L. Voorouders van den Mensch uit de Orde der Apen (Simiae).

Negentiende trap: Gestaarte Apen of Menocerken; smalneuzige apen met 32

tanden en een staart, gelijkende op de nog heden levende Slankapen

(Semnopithecus en Colobus)

Twintigste trap: Menschapen of Anthropoïden; smalneuzige apen zonder

wangzakken en zonder staart, gelijkende op de nog heden levende Orang,

Chimpanzee en Gorilla.

Een-en-twintigste trap: Aapmenschen of Oermenschen; gelijkende op de

laagst ontwikkelde menschenrassen (Papoea’s, Hottentotten,

Nieuw-Hollanders), maar nog zonder het bezit van de menschelijke

spraak.

Twee-en-twintigste trap: Menschen, die zich als echte menschen door de

vorming der menschelijke spraak en de daarmede verbonden hoogere

ontwikkeling der hersenen boven de Oermenschen van den vorigen trap

verhieven. De oudste overblijfselen van echte menschen uit het diluvium

(Neanderdal, Eguisheim, la Naulette, Spy enz.) worden door Quatrefages,

Hamy en de Mortillet gebracht tot een zelfde uitgestorven ras, waaraan

de eersten den naam geven van ras van Cannstatt (naar een daar gevonden

schedel uit dien tijd) en de laatste den naam van ras van Chelles, naar

een plaatsje in Frankrijk, waar men sporen daarvan heeft gevonden.

In zijn „Anthropogenie”, 3de uitgaaf, blz. 412, geeft Haeckel een tabel

van de dierlijke voorouders van den mensch, die tevens het geologisch

tijdvak aangeeft, waarin zij leefden, waarnaar wij de volgende (met

inachtneming der in de noten medegedeelde opgaven in de 8ste uitgaaf

der „Nat. Schöpfungsgeschichte”) hebben bewerkt:

--------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------

Tijdvakken van | Geologische | Dierlijke voorouders | Levende naaste

de organische | perioden van de | van | verwanten der

geschiedenis | organische geschiedenis | den mensch. | dierlijke voorouders.

der aarde. | der aarde. | |

--------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------

{ { 1. Moneren ( Bathybius.

{ { (Monera). (? ?) ( Protamoeba.

{ {

{ { 2. Eencellige { Eenvoudige

{ { oerdieren { Amoeben

{ { (oudste Amoeben { (Autamoebae).

{ { of Lobvoeten). {

{ {

{ { 3. Veelcellige {

{ { oerdieren { Cystophrys.

{ { (Synamoebia { Labyrinthula.

{ { of Moraeada). {

{ {

{ { 4. Trilhaarzwermers {

{ { Planaeada of { Planula-larven.

{ { Blastaeada). {

{ 1. Laurentische {

I. Het { periode. { 5. Oerdarmdieren ( Gastrula-larven.

Archaeolithische { 2. Cambrische { (Gastraeada). (

of Primordiale { periode. {

tijdvak. { 3. Silurische { 6. Plat wormen ( Trilwormen

{ periode. { (Platoda). ( (Turbelleria).

{ {

{ { 7. Snoerwormen. { Nemertina.

{ {

{ { { Balanoglossus,

{ { 8. Eikelwormen. { Cephalodiscus,

{ { { Rhabdopleuza.

{ {

{ { { Copelata

{ { 9. Oerchordadieren { (Appendicularia),

{ { (Prochordonia). { larven der

{ { { Ascidiën.

{ {

{ { 10. Schedelloozen ( Slakprikken

{ { (Acrania). ( (Amphioxi).

{ {

{ { 11. Rondmuilen ( Lampreien

{ { (Monorrhina). ( (Petromyzontes).

{ {

{ { 12. Oervisschen ( Haaien

{ { (Selachii). ( (Squalacei).

--------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------

{ { { Lepidosteus,

{ { { Polypterus,

{ { 13. Ganoida. { Amia,

{ { { Accipenser,

{ { { Spatularia.

II. Het { 4. Devonische {

Palaeolithische { periode. { 14. Dipneusta. ( Longvisschen

of Primaire { 5. Steenkoolperiode. { ( (Protoptera).

tijdvak { 6. Permische {

{ periode. { 15. Stegocephala. { Proteus anguineus.

{ {

{ { ( Watersalamander

{ { 16. Salamandrina. ( (Triton,

{ { ( Salamander).

--------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------

{ {

{ { 17. Prosephelen of {

{ { Oeramnioten { Hatteria.

{ { (Protamnia). {

III. Het { 7. Triasperiode. {

Mesolithische { 8. Juraperiode. { 18. Zoogdier-reptielen ( Verwanten komen

of Secundaire { 9. Krijtperiode. { (Theriosauria). ( niet meer levend voor

tijdvak. { {

{ { 19. Stamzuigers ( Snaveldieren

{ { (Promammalia). ( (Monotremata).

{ {

{ { 20. Buideldieren ( Buidelratten

{ { (Marsupialia). ( (Didelphyes).

--------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------

{ {

{ { 21. Halfapen { Lori (Stenops),

{ { (Prosimiae). { Maki (Lemur).

{ {

{ 10. Eocene { 22. Gestaarte Apen ( Neusapen.

IV. Het { periode. { (Menocerken). ( Slankapen.

Coenolithische { 11. Miocene {

of Tertiaire { periode. { 23. Menschapen of ( Gorilla,

tijdvak. { 12. Pliocene { Ongestaarte ( Chimpanzee,

{ periode. { Apen ( Orang,

{ { (Anthropoïden). ( Gibbon.

{ {

{ { 24. Aapmenschen of { Doofstommen,

{ { Spraaklooze { Cretins

{ { Menschen. { en Microcephalen.

--------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------

V. Het Quartaire ( 13. Diluvium. ( 25. Menschen (Ras ( Nieuw-Hollanders en

tijdvak. ( 14. Alluvium. ( van Cannstatt enz.) ( Papoea’s.

Dat niet alle volken het denkbeeld om van dieren af te stammen zoo

vernederend vinden als vele Europeanen blijkt uit de volgende

voorbeelden.

Van zekeren stam van Madagascar wordt in het Fransche tijdschrift „le

Tour du Monde”, 7 Oct. 1871, chronique (op den blauwen omslag), een in

verband met de theorie van Darwin omtrent het ontstaan van den mensch

niet onaardige bijzonderheid verhaald, namelijk: „Les Betanismena, qui

semblent être de la même origine que les Hovas, et dont la peau est

d’un brun clair, affirment que leurs ancêtres sont issus des Babacoutes

ou grands lémures de la forêt. Récemment un des personages de la cour

ayant tué un de ces animaux fut dégradé en punition de son crime et dut

solennellement enterrer la victime.” Aan het tegenovergestelde uiteinde

van het veronderstelde Lemuria, op het schiereiland Malakka, echter

vindt men een dergelijke overlevering. Men leest toch in het

„Tijdschrift voor Ind. Taal-, Land-, en Volkenkunde”, X, 4de Serie, I,

Batavia, Lange & Co, 1861, blz. 415 („Notice sur les Mantras, Tribu

sauvage de la Péninsule Malaise”, par Borie, Missionnaire apostolique):

„Je me rappelle avoir entendu plusieurs sauvages raconter fort

sérieusement, qu’ils descendent tous de deux singes blancs, de deux

ounka puteh. Les deux ounka puteh, ayant engendré leurs petits, se

rendirent dans la plaine; ils s’y perfectionnèrent si bien, eux et

leurs descendants, qu’ils devinrent des hommes”, etc.

Ook bij de Thibetanen heerscht de overlevering, dat zij van apen

afstammen; de Roodhuiden wanen zich met den dierenwereld verwant, en,

naar ik meen, ook verschillende stammen van Insulinde, Australië en het

vasteland van Afrika. Deze overleveringen van wilden en

half-beschaafden bewijzen natuurlijk niets voor het stelsel van Darwin,

maar zijn toch, in verband daarmede beschouwd, niet onaardig.

(22) De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of

Species”, Mme Clémence Royer, zegt in haar Werk „Origine de l’Homme et

des Sociétés”, Paris 1870, blz. 149, na een beschrijving te hebben

gegeven van de voorstelling die zij zich maakt van den

gemeenschappelijken stamvader der Primaten [390], zeer schoon:

„En somme, pourquoi rougirions-nous d’un tel ancêtre? Si nous devons

rougir de notre généalogie, rougissons plutôt de descendre des sauvages

cannibales qui ont habité les cavernes de la Belgique et de la Ligurie,

de ces races brutales qui faisaient de la guerre, de la rapine et du

vol leurs moyens d’existence et leur gloire; de ces Gaulois qui

arrosaient de sang humain les autels de leur dieux aussi féroces

qu’eux-mêmes; de ces Francs, de ces barbares, qui, ne connaissant que

le droit de leur épée, vinrent envahir et étouffer la civilisation

gréco-latine, ajouter leurs vices à ses vices, et replonger le monde

pour mille ans dans la barbarie à laquelle il commençait à échapper.

Rougissons de compter parmi nos ayeux ces barons pillards du moyen âge,

qui n’ètaient que des détrousseurs de grands chemins, libres et

privilégiés pour commettre tous les crimes sans crainte de châtiment et

irresponsables derrière les crénaux de leurs châteaux-forts; mais

rougissons aussi d’être les petits-fils de ces Jacques Bonshommes qui,

après avoir été longtemps pillés et pendus par leurs barons, ne surent

user de leurs droits reconquis que pour piller et pendre à leur tour.

Rougissons enfin d’appartenir à cette race chrétienne qui, sous

prétexte de venger Dieu, a fait les croisades, les auto-da-fé, la

Saint-Barthélemy, les dragonnades, qui a élevé des bûchers aux Vanini,

aux Giordano Bruno, aux Jean Huss, aux Servet, emprisonné les

Campanella, fait abjurer les Galilée; rougissons de nos pères

eux-mêmes, qui n’ont pas su défendre, sans l’ensanglanter, la liberté

qu’ils avaient reconquise; mais surtout rougissons de nous-mêmes, qui

laissons périr, sans le faire fructitier, sans savoir même le

conserver, l’accroître, l’héritage d’héroïsme et de grandes pensées, de

victoires et de sacrifices, de vérités nouvelles et d’aspirations

généreuses qu’au prix de leur vie ils nous ont légué.

„S’il est vrai que nous comptions des brutes pour ancêtres, que les

progrès déjà accomplis par notre race nous donnent la mesure de ceux

que nous pourrons accomplir encore, et que notre retour sur notre passé

ne serve qu’à nous donner pour l’avenir de plus magnifiques espérances.

Après tout, mieux vaudrait descendre, même en droite ligne, d’un orang

inoffensif qui n’a jamais fait la guerre à qui ne l’attaquait pas, que

d’être fils d’un Timour, d’un Gengis, d’un Attila, voire mème d’un

Alexandre ou d’un César, enfin d’un de ces fléaux de l’humanité qui

marquent tous leurs pas d’un sillon sanglant, ne comptent leurs jours

que par leurs mensonges et ne fondent leurs empires éphémères que sur

les débris frémissants de nations libres faites esclaves!”

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 78 / 111 题