TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM

HEEFT ONTWIKKELD.

Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.

—Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij

den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche

invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd

gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de

ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—

Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke

teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste

geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn

lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den

opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het

gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering

der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—

Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van

den mensch blz. 52.

De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) · 第 11 / 111 题