1. De organische schepping maakt een onafgebroken geheel uit, van het
eerste verschijnen van levende wezens op aarde af tot aan den
tegenwoordigen tijd toe.
2. De vormen, waarin zich het leven opvolgend heeft geopenbaard, zijn
steeds in overeenstemming geweest met de levensvoorwaarden en deze met
de levensomstandigheden.
3. De levensvormen zijn het product van twee factoren: van de
erfelijkheid der eigenschappen, die bewarend, en van het het zich
voegen (adapteeren) naar de levensomstandigheden, dat veranderend
werkt. [392]
4. Met en ten gevolge van de allengs voortgaande veranderingen waarvan
de oppervlakte der aarde het tooneel is geweest, en van de ontwikkeling
van de organische wereld zelve, heeft er een voortdurende
differentieering der levensomstandigheden plaats gegrepen, waarmede een
differentieering der levensvormen gelijken tred heeft gehouden.
5. Gedurende het bestaan van het organische leven op aarde zijn de
levensvormen allengs samengestelder geworden in dien zin: dat zich bij
de lagere en eenvoudiger vormen hoogere en samengestelder hebben
gevoegd, die in het bezit waren van organen en organenstelsels, welke
bij de vroeger geleefd hebbende vormen niet of in minder ontwikkelden
toestand bestonden.
6. De ontwikkeling der organische vormen is echter niet een in alle
richtingen progressieve geweest; zij is in bepaalde gevallen weder
regressief geworden, zoowel ten aanzien der bijzondere levensvormen als
ten aanzien der organen. Van laatstgenoemde kunnen, als gevolg van het
beginsel der erfelijkheid, bij latere generaties nog zeer langen tijd
sporen (rudimenten) overblijven, ook dan wanneer deze geenerlei voor
het leven nuttige beteekenis meer hebben. Deze kunnen worden beschouwd
als herinneringsteekens aan vroegere toestanden, waarin die deelen wel
een nuttige beteekenis hadden.
7. De tijd, gedurende welken de aarde door levende wezens bewoond is
geweest, is onberekenbaar lang en volkomen toereikend voor de
voorstelling, dat de nakomelingen van oorspronkelijk gelijke
vormen,—door zeer kleine, bij de individu’s optredende verschillen,
maar die, zich erfelijk voortplantende en zich accumuleerende gedurende
een reeks van opeenvolgende generaties, allengs grooter
werden,—eindelijk zoozeer van elkander verschillen, dat zij tot
onderscheidene Soorten, Geslachten, Families, Orden, en zelfs Klassen
worden gebracht.
8. Een onderlinge vergelijking der levensvormen leert, dat zij de
verwezenlijking zijn van grondplannen, met tallooze kleinere en
grootere wijzigingen in de bijzonderheden der uitvoering, zonder dat
daardoor het grondplan ophoudt herkenbaar te zijn. Deze gelijkheid van
het plan van bewerktuiging van overigens door gedaante en levenswijze
zeer uiteenloopende wezens, wijst met waarschijnlijkheid op een
gemeenschappelijken oorsprong.
9. De ontwikkeling der individu’s, welke binnen een kort tijdsbestek
plaats grijpt, levert tot op zekere hoogte een getrouw beeld van de
opeenvolging der verschillende levensvormen in de zeer lange
tijdsruimte, welke is verstreken sedert de aarde de woonplaats van
levende wezens is geworden. Elke individueele levensvorm doorloopt
gedurende zijn ontwikkeling een reeks van toestanden, welke voor
andere, op een lageren trap staande levensvormen, blijvende zijn. Ook
de ontwikkeling van het individu gedurende het vruchtleven is deels
progressief, deels regressief. Organen die gedurende een zekeren
toestand der vrucht een nuttige beteekenis hadden, verdwijnen weder of
laten slechts sporen achter.
B. BIJZONDERE STELLINGEN MET BETREKKING TOT DEN OORSPRONG VAN HET
MENSCHELIJK GESLACHT.
10. De beschaving is niet van één maar van verscheidene middelpunten
uitgegaan. Alleen de Indo-Germaansche beschaving heeft haar bron in de
hooglanden van Midden-Azië. Er bestaat derhalve geen enkele reden om
daar, met uitsluiting van andere gedeelten der aarde, de plaats van
oorsprong van het menschelijk geslacht te zoeken.
11. De ouderdom van het menschelijk geslacht is zeer veel grooter dan
men vroeger heeft gemeend. Zelfs de geschiedkundige oorkonden,
afkomstig uit een tijd, toen de beschaving van sommige volken reeds een
vrij hoogen trap had bereikt, reiken eenige duizenden jaren verder.
12. Een menigte van feiten duidt aan, dat aan dien geschiedkundigen
tijd een veel langere tijdruimte is voorafgegaan, gedurende welke
Europa reeds werd bewoond door wilde volksstammen die in leefwijze
overeenstemden met andere nog heden ten dage levende volken, welke op
een zeer lagen trap van beschaving staan. Het is derhalve hoogst
waarschijnlijk, dat overal aan den toestand van beschaving een wilde
toestand is voorafgegaan en dat de beschaving, hoewel zij in den loop
der tijden en bij bepaalde volken ook van elders kan zijn ingevoerd,
toch eenmaal door allengsche zelfstandige ontwikkeling is ontstaan.
13. De oudste menschelijke bewoners van Europa leefden gelijktijdig met
verscheidene thans uitgestorven soorten van dieren, in een tijd, toen
de gedaante van dit werelddeel en de verdeeling van land en water
daarin aanmerkelijk verschilden van de tegenwoordige.
14. Het is niet waarschijnlijk, dat ergens in Europa de plaats van
oorsprong van het menschelijk geslacht is geweest, maar dit werelddeel
is waarschijnlijk eerst door menschen bevolkt geworden, nadat deze
elders de eerste trappen van beschaving hadden bereikt. Vermoedelijk
was de eerste woonplaats, die tevens de plaats van oorsprong was,
tusschen of nabij de keerkringen gelegen, of althans in een streek,
waarvan het klimaat met dat der hedendaagsche keerkringslanden
overeenkwam. [393] Die plaats van oorsprong is waarschijnlijk in het
Oostelijk halfrond te zoeken.
15. De schepping van het menschelijk geslacht kan vergeleken worden met
de schepping van elken individueelen mensch. De veranderingen die bij
den laatsten, gedurende de vorming der vrucht, in den loop van weinige
maanden plaats grijpen, geven een beeld van de veranderingen die, na
verloop van millioenen jaren, met het ontstaan van den menschelijken
vorm, zooals wij dien kennen, zijn geëindigd.
In zijn allereersten toestand is elk mensch een slechts even zichtbaar
protoplasmaklompje, zonder waarneembare differentieering van bijzondere
deelen of organen, het naast overeenkomende met de op den laagsten trap
staande, zelfstandige levende en zich voortplantende organische wezens,
Amoeben en verwante vormen.
Wanneer de differentieering een zekeren trap heeft bereikt, stemt de
embryo van een mensch het naast overeen met de larve eener Ascidië.
[394]
Bij voortgaande differentieering van organen, verkrijgt de embryo een
maaksel, dat, in meer ontwikkelden, blijvenden vorm, bij de Visschen
wordt teruggevonden.
Daarop volgt een toestand, welke voor sommige Reptiliën de blijvende
is.
Ook dan, wanneer zich reeds duidelijk de Zoogdieren-typus begint te
openbaren, doorloopt de vrucht van den mensch toch nog toestanden, die
bij andere, lagere zoogdieren blijvend vertegenwoordigd zijn.
In een zeker levenstijdperk vertoont de vrucht van een mensch geenerlei
in het oog loopend verschil van de vrucht van een dier uit de Orde der
Quadrumana. Eerst in de laatste maanden der ontwikkeling treden de
eigenaardigheden in het maaksel, waardoor het menschelijk lichaam van
dat der Quadrumana verschilt, duidelijker en duidelijker te voorschijn.
16. De verschillen in het lichamelijk maaksel der Quadrumana en dat van
den mensch zijn geen volstrekte maar betrekkelijke. Zij bepalen zich
tot een ongelijkmatige ontwikkeling der zelfde in morphologisch opzicht
geheel overeenstemmende organen. In het lichaam van den mensch wordt
geen enkel deel gevonden, waarvan het homologon niet ook bij een of
meer aapsoorten voorkomt. Verscheidene eigenaardigheden van het maaksel
heeft de mensch alleen met de hoogere aapsoorten gemeen.
17. Toch is dit betrekkelijk verschil tusschen zelfs de laagste thans
levende menschenrassen en de op den hoogsten trap staande Quadrumana,
de Anthropomorphen, zeer aanmerkelijk en grooter dan dat tusschen de
verschillende soorten dezer Orde, ofschoon minder groot dan dat
tusschen haar op den hoogsten en haar op den laagsten trap staande
soorten, die echter door nog levende tusschenvormen zijn verbonden.
Een zeer diepe, alhoewel niet onpeilbare kloof scheidt dus, in de thans
bestaande wereldorde, den mensch van de hem het naastbij komende
dieren. [395]
18. Het vroeger gekoesterde vermoeden, dat in de eene of andere, nog
onbekende streek der aarde menschen zouden worden aangetroffen die nog
meer dan de reeds bekende met sommige soorten van apen zouden
overeenstemmen, heeft zich niet alleen geenszins bevestigd, maar bij de
thans bestaande zeer uitgebreide kennis van de bewoners der aarde,
waarvan bijna geen plekje meer door reiziger onbezocht is gebleven, mag
men wel als zeker stellen, dat zulke tusschenvormen als volk nergens
bestaan.
19. Er worden echter van tijd tot tijd, zonder dat men daarvoor
bepaalde oorzaken kan opgeven, onder verschillende rassen, ook de
hoogste, menschen geboren (microcephalen), die in eenige opzichten,
vooral door de geringe ontwikkeling van de hersenen en van de
schedeldoos en door een daarmede gepaard gaanden lagen trap der
intellectueele vermogens, tot de hoogste Quadrumana naderen. Hun
toestand is het gevolg van het blijven staan der vrucht op een
ontwikkelingstrap die voor den normalen mensch een voorbijgaande is.
20. Onder de Quadrumana is er geen enkele soort, die gezegd kan worden
onder alle den mensch het meest nabij te komen. De verschillen van en
overeenkomsten met den mensch zijn over verscheidene soorten verdeeld.
Er bestaat derhalve ook geen enkele grond om in een der heden ten dage
levende aapsoorten den nog levenden vertegenwoordiger te zien van den
oorspronkelijken mensch.
21. Daarentegen bestaan er vele gronden die het waarschijnlijk maken,
dat de mensch en de soorten van de Orde der Quadrumana uit een
gemeenschappelijken stam zijn ontsproten, waarvan een sterk
divergeerende tak tot het menschelijk geslacht is geworden. Deze
differentieering moet dan echter in een onberekenbaar lang verleden
tijd hebben plaats gegrepen.