slim. Wij

moeten slimmer zijn.

—Wat kunnen wij, vrouwen?

—Zeer veel!

—Als wij in staat zijn te vluchten, dan zijn daarbuiten helpers van

mijn vader die ons zullen treffen.

—Dan nemen wij ook helpers.

—Wie zou ons helpen?

—Dat zullen wij zien.

—Ik geloof niet meer aan deze dingen. Ik heb gesmeekt, doch niets hielp

mij.

—Laat alles aan mij over. Steun mij met te doen zooals ik zeg en blijf

hopen. Dit is noodig. Wie gelooft in succes, heeft dit eenmaal zeker.

Tweemalen had Mademoiselle Rochefort het geheimzinnige tikken op de

deur gehoord... tweemalen had Charlotte zich gehouden alsof zij reeds

ter ruste was, en steeds was het de gouvernante duidelijker geworden

welk een treurspel hier gespeeld werd. Daar moest zij een einde aan

maken voor goed. ’t Was noodig.

En nog eenmaal drukte zij het Charlotte op ’t hart, deze

geheimzinnigheden te bestrijden met geheimen.

Met een hartelijken kus scheidden de beide vrouwen, die een verbond

hadden gesloten.

Mademoiselle ging naar hare kamers en wentelde zich nog geruimen tijd

op haar zijde omdat zij, ’t hoofd vol plannen, den slaap niet vatten

kon.

Lord Lister No. 0126: Het politieraadsel · 第 7 / 22 题