OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM
HEEFT ONTWIKKELD.
Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.
—Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij
den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche
invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd
gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de
ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—
Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke
teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste
geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn
lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den
opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het
gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering
der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—
Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van
den mensch blz. 52.